Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7113

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-11-2001
Datum publicatie
04-01-2002
Zaaknummer
AWB 01/50436 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / bevoegdheid beschikking / voortvarendheid.

Op grond van 6, eerste lid, j° artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 is de directeur van een grenslogies als bedoeld in artikel 3 van het Reglement regime grenslogies bevoegd tot het aanwijzen van een ruimte of plaats in de zin van eerstgenoemd artikel.Ondertekening van een plaatsingsbeschikking door de plaatsvervangend directeur van een grenslogies heeft niet tot gevolg dat de beschikking onbevoegd is gegeven. Wanneer de plaatsvervangend directeur de werkzaamheden van de directeur waarneemt bekleedt hij op dat moment de functie van directeur, en kan hij diens bevoegdheden uitoefenen.

De termijn van zes weken, waarnaar verwezen wordt in artikel 59, vierde lid, Vw 2000, is niet van toepassing op maatregelen opgelegd op grond van artikel 6 Vw 2000. Dat neemt niet weg dat ook een aanvraag ingediend door een vreemdeling aan wie de maatregel van artikel 6 Vw 2000 is opgelegd voortvarend dient te worden behandeld. In dit geval is niet gebleken dat dit niet is gebeurd. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 6
Vreemdelingenwet 2000 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/50436 BEPTDN

inzake : A, geboren op [...] 1973, van Srilankaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium Grenslogies Oostereiland te Hoorn, eiser,

gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Ponte, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 3 juli 2001 is eiser op grond van artikel 3 van de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

Eerdere beroepen van eiser tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel zijn bij uitspraken van 19 juli 2001 en 6 september 2001 ongegrond verklaard.

Verweerder heeft de rechtbank op 4 oktober 2001 van het voortduren van de vrijheidsontneming in kennis gesteld. Krachtens artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de vreemdeling daarmee geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 11 oktober 2001. Zowel eiser als verweerder zijn aldaar vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 12 oktober 2001 heeft verweerder nadere inlichtingen verstrekt. Gemachtigde van eiser heeft hierop op dezelfde datum per fax gereageerd. Verweerder heeft zijn standpunt nog nader aangevuld bij brieven van 15 en 16 oktober 2001. Vervolgens is het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Op 16 augustus 2001 heeft eiser een tweede aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 van de Vw 2000. Het besluit op deze aanvraag is pas op 29 september 2001, meer dan zes weken na de aanvraagdatum, aan eiser uitgereikt. Onder deze omstandigheden is de aanvraag niet voldoende voortvarend behandeld.

Eiser is zich ervan bewust dat artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000 in zijn geval niet van toepassing is, maar hij wijst erop dat de voorloper van deze bepaling, artikel 26, derde lid, van de Vw 1965, in de jurisprudentie als leidraad fungeerde in zaken als deze. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 13 april 2000 (AWB 99/803, JV 2000, 144). Artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000 geeft een maximale termijn voor het afdoen van asielaanvragen van zes weken, en die termijn is overschreden.

Eiser is op 17 september 2001 overgeplaatst naar Hoorn. Naar de mening van eiser is de ter zake afgegeven plaatsingsbeschikking onbevoegd gegeven, omdat de ondertekenaar daarvan niet de directeur van een grenslogies is, of iemand anders die bevoegd is een aanwijzing op grond van artikel 6 van de Vw 2000 te geven. De ondertekenaar is in elk geval niet de in de aanwijzing genoemde J.C. de Vrijer. Van enig rechtsgeldig (ondertekenings)mandaat is niet gebleken. Overigens verzet de aard van de bevoegdheid zich daartegen. Ook om die reden dient de vrijheidsontnemende maatregel te worden opgeheven.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. De tweede aanvraag mag in Nederland worden afgewacht. Op dit moment worden derhalve geen activiteiten ontplooid om tot uitzetting te komen. Als de aanvraag en een eventueel in te dienen voorlopige voorziening zouden worden afgewezen, dan kan onmiddellijk een vlucht worden geboekt. Een laissez-passer is al verstrekt. Eiser heeft op 16 augustus 2001 gevraagd om een tweede aanvraag te mogen indienen, die op 21 augustus 2001 is ontvangen. De zeswekentermijn van artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000 is bewust niet van toepassing verklaard op de artikel 6-maatregel. Genoemd artikel kan dan ook niet analoog worden toegepast op artikel 6-zaken. De tweede aanvraag is voldoende voortvarend behandeld. Ook is de plaatsingsbeschikking wel degelijk bevoegd gegeven. De beschikking is weliswaar niet ondertekend door J.C. de Vrijer, directeur van het Grenshospitium, maar door D. van Kooije, plaatsvervangend directeur van het Grenshospitium. De plaatsvervangend directeur is, gezien artikel 3 van het Reglement regime grenslogies en de toelichting daarop, naast de directeur belast met het dagelijks bestuur en derhalve eveneens bevoegd tot het ondertekenen en uitreiken van plaatsings-beschikkingen. Beiden zijn zelfstandig bevoegd, zodat een mandaatregeling niet aan de orde is.

De rechtbank overweegt het volgende.

Artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is met het toezicht op de naleving en de uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking belast de directeur van een grenslogies als bedoeld in artikel 3 van het Reglement regime grenslogies. Hieruit volgt dat de directeur van een grenslogies bevoegd is om een plaatsingsbeschikking als bedoeld in artikel 6 van de Vw 2000 te geven.

Gebleken is dat niet de directeur maar de plaatsvervangend directeur van het Grenshospitium Grenslogies Oostereiland de plaatsingsbeschikking heeft ondertekend. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat dit niet tot gevolg heeft dat de beschikking onbevoegd is gegeven. Wanneer de plaatsvervangend directeur de werkzaamheden van de directeur waarneemt bekleedt hij op dat moment de functie van directeur, en kan hij diens bevoegdheden uitoefenen. In dit geval was de plaatsvervangend directeur dan ook bevoegd om de plaatsingsbeschikking te geven.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 16 augustus 2001 een tweede asielaanvraag heeft ingediend, dat verweerder op 28 september 2001 op deze aanvraag heeft beslist, en dat deze beslissing op 29 september 2001 aan eiser is uitgereikt. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de beslistermijn van zes weken, bedoeld in artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000, niet van toepassing is op maatregelen opgelegd op grond van artikel 6 van de Vw 2000. Dat neemt echter niet weg dat ook een aanvraag die is ingediend door een vreemdeling aan wie de maatregel op grond van artikel 6 van de de Vw 2000 is opgelegd voortvarend moet worden behandeld. Blijkens hoofdstuk A5/2.2.3.1 van de Vc 2000 moet daarbij steeds een afweging worden gemaakt tussen de belangen van de overheid en die van de vreemdeling. Alle belangen in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet gebleken is dat verweerder niet voldoende voortvarend heeft gehandeld.

De rechtbank is ook overigens van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 thans niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Wolfsen, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 1 november 2001, in tegenwoordigheid van mr. N. Jacobsz, griffier.

De griffier is niet in staat deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op: 5 november 2001

Conc.: IB

Coll:

Bp:-

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.