Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7083

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
05-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/58419
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / staandehouding / redelijk vermoeden illegaal verblijf.

De vreemdeling is staande gehouden als passagier van een auto waarvan de bestuurder direct daarvoor na een verkeerscontrole was staande gehouden wegens illegaal verblijf. Hierna is gebleken van voldoende feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf van de vreemdeling in Nederland opleveren als bedoeld in artikel 50, eerste lid, Vw 2000. Allereerst wijst de rechtbank er op dat in de Memorie van Toelichting nadrukkelijk is gesteld dat het criterium van artikel 50 Vw 2000 ook moet kunnen worden gehanteerd ten aanzien van de medepassagiers van een automobilist. Voorts verwijst de rechtbank naar hetgeen staat gerelateerd in het proces-verbaal van staandehouding ex artikel 50 Vw 2000, luidende onder meer: "De bestuurder verklaarde in de Engelse taal: "Ik ben met mijn collega op weg naar mijn werk in Utrecht" of woorden van soortgelijke strekking. Wij, verbalisanten, vroegen de bestuurder van het voornoemde voertuig naar zijn identiteitspapieren. De man verklaarde in de Engelse taal dat hij niet in het bezit was van een geldig op zijn naam staand paspoort. Hierop spraken wij, verbalisanten, in de Engelse taal de bijrijder van de bestuurder aan. De bijrijder, die later bleek te zijn genaamd (N.N.) keek ons onbegrijpelijk aan en gaf geen antwoord. Wij, verbalisanten, vroegen aan de bestuurder of N.N. in het bezit was van een geldig op zijn naam staand paspoort. De bestuurder verklaarde dat het paspoort van de bijrijder zich op het werk bevond. Hierop hebben wij N.N. staande gehouden ter zake de Vreemdelingenwet." Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/58419 VRWET

Inzake : A, crv nummer [crv nummer], thans verblijvende op het Politiebureau te Schiedam, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.C.G.G. van Hoek, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1979 en de Oekraïense nationaliteit te hebben.

2. Op 6 november 2001 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 93 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdeling ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 5 november 2001 waarbij de vreemdeling de maatregel van bewaring is opgelegd.

In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op

13 november 2001. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig mevrouw E.M. Boudinova-Yordanova, tolk in de Russische taal.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat er geen aanleiding geweest is voor de aanhouding omdat er geen redelijk vermoeden bestond dat deze vreemdeling illegaal in Nederland verbleef.

4. Namens verweerder is aangevoerd dat de auto waarin de vreemdeling als passagier meereed is aangehouden omdat de bestuurder zonder licht reed. Nadat ten aanzien van de bestuurder een redelijk vermoeden was ontstaan dat deze illegaal in Nederland verbleef, is datzelfde vermoeden ook gerezen ten aanzien van de vreemdeling.

5. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast.

De vreemdeling is staande gehouden als passagier van een auto waarvan de bestuurder direct daarvoor na een verkeerscontrole was staande gehouden wegens illegaal verblijf.

Hierna is gebleken van voldoende feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf van de vreemdeling in Nederland opleveren als bedoeld in artikel 50, eerste lid, Vw2000. Allereerst wijst de rechtbank er op dat in de Memorie van Toelichting nadrukkelijk is gesteld dat het criterium van artikel 50 Vw2000 ook moet kunnen worden gehanteerd ten aanzien van de medepassagiers van een automobilist. Voorts verwijst de rechtbank naar hetgeen staat gerelateerd in het proces-verbaal van staande houding ex artikel 50 Vw2000, luidende onder meer: "De bestuurder verklaarde in de Engelse taal: "Ik ben met mijn collega op weg naar mijn werk in Utrecht" of woorden van soortgelijke strekking. Wij, verbalisanten, vroegen de bestuurder van het voornoemde voertuig naar zijn identiteitspapieren. De man verklaarde in de Engelse taal dat hij niet in het bezit was van een geldig op zijn naam staand paspoort. Hierop spraken wij, verbalisanten, in de Engelse taal de bijrijder van de bestuurder aan. De bijrijder, die later bleek te zijn genaamd (N.N.) keek ons onbegrijpelijk aan en gaf geen antwoord. Wij, verbalisanten, vroegen aan de bestuurder of N.N. in het bezit was van een geldig op zijn naam staand paspoort. De bestuurder verklaarde dat het paspoort van de bijrijder zich op het werk bevond. Hierop hebben wij N.N. staande gehouden ter zake de Vreemdelingenwet."

6. De rechtbank concludeert dat verweerder op goede gronden de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting, in bewaring heeft gesteld. De vreemdeling beschikt niet over een geldige titel tot verblijf noch over een vaste woon of verblijfplaats, is niet in het bezit van een geldig identiteitsbewijs, heeft zich niet aangemeld bij de korpschef en heeft gebruik gemaakt van een of meer aliassen. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken.

7. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Verweerder heeft ter verkrijging van een geldig document voor grensoverschrijding het voornemen om de vreemdeling te presenteren bij de Oekra‹ense autoriteiten.

Er is vooralsnog geen grond om aan te nemen dat een dergelijk document niet zal worden verkregen.

8. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

9. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de opheffing van de maatregel te bevelen. Er bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

10. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voorzover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Voorzover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 20 november 2001, in tegenwoordigheid van mr. N. Hobby, griffier.

afschrift verzonden op: