Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6974

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
12-12-2001
Zaaknummer
09/757295-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

parketnummer 09/757295-98

BESLISSING EX ARTIKEL 36e SR

Beslissing van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP PLANT AARDIG B.V.,

[adres]

De vordering.

De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van ¦ 532,884, 89.

Het onderzoek ter zitting.

Ter zitting van 28 november 2001 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van ¦ 404.686,= en dat veroordeelde de verplichting wordt opgelegd genoemd bedrag aan de Staat te betalen.

De veroordeelde, vertegenwoordigd door [x], is verschenen en op de vordering gehoord.

De raadsman van veroordeelde, mr R.P.E. Siemons, is eveneens verschenen en op de vordering gehoord.

Beoordeling van de vordering.

Bij vonnis van deze rechtbank van 4 april 2001 is Plant Aardig B.V. voornoemd veroordeeld ter zake van de strafbare feiten:

"medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd"

en:

"deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, gepleegd door een rechtspersoon".

In deze zaak is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld. Dit heeft geresulteerd in het rapport, met bijlagen, van E.E. Soffers, buitengewoon opsporingsambtenaar van politie Haaglanden, d.d. 18 september 2000 (proces-verbaal nummer 1563/1998/21690, SFO-ordner p. 1053 ev). De conclusie van dit rapport is, dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel ¦ 532.884,89 bedraagt.

Op grond van het onderzoek ter zitting is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde door middel van hiervoor genoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De rechtbank grondt haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

P.M.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel kan worden bepaald op

opbrengsten: NLG 1.361.416,76

kosten NLG 843.167,87 - (na correcties)

= NLG 518.248,89

in mindering: management fees NLG 113.562,00 -

= totaal NLG 404.686,89, afgerond NLG 404.686,00.

Hieronder wordt dit nader toegelicht.

De wederrechtelijk verkregen opbrengsten

Het ontnemingsrapport komt ten aanzien van de hoogte van de omzet van veroordeelde over het tweede half jaar van 1998 tot de volgende conclusies:

- omzet ter zake van de verkoop van hennepstekken: NLG 1.419.948,98

- totale netto-omzet: NLG 1.711.775,37

Dit betekent dat 79,53% van de totale omzet over deze periode betrekking heeft op de omzet ter zake van de verkoop van hennepstekken.

Ten aanzien van de periode 1 juli 1998 tot en met 19 november 1998 - de periode waarin de in de hoofdzaak bewezenverklaarde strafbare feiten zijn gepleegd - komt het rapport tot de volgende conclusies:

- omzet ter zake van de verkoop van hennepstekken: NLG 1.361.416,76

- totale netto-omzet: NLG 1.653.701,76

Dit betekent dat 82,33% van de totale omzet over deze periode betrekking heeft op de omzet ter zake van de verkoop van hennepstekken.

De wijze waarop deze bedragen zijn berekend, wordt uiteengezet in hoofdstuk 3 van het ontnemingsrapport, waarbij wordt verwezen naar de bijlagen 4 t/m 12 (jaarstukken; kolommenbelans, uitdraaien winst- en verliesrekening; balans van administratie 700; grootboekrekeningen; verkoopfacturen; overzicht van de op de verkoopfacturen aangetroffen hoeveelheden en omzetbedragen verkochte hennepstekken) en bijlage 58 (uitdraai artikelenoverzicht). De in het rapport gevolgde redeneringen en berekeningswijze komen de rechtbank juist voor. De rechtbank gaat derhalve uit van een omzet van NLG 1.361.416,76 ter zake van de verkoop van hennepstekken over de periode van 1 juli 1998 tot en met 19 november 1998.

De in mindering te brengen bedragen

De kostenposten

Vervolgens wordt in het ontnemingsrapport - wederom onder verwijzing naar diverse bijlagen (de reeds eerder genoemd bijlagen 5 t/m 7 en voorts bijlagen 13 t/m 56, o.m.: grootboekrekeningen; overzichten aan de hand van de op de grootboekrekeningen aangetroffen mutaties en de daaraan ten grondslag liggende inkoopfacturen/kasbescheiden; inkoopfacturen; getuigenverklaring [getuige a] d.d. 30/8/99; getuigenverklaring [getuige B] d.d. 16/9/99; getuigenverklaring [getuige C] d.d. 22/6/99) - in hoofdstuk 4 uiteengezet in hoeverre bepaalde kostenposten in mindering kunnen worden gebracht op het reeds berekende illegale deel van de omzet. Ten aanzien van een aantal kostenposten heeft de officier van justitie naar aanleiding van de in het rapport van administratiekantoor [x] BV - overgelegd bij schriftelijke conclusie van de verdediging d.d. 9 mei 2001 - neergelegde kritiek, bij memorie van antwoord d.d. 2/11/01 de berekening in het voordeel van veroordeelde aangepast. Deze aanpassingen in aanmerking genomen, kunnen naar de mening van de officier van justitie de volgende kosten op de wederrechtelijke verkregen opbrengsten in mindering worden gebracht:

1. materialen: NLG 38.229,98

2. uitbesteed werk: NLG 311.618,41

3. producten 17,5%: NLG 153.223,63

4. producten 6%: NLG 72.529,51

5. lonen: NLG 46.544,70

6. sociale lasten: NLG 19.077,92

7. huren gebouwen: NLG 124.757,12; na wijziging bij MvA: NLG 135.359,12

8. autokosten: NLG 3.522,96

9. machinekosten: NLG 9.772,26

10. vrachtkosten: NLG 1.039,97

11. telefoonkosten: 0; na wijziging bij MvA: NLG 2.812,-

12. verlichting/verwarming: NLG 12.103,23; na wijziging bij MvA: NLG 13.325,23

13. advertentiekosten: NLG 1.975,92

14. verpakkingsmaterialen: NLG 33.269,40

15. emballage: NLG 866,85

In totaal: NLG 828.531,87; na wijziging bij MvA: NLG 843.167,87

De rechtbank acht de berekening van bovengenoemde bedragen en de daaraan ten grondslag liggende redeneringen juist.

Daarbij overweegt de rechtbank dat zij het bij de berekeningen gehanteerde uitgangspunt dat alleen kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict, van belang kunnen zijn bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en dat uitgaven voor duurzame activa (investeringen) niet voor aftrek in aanmerking komen, juist acht. Ook kan zij zich vinden in de redenering dat, nu ten aanzien van de meeste kostenposten binnen de onderneming van veroordeelde geen registratie heeft plaatsgevonden waaruit kan worden afgeleid in hoeverre deze kosten zien op de legale activiteiten dan wel de illegale activiteiten (dat wil zeggen: de activiteiten met betrekking tot de verkoop van hennepstekken), in die gevallen 82,33% (verhouding omzet verkoop hennepstekken ten opzichte van de totale omzet over periode 1 juli 1998 tot en met 19 november 1998) van de desbetreffende kostenpost moet worden toegerekend aan de illegale activiteiten en dat het aldus verkregen bedrag voor aftrek in aanmerking komt. Ten aanzien van een tweetal kostenposten (materialen en verlichting/verwarming Kon. Wilhelminahaven NZ-3 Vlaardingen) is een verdeelsleutel van 79,53% toegepast (verhouding omzet verkoop hennepstekken ten opzichte van totale omzet over periode 1 juli 1998 tot en met 31 december 1998), aangezien in die gevallen niet kon worden vastgesteld welk deel van de desbetreffende kosten betrekking had op de periode tot 19 november 1998. Ook dit acht de rechtbank juist.

Ten aanzien van de hierboven onder 7 genoemde kostenpost "huren gebouwen" dient nog het volgende te worden opgemerkt. In hoofdstuk 4.9. van het ontnemingsrapport is uiteengezet dat de kosten van de panden Kon. Wilhelminahaven NZ 3-I, NZ 2-III en NZ 2 te Vlaardingen als "gemengde" kosten moeten worden aangemerkt, terwijl in het voordeel van veroordeelde wordt aangenomen dat het gebruik van de panden Schrijversdijk 6A en Bollaarsdijk 17-B te Brielle en Zuidbuurt 4C te Maassluis alleen betrekking had op de hennepteelt, zodat de kosten te dier zake in hun geheel kunnen worden afgetrokken. Dat zou betekenen dat de kostenpost "huren gebouwen" op een bedrag van NLG 135.359,12 moet worden bepaald. Bij de berekening van de in totaal in mindering te brengen kosten gaat het rapport niettemin uit van een lager bedrag, te weten NLG 124.757,12, waarbij de kosten van de panden Bollaarsdijk te Brielle en Zuidbuurt te Maassluis ondanks voormeld, in het rapport weergegeven uitgangspunt kennelijk toch "gemengd" worden toegerekend (zie overzicht kostentoerekening achter het ontnemingsrapport, p. 1110). Bij MvA d.d. 2/11/01 heeft de officier van justitie deze fout echter hersteld, naar het oordeel van de rechtbank terecht.

De management fees

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de management fees die over de periode 1 juli 1998 tot en met 19 november 1998 door veroordeelde zijn gedaan aan medeveroordeelden [A, B, C] moeten worden aangemerkt als door hen verkregen wederrechtelijk voordeel en dat deze bedragen derhalve - zoals de officier van justitie bij haar memorie van antwoord ook (alsnog) terecht heeft gedaan - in mindering moeten worden gebracht op het tot dusver berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde. In hoofdstuk 4.8. van het ontnemingsrapport is berekend dat van het aan ieder van voornoemde medeveroordeelden over de periode van 1 juli 1998 tot en met 31 december 1998 in totaal aan managementvergoedingen uitgekeerde bedrag van NLG 60.000,- een bedrag van NLG 45.978,26 betrekking heeft op de periode van 1 juli 1998 tot en met 19 november 1998. Toepassing van de hierboven vermelde verdeelsleutel van 82,33% leidt tot de conclusie dat in totaal een bedrag van (3 x NLG 37.854 =) NLG 113.562,- van de uitgekeerde managementvergoedingen over laatstgenoemde periode ziet op de illegale hennep-activiteiten en dat dit bedrag derhalve op het berekende, door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering dient te worden gebracht.

De verweren

Hieronder worden de verweren van de verdediging besproken, voorzover deze niet reeds hebben geleid tot een aanpassing van de vordering door de officier van justitie ten gunste van veroordeelde. Daarbij wordt gebruik gemaakt van dezelfde "kopjes" als in het rapport van administratiekantoor [x] BV. De rechtbank is van oordeel dat alle verweren dienen te worden verworpen; dit wordt als volgt toegelicht.

Producten 17,5%

Dit verweer ziet kennelijk op hetgeen in het ontnemingsrapport is opgenomen onder het kopje "Producten 17,5%" (hfstk. 4.4.). In het rapport Manneken wordt dienaangaande het volgende betoogd: "deze producten zijn geen investeringen, doch producten welke zijn verkocht als producten 17,5% en leveringen gerelateerd aan de illegale activiteiten, dus gemengde kosten". De rechtbank overweegt dat uit hetgeen in het ontnemingsrapport te dier zake is vermeld af te leiden valt dat reeds rekening is gehouden met het feit dat een deel van de daar genoemde kosten betrekking heeft op de hennepteelt, zodat dat deel in mindering moet worden gebracht. Door de verdediging is niet gemotiveerd aangevoerd welke eventuele andere kosten in dat verband ook nog voor aftrek in aanmerking zouden kunnen komen.

Producten 6 %

Het gaat hier om de uitgaven terzake van diverse ingekochte goederen waarbij door de leverancier 6% omzetbelasting in rekening is gebracht. In het rapport Manneken wordt betoogd dat nu de gemengde inkopen onder de noemer van 6% zijn ingekocht en verkocht een berekeningspercentage van totaal omzet 6% ten opzichte van omzet hennep meer voor de hand ligt dan het gehanteerde percentage van totale omzet ten opzichte van de omzet hennep. De rechtbank overweegt dat wat betreft de kosten uit deze categorie onduidelijk is of ze ten behoeve van de legale of illegale activiteiten zijn gemaakt. Zij ziet daarom onvoldoende aanleiding om van een ander, hoger percentage uit te gaan en meer kosten in mindering te brengen dan reeds is gedaan.

Lonen, sociale lasten, vergoedingen en management fees

De rechtbank overweegt ten eerste dat medeveroordeelden [A, B] in de onderhavige periode - anders dan het rapport Manneken suggereert - niet in loondienst waren bij veroordeelde, doch via hun Beheermaatschappijen salaris ontvingen. Voor zover het verweer betrekking heeft op de aan medeveroordeelden [A, B, C] uitgekeerde management fees, is het achterhaald door de memorie van antwoord van de officier van justitie, waarbij (alsnog) - naar het oordeel van de rechtbank terecht - ten gunste van veroordeelde rekening is gehouden met deze betalingen (zie hierboven).

Voor zover het verweer betrekking heeft op de lonen en sociale lasten van de personeelsleden, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens het rapport Manneken was een aantal personeelsleden uitsluitend in de kas werkzaam zodat deze loonkosten, resp. deze sociale lasten voor 100% in mindering gebracht zouden moeten worden. Dit zou echter betekenen dat circa 95% van de werkzaamheden door de overige personeelsleden besteed werd aan illegale activiteiten. De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat dit onvoldoende wordt onderbouwd.

Afschrijvingen

Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de investeringen waar deze afschrijvingen betrekking op hebben ook noodzakelijk waren voor de legale bedrijfsuitoefening en dat de afschrijvingen om die reden niet in mindering gebracht kunnen worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Administratiekosten, kantinevoorzieningen, kantoorkosten, personeelskosten, assurantiekosten en juridische kosten

Nu deze kosten niet in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet in mindering gebracht kunnen worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Verlichting en verwarming

Voorzover dit verweer betrekking heeft op het pand Zuidbuurt 4c te Maassluis is de officier van justitie bij MvA reeds aan de bezwaren van de verdediging tegemoet gekomen en de berekening in zoverre ten gunste van veroordeelde aangepast. Zoals hierboven is aangegeven, is de rechtbank daarin meegegaan. Wat betreft de kosten van het gebruik van de panden aan de de Kon. Wilhelminahaven heeft de officier van justitie - onder verwijzing naar het ontnemingsrapport - gepersisteerd bij de stelling dat deze als "gemengd" moeten worden aangemerkt, zodat die kosten terecht naar rato zijn toegerekend. De rechtbank kan zich in deze redenering vinden en ziet in het rapport Manneken geen argumenten voor een ander oordeel.

Diversen

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie terecht tegen dit verweer ingebracht dat deze in de toekomst te maken kosten niet in directe relatie tot de voltooiing van het delict staan en reeds om die reden niet voor aftrek in aanmerking komen, terwijl deze kosten bovendien vallen onder de noemer "ondernemersrisico".

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat het door veroordeelde per saldo wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden bepaald op NLG 404.686,00.

De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot genoemd bedrag.

Ten aanzien van laatstgenoemd bedrag zal de rechtbank de betaling aan de Staat gelasten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 24d en 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op ¦ 404.686,=;

legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van ¦ 404.686,= aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze beslissing is genomen door

mrs Van Engelen, voorzitter,

Dop en Valk, rechters,

in tegenwoordigheid van Groot, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2001.