Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7071

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
17-01-2002
Zaaknummer
AWB 01/51995
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Indonesië / Molukker / verlenging visum.

Verzoeker, die van Molukse afkomst is, vraagt om verlenging van zijn visum.

In antwoord op vragen van leden van de Tweede Kamer heeft de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de minister van Justitie, op 7 maart 2000 medegedeeld dat Indonesiërs van Molukse afkomst die op dit moment met een toeristenvisum in Nederland verblijven in aanmerking kunnen komen voor verlenging van dit visum tot een maximum van zes maanden vanaf het moment van eerste binnenkomst. Voorts heeft de minister verklaard dat de vreemdelingendiensten en de visadiensten reeds betrekkelijk soepel omgaan met verlengingen van visa voor Indonesiërs van Molukse afkomst.

Verzoeker doet een beroep op de praktijk die door de antwoorden van 7 maart 2000 wordt geschetst. Niet op kenbare wijze is gebleken dat , zoals verweerder betoogt, de TBV deze praktijk heeft achterhaald. In TBV 2000/20 is vastgelegd dat Molukkers, wier visa niet kan worden verlengd en die hun verblijf hier te lande willen voortzetten, zich beroepende op het TBV, in aanmerking komen voor een vtv op grond van deze bijzondere regeling aangaande Molukkers.

Het TBV bevat geen als zodanig aangeduide speciale voorwaarden voor al dan niet verlenging van een visum als in geding. In dit TBV wordt ook niet verwezen naar de op 7 maart 2000 gegeven antwoorden op de kamervragen. Niet is gebleken van andere stukken die melding maken van de beëindiging van de in die antwoorden geschetste praktijk, terwijl van de zijde van verzoeker wel stukken zijn overgelegd, die grond bieden voor de veronderstelling dat de praktijk ook na TBV 2000/20 is gehanteerd. Onder deze omstandigheden heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/51995 VISUM

inzake: A, geboren op [...] 1950, van Indonesische nationaliteit, verblijvende te Deventer, verzoeker,

gemachtigde: mr. J. Wattilete, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. de Leeuw, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 28 september 2001 heeft verzoeker bij de korpschef van het regionaal politiekorps IJsselland een aanvraag om verlenging van het aan hem verleende visum ingediend. Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Bij de bekendmaking van dit besluit is aan verzoeker meegedeeld dat hij de behandeling van een bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten. Bij bezwaarschrift van 18 oktober 2001 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Bij verzoekschrift van 11 oktober 2001 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht over te gaan tot schorsing van de op 10 oktober 2001 genomen beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het bezwaar is beslist. Op 16 oktober 2001 en 18 oktober 2001 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 18 oktober 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en ongegrondverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel 78 Vw 2000.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2001. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Verzoeker is afkomstig van de Molukken. Op 1 juli 2001 is hij in het bezit van een geldig visum Nederland ingereisd. Dit visum, verstrekt in het kader van familiebezoek, was geldig van 30 juni 2001 tot en met 14 oktober 2001.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet in aanmerking komt voor verlening van een visum. Verzoeker kan zich niet beroepen op de bijzondere regeling aangaande Molukkers, neergelegd in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2000/20, aangezien zijn aanvraag dateert van na 1 september 2000. Er is geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden voor verlenging. De reden dat verzoeker nog niet al zijn familie had gezien is geen bijzondere omstandigheid. Toepassing van het beleid buiten de daarin genoemde gevallen is niet nader onderbouwd door verzoeker. Daarbij is het genoemde TBV 2000/20 slechts een tijdelijke regeling.

2. Verzoeker legt aan het verzoek ten grondslag dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd zijn visum te verlengen. De oorlog tussen moslims en christenen op de Molukken duurt tot op heden voort. Over deze situatie heeft de Minister van Buitenlandse Zaken op Kamervragen geantwoord dat de vreemdelingendiensten en visadiensten soepel omgaan met verlengingen van visa voor Indonesiërs van Molukse afkomst. De Minister heeft schijnbaar het beleid gewijzigd. Deze wijziging is noch in het parlement besproken noch is hierover overleg gevoerd met Molukse organisaties. De beleidswijziging is dan ook op geen enkele wijze openbaar gemaakt. Als er sprake is van een beleidswijzing, dan is deze niet gerechtvaardigd nu de situatie in de Molukken nog onverminderd explosief is te noemen. Voorts doet verzoeker een beroep op het gelijkheidsbeginsel nu in een vergelijkbare zaak, waarin een vreemdeling van Molukse afkomst op 8 oktober 2000 Nederland is ingereisd, het visum zonder problemen op 8 januari 2001 verlengd is met drie maanden. In deze zaak waren er geen andere omstandigheden aan de orde dan in die van verzoeker.

3. Ter zitting heeft verzoeker nog aangevoerd dat hij geen beroep doet op het TBV, maar juist op de praktijk, die voortvloeit uit de kamerantwoorden van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 maart 2000.

Namens verweerder is gesteld dat die praktijk is geëindigd met de invoering van de TBV 2000/20. Verzoeker heeft de beëindiging betwist met een beroep op de door hem in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel genoemde zaak. Verzoekers gemachtigde heeft voorts gesteld meerdere, met de zaak van verzoeker, vergelijkbare gevallen te kennen waarin ook positief is beslist. Stukken terzake kunnen desgewenst worden geproduceerd.

Desgevraagd heeft verweerders gemachtigde verklaard dat haar geen verdere documenten zoals werkinstructies op dit punt bekend zijn en dat ook de visadienst deze niet kent.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat de voorlopige voorziening te treffen en het besluit van verweerder van 10 oktober 2001 om de uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen. Het verzoek moet worden toegewezen indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zwaarder dient te wegen dan verweerders belang bij onmiddellijke uitvoering van zijn besluit.

2. In deze belangenafweging speelt in dit geval met name een rol het voorlopig oordeel van de president over de rechtmatigheid van het besluit om de uitzetting niet achterwege te laten. Dit besluit is onrechtmatig indien het is genomen in strijd met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen.

3. Het bestreden besluit is een besluit omtrent de afgifte van een visum. Dit besluit is genomen op basis van het Souverein Besluit van 12 december 1813. Op grond van artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een dergelijk besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met een besluit gegeven krachtens de Vw 2000. Deze rechtbank is derhalve bevoegd.

4. In antwoord op vragen van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister van Justitie, -onder meer- geantwoord op 7 maart 2000 dat Indonesiërs van Molukse afkomst die op dit moment met een toeristenvisum in Nederland verblijven in aanmerking kunnen komen voor verlenging van dat visum met een maximum van zes maanden vanaf het moment van eerste binnenkomst. Voorts heeft de Minister verklaard dat de vreemdelingendiensten en de visadiensten reeds betrekkelijk soepel omgaan met verlengingen van visa voor Indonesiërs van Molukse herkomst.

Op 15 september 2000 is een tijdelijke regeling getroffen voor in de Molukken woonachtige vreemdelingen, die bij familieleden hier te lande verblijven. Deze regeling is vastgelegd in TBV 2000/20. Molukkers waarvan het visum niet langer kan worden verlengd en die hun verblijf bij familie hier te lande willen voortzetten kunnen, zich beroepende op het TBV, in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van deze bijzondere regeling aangaande Molukkers.

5. Verzoeker stelt dat hij geen beroep doet op het TBV 2000/20, maar juist op de praktijk, die door de antwoorden van 7 maart 2000 wordt geschetst. Niet is in geschil dat verzoeker binnen deze geschetste praktijk wellicht aanspraak op inwilliging van zijn aanvraag kan maken.

6. Verweerders standpunt dat door het vaststellen van dit TBV een einde zou zijn gemaakt aan deze praktijk, kan de president niet volgen, nu niet is gebleken dat het TBV deze praktijk heeft achterhaald. Uit de tekst van het TBV is dit ook niet kenbaar. Het TBV ziet immers op Molukkers wier visa zijn verlengd, welke visa niet meer voor verlenging in aanmerking komen. Zij komen onder het TBV 2000/20 onder voorwaarden in aanmerking voor verlenging van een verblijfsvergunning en niet voor een visum. TBV 2000/20 bevat ook geen als zodanig aangeduide speciale voorwaarden voor al dan niet verlenging van een visum als in geding. In TBV 2000/20 wordt voorts niet verwezen naar de op 7 maart 2000 gegeven antwoorden op de Kamervragen, laat staan dat daarin is opgenomen dat de in die antwoorden voorgelegde lijn niet langer geldig is.

Niet is gebleken van andere stukken die melding maken van de beëindiging van de in die antwoorden geschetste praktijk. Van de zijde van verzoeker zijn evenwel stukken overgelegd, die grond bieden voor de veronderstelling dat de praktijk ook na TBV 2000/20 is gehanteerd. Onder deze omstandigheden heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. Het verzoek dient dan ook te worden toegewezen.

7. Er zal geen toepassing van artikel 78 Vw 2000 plaatsvinden, aangezien dit artikel alleen van toepassing is bij bezwaar of administratief beroep, dat is gericht tegen de beschikking tot afwijzing van de aanvraag of intrekking van de verblijfsvergunning, hetgeen hier niet aan de orde is.

8. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met deze procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

9. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid, Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de president.

V. BESLISSING

De president

1. wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker uit Nederland te (doen) verwijderen zolang niet op het bezwaarschrift van 18 oktober 2001 is beslist;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,-- (zegge: veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad f 225,-- (zegge: tweehonderdenvijfentwintig gulden).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2001, door

mr. H.J. Tijselink, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee, griffier.

Afschrift verzonden op:26 november 2001