Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7118

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
04-01-2002
Zaaknummer
AWB 01/54235
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / Irak / terugkeer.

Bewaring ex artikel 6 Vw 2000. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van verweerder dat de IOM terugkeer faciliteert voor alle afgewezen Iraakse asielzoekers en niet uitsluitend Koerden.

Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 11 juli 2000 (AWB 00/5812) is de rechtbank van oordeel dat van vreemdelingen aan wie de maatregel als hier aan de orde is opgelegd, verwacht mag worden, gelijk van vreemdelingen in andere bewaringssituaties, dat zij aan vrijwillige terugkeer via de IOM meewerken.

Daargelaten wat er zij van de authenticiteit van de door de vreemdeling overgelegde, niet ondertekende, e-mail van het hoofd van de Iraaks-Koerdische Missie bij de EU en de Benelux en de fax van de PUK te Londen, wordt vastgesteld dat niet aangetoond is dat deze personen bevoegd zijn de de facto autoriteiten in Noord-Irak, de KDP en de PUK, te vertegenwoordigen en in het bijzonder namen deze autoriteiten standpunten in te nemen over de terugkeer van door Nederland afgewezen asielzoekers. Anders dan door de vreemdeling betoogd is het niet aan verweerder om gemotiveerd te weerleggen dat deze personen niet bevoegd zijn de Noord-Irakese autoriteiten te vertegenwoordigen. Dat zou eerst aan de orde zijn indien door de vreemdeling is aangetoond, althans voldoende aannemelijk gemaakt dat deze personen die bevoegdheid wel toekomt. Dat is niet het geval. Bij deze stand van zaken kan aan de inhoud van genoemde stukken geen betekenis worden toegekend en moet er vooralsnog van uitgegaan worden dat terugkeer van afgewezen asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak binnen redelijke termijn mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende zicht is op uitzetting. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01/54235 VRONTN J

inzake: A, geboren op [...] 1974, van Iraakse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te ’s-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 26 oktober 2001.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. M.W.W. Raspe.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 17 oktober 2001 is de vreemdeling ex artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdeling is op diezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw toegepast.

1.2 Op 18 oktober 2001 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

Bij besluit van 21 oktober 2001 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. De ten aanzien van de vreemdeling toegepaste vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw is in het besluit gehandhaafd.

1.3 Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, Vw, van 19 oktober 2001, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van de vrijheidsontnemende maatregel.

1.4 Bij beroepschrift van 22 oktober 2001, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de maatregel. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.5 Ter zitting is het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen aan de rechtbank informatie te verstrekken over de terugkeermogelijkheden van Iraakse asielzoekers naar het land van herkomst. Nadat de informatie van verweerder en de reactie hierop van de gemachtigde van de vreemdeling waren ontvangen, heeft de rechtbank bij schrijven van 2 november 2001 verweerder vragen gesteld. Na beantwoording daarvan en ontvangst van de reactie daarop van de gemachtigde van de vreemdeling heeft de rechtbank het onderzoek op 9 november 2001 gesloten en uitspraak bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.

2.2 Verweerder voert het beleid dat onder meer tot (voortzetting van) de maatregel ex artikel 6 Vw wordt besloten indien de asielaanvraag binnen de AC-procedure is afgewezen.

2.3 Namens de vreemdeling is gesteld dat geen zicht op uitzetting van de vreemdeling bestaat en mitsdien de maatregel onrechtmatig is. Daartoe is – samengevat - aangevoerd dat het terugkeerprogramma naar Noord-Irak van de IOM is opgeschort. Bovendien zijn via dat programma alleen Koerden afkomstig uit Noord-Irak teruggekeerd en geen uitgeprocedeerde asielzoekers, die afkomstig zijn uit Centraal Irak. Uit informatie van de IOM zelf is komen vast te staan dat in de afgelopen elf maanden slechts zeven personen zijn teruggekeerd die allemaal van Koerdische afkomst waren. Personen afkomstig uit Centraal-Irak worden niet in Noord-Irak toegelaten wegens het ontbreken van familie-en/of gemeenschapsbanden. De reden daarvoor is duidelijk. Zowel de KRG als het PUK hebben ondubbelzinnig enkele legitieme voorwaarden opgesteld voor vrijwillige terugkeer.

2.4 Voorts is namens de vreemdeling naar voren gebracht dat hij niet terstond na de uitreiking van de afwijzende beschikking op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is overgeplaatst naar het Grenshospitium, maar onnodig lang in het AC heeft verbleven. De gemachtigde van de vreemdeling stelt zich op het standpunt dat, indien wordt gewacht met deze overplaatsing, op verweerder een bijzondere motiveringsplicht rust. De gemachtigde verwijst daartoe naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 26 januari 2001 (AWB 00/74855).

2.5 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.6 De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) faciliteert en begeleidt middels een terugkeerprogramma terugkeer van afgewezen asielzoekers naar het land van herkomst. Migratie via de IOM geschiedt op vrijwillige basis. Voor het overige worden er geen voorwaarden gesteld aan de gebruikmaking van de terugkeerregeling van de IOM. De IOM bemiddelt bij het verkrijgen van vervangende reisdocumenten van de desbetreffende autoriteiten.

Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 11 juli 2000 (AWB 00/5812) is de rechtbank van oordeel dat van vreemdelingen aan wie de maatregel als hier aan de orde is opgelegd, verwacht mag worden, gelijk van vreemdelingen in andere bewaringssituaties, dat zij aan vrijwillige terugkeer via de IOM meewerken.

2.7 Vastgesteld wordt, gelet op de gewisselde stukken, dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het terugkeerprogramma naar Noord-Irak via de IOM, hoewel enige tijd opgeschort geweest in verband met de houding van de Turkse autoriteiten, weer hervat zal worden.

2.8 Daarmee komt het vervolgens aan op de vragen of het terugkeerprogramma ook voorziet in terugkeer naar Noord-Irak van uitgeprocedeerde asielzoekers, afkomstig uit Centraal-Irak en zo ja, of die terugkeer binnen redelijke termijn ook daadwerkelijk mogelijk is.

2.9 Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de gemachtigde van de vreemdeling verwezen naar een aantal overgelegde stukken, waaronder een e-mailbericht van 8 augustus 2001 van het Hoofd van de Iraaks-Koerdische Missie in de EU en de Benelux aan INLIA alsmede een fax van 11 oktober 2001, ook aan INLIA, van dr. Latif Rashid van de PUK in Londen.

In eerstgenoemd stuk is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"Under the present situation, the political and economic climate is not ripe for KRG to receive forced repatrition of Iraqi Kurds. Besides UN and IOM partiipation need to taken into consideration. KRG is only responsible for its citizens who live under its administration. Hence, it is in no condition to permit Iraqis from central Iraq who has been rejected in Netherlands to be resettle in Kurdistan region."

In laatstgenoemd stuk is, voor zover hier van belang, het volgende te lezen:

"For the asylum seekers who are originally from outside the Kurdisch administration area (Kurdisch areas like Kirkuk, Khanaquin … etc. which are still under the Iraqi regime control, the Faily Kurds and various Christian minorities and people from the rest of Iraq). It must be absolutely clear that we do not guarantee these people to be returned or resettled in northern Iraq (Kurdisch administration area), because the may form an addition to social and economic problems, a security problems for the area as we don’t hold formal and genuine registration about their real identities and personalities."

We cannot grantee resettlement, safely and economic furure for these asylum seekers.

2.10 In reactie op de stellingen van de gemachtigde van de vreemdeling, de overgelegde stukken en de vragen van de rechtbank heeft verweerder in zijn brief van 6 november 2001 onder meer het volgende naar voren gebracht:

Allereerst geldt dat de onderhandelingen over de terugkeermogelijkheden van de voor terugkeer in aanmerking komende Iraakse asielzoekers gevoerd worden door de Nederlandse autoriteiten met onder meer de Koerdische autoriteiten in de regio Noord-Irak. Afgezien van de omstandigheid dat de in Europa gezetelde Koerdische vertegenwoordigingen onderdeel uitmaakten van de missie van de Koerische autoriteiten uit Noord-Irak aan diverse Europese landen in juli 2001, maken deze vertegenwoordigingen geen onderdeel uit van de onderhandelingen die in het kader van de terugkeer van Iraakse asielzoekers gevoerd worden met de (hogere) Koerdische autoriteiten in Noord-Irak. Op basis van de onderhandelingen met en informatie van de (hogere) regionale autoriteiten zijn er geen aanwijzingen dat terugkeer naar Noord-Irak niet mogelijk is.

In tegenstelling tot hetgeen uw rechtbank lijkt de veronderstellen, faciliteert het IOM in de terugkeer van alle daarvoor in aanmerking komende Iraakse vreemdelingen – niet uitsluitend Koerden - naar Noord-Irak. De berichten in de hiervoor genoemde stukken worden geenszins bevestigd in de contacten die bestaan tussen de Nederlandse regering en de Koerdische autoriteiten in de regio, waaruit het tegendeel blijkt, namelijk dat terugkeer naar Noord-Irak van alle daarvoor in aanmerking komende Iraakse asielzoekers – niet uitsluitend Koerden - mogelijk is.

Samenvattend en in antwoord op uw vraag vormen naar het oordeel van verweerder de overgelegde stukken geen aanleiding om niet langer een reëel zicht op uitzetting aan te nemen.“

2.11 De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van verweerder dat de IOM terugkeer faciliteert voor alle afgewezen Iraakse asielzoekers en niet uitsluitend Koerden. Van andersluidende aanwijzingen, bijvoorbeeld van de zijde van de IOM, is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat in dit jaar slechts zeven vreemdelingen van Koerdische afkomst feitelijk naar Noord-Irak zijn teruggekeerd, zoals de gemachtigde van de vreemdeling stelt van het IOM vernomen te hebben, maakt het vorenstaande niet anders. Bovendien is niet uitgesloten dat die omstandigheid verband houdt met de jurisprudentie van deze rechtbank inzake het (ontbreken van een) vestigingsalternatief in Noord-Irak voor bepaalde categorieen vreemdelingen afkomstig uit Centraal-Irak.

2.12 Daargelaten wat er zij van de authenticiteit van de door de vreemdeling overgelegde, niet ondertekende, e-mail van het hoofd van de Iraaks-Koerdische Missie bij de EU en de Benelux en de fax van dr. Latif Rashid van de PUK te Londen, wordt vastgesteld dat niet aangetoond is dat deze personen bevoegd zijn de de facto autoriteiten in Noord-Irak, de KDP en de PUK, te vertegenwoordigen en in het bijzonder namen deze autoriteiten standpunten in te nemen over de terugkeer van door Nederland afgewezen asielzoekers. Anders dan door de vreemdeling betoogd is het niet aan verweerder om gemotiveerd te weerleggen dat deze personen niet bevoegd zijn de Noord-Irakese autoriteiten te vertegenwoordigen. Dat zou eerst aan de orde zijn indien door de vreemdeling is aangetoond, althans voldoende aannemelijk gemaakt dat deze personen die bevoegdheid wel toekomt. Dat is niet het geval. Bij deze stand van zaken kan aan de inhoud van genoemde stukken geen betekenis worden toegekend en moet er vooralsnog van uitgegaan worden dat terugkeer van afgewezen asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak binnen redelijke termijn mogelijk is.

2.13 Gelet op al het vorenstaande kan niet gezegd worden dat er onvoldoende zicht bestaat op uitzetting van de vreemdeling binnen redelijke termijn.

2.14 Ten aanzien van de overplaatsing van de vreemdeling naar het Grenshospitium overweegt de rechtbank dat uit de door gemachtigde aangehaalde uitspraak van ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 26 januari 2001 (AWB 00/74855) blijkt dat, behoudens exceptionele omstandigheden, de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in het AC langer dan vier dagen na afronding van de AC-procedure onrechtmatig moet worden geacht. In het onderhavige geval heeft de overplaatsing naar het Grenshospitium twee dagen na de uitreiking van de afwijzende beschikking plaatsgevonden, derhalve binnen de bovengenoemde vier dagen termijn. Anders dan door de vreemdeling gesteld biedt genoemde uitspraak geen aanknopingspunt voor het oordeel dat op verweerder bij overplaatsing naar het Grenshospitium binnen vier dagen niettemin een bijzondere motiveringsplicht rust. Tot een zodanige motivering acht de rechtbank verweerder ook niet op enige andere grond gehouden.

2.15 Voor zover ter zitting nog een beroep is gedaan op de kansrijkheid van de door de vreemdeling ingestelde rechtsmiddelen tegen de niet-inwilliging van zijn aanvraag om toelating als vluchteling, overweegt de rechtbank dat niet zonneklaar is dat die rechtsmiddelen tot toegang van de vreemdeling tot Nederland zullen leiden.

2.16 Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat de oplegging, de voortduring en tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 Vw niet in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

2.17 Het beroep is derhalve ongegrond.

2.18 Nu de maatregel niet wordt opgeheven, komt ook het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet voor inwilliging in aanmerking.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2001, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vos als griffier.

Afschrift verzonden op: 16 november 2001

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC

’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.

Tegen de beslissing inzake de schadevergoeding staat geen rechtsmiddel open.