Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6913

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
12-12-2001
Zaaknummer
09.757147-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 09.757147-01

rolnummer 0002

datum uitspraak 12 december 2001

tegenspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

VERKORT VONNIS

gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te 's-Gravenhage,

wonende [adres]

thans preventief gedetineerd in het Forensisch Orthopedagogisch Centrum De Kolkemate te Zutphen.

In verzekering gesteld op 19 april 2001 en in voorlopige hechtenis gesteld op 20 april 2001.

Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van

28 november 2001, nadat de rechtbank -in een andere samenstelling- het onderzoek op de terechtzitting

van 26 september 2001 voor bepaalde tijd heeft geschorst tot de terechtzitting van heden.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr A. Rijsdorp en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden, mr A.M.C. van Bremen en mr D.G.M. van den Hoogen, advocaten te Hoofddorp respectievelijk Amsterdam, naar voren is gebracht.

De telastlegging

Aan de verdachte is te last gelegd hetgeen vermeld staat in de op de voet van het bepaalde in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte definitieve dagvaarding, zoals op de terechtzitting door de officier van justitie overgelegd en tevens op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging telastlegging zijn kopieën gevoegd bij dit vonnis,

gemerkt respectievelijk A1 en A2 .

parketnummer 09.757147-01

Beslissing met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Namens de verdachte is door de raadslieden ten aanzien van het onder 1 telastgelegde een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Daartoe is ten eerste aangevoerd dat de inzet van het middel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie is ingezet zonder enige toets van het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel alsmede zonder dat het onderzoek dit dringend vorderde. De inzet van dit middel is volgens de verdediging dan ook jegens de verdachte onrechtmatig.

Daarnaast is gesteld dat artikel 8 van het EVRM is geschonden nu de privacy van de verdachte op grove wijze zou zijn geschonden doordat het in artikel 126 l Wetboek van Strafvordering bedoelde bijzonder opsporingsmiddel in het onderhavige geval is ingezet bij een minderjarige verdachte van 15 jaren die in het kader van zijn voorlopige hechtenis in een jeugdhuis van bewaring verbleef.

Voorts is namens de verdachte door de raadslieden aangevoerd dat de stukken met betrekking tot het inzetten van het bijzondere opsporingsmiddel zoals omschreven in artikel 126 l Wetboek van Strafvordering niet (tijdig) aan het strafdossier zijn toegevoegd, hoewel de rechtbank - in andere samenstelling - hierom eerder had verzocht.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de Centrale Toetsingscommissie (CTC) een intern adviesorgaan van het Openbaar Ministerie is en dat het toetsen van de door de officier van justitie voorgenomen toepassing van bijzondere opsporingsmiddelen derhalve intern beleid van het Openbaar Ministerie betreft. Om die reden zijn de stukken van de CTC niet aan te merken als stukken die - in aanvulling op de reeds in het dossier aanwezige stukken - redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2000, NJ 2000/502.

De officier van justitie heeft overigens ter zitting nog een brief dd. 23 november 2001 van het College van procureurs-generaal overgelegd. Uit deze brief blijkt dat het College van procureurs-generaal op 17 mei 2001 overeenkomstig het advies van de CTC heeft besloten in te stemmen met de voorgenomen toepassing van het bijzondere opsporingsmiddel.

Gelet op het vorenstaande en op de overige zich in het dossier bevindende stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht over de gang van zaken rond de toepassing van het bijzondere opsporingsmiddel van artikel 126 l Wetboek van Strafvordering en in staat om zelfstandig een oordeel te geven met betrekking tot de vraag of is voldaan aan de in dat artikel gestelde voorwaarden.

In dit kader dient allereerst getoetst te worden of sprake is van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank staat zonder meer vast dat aan deze voorwaarde is voldaan. Immers, de tegen de verdachte gerezen verdenking betreft een gekwalificeerde doodslag, waarop naar de wettelijke omschrijving levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren is gesteld.

Dat de aard van dit misdrijf een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert staat naar haar oordeel buiten iedere vorm van twijfel; het gaat in het onderhavige geval om het doodschieten van een slachtoffer dat de dader van een (poging tot) kluiskraak op heterdaad had betrapt. Een dergelijk feit brengt een groot schokeffect in de samenleving teweeg.

Vervolgens dient getoetst te worden of het onderzoek dringend vordert dat vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen met een technisch hulpmiddel, met andere woorden of voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij die toetsing neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Gelet op de ingrijpend gewijzigde verklaring van de verdachte zelf rees bij de politie en de officier van justitie een vermoeden dat er mogelijk sprake zou zijn geweest van een mededader. Nader onderzoek naar die beweerdelijke mededader was gelet op de ernst van het gepleegde feit en het mogelijke verdedigingsbelang van de verdachte geboden. Daartoe zijn aanvankelijk minder ver strekkende maatregelen genomen, zoals het horen van diverse getuigen en mogelijke verdachten alsmede het afluisteren van een groot aantal telefoons, onder meer die in de Kolkemate, alwaar de verdachte in het kader van zijn voorlopige hechtenis verbleef.

Pas op het moment dat duidelijk werd dat de verdachte - zoals ter terechtzitting gebleken - door de verdediging was gewaarschuwd voor de mogelijkheid van het afluisteren van zijn telefoongesprekken, waardoor hij zich tijdens deze telefoongesprekken slechts in zeer versluierde bewoordingen over het feit waarvan hij verdacht werd uitliet, is aan de officier van justitie toestemming gevraagd voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie ex artikel 126 l Wetboek van Strafvordering. Alvorens het schriftelijk bevel te geven heeft de officier van justitie zijn voornemen daartoe voorgelegd aan de CTC. Tevens heeft de officier van justitie aan de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, toestemming gevraagd voor de toepassing van voornoemd opsporingsmiddel. Bij beslissing dd. 17 mei 2001 heeft de rechter-commissaris op de daartoe strekkende vordering van de officier van justitie deze schriftelijke machtiging verleend.

Nu, zoals hiervoor is weergegeven het horen van getuigen en mogelijke medeverdachten alsmede onderzoek van telecommunicatie niet tot resultaat had geleid, komt de rechtbank tot het oordeel dat de officier van justitie bij het geven van het bevel tot opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel voldoende in acht heeft genomen.

Slotsom uit al het voorgaande is dan ook dat voldaan is aan de in artikel 126 l Wetboek van Strafvordering gestelde voorwaarden.

Voor zover namens de verdachte nog is gesteld dat artikel 8 EVRM zou zijn geschonden merkt de rechtbank op dat hier sprake is van een bij de wet voorziene inbreuk die in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de in dat artikel genoemde belangen. Artikel 126 l, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt immers dat indien het onderzoek dit dringend vordert en de verdenking een misdrijf betreft, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, een woning zonder toestemming van de rechthebbende mag worden betreden. Zoals hierboven overwogen is aan beide voorwaarden voldaan.

Naast voornoemde verweren is door de raadslieden namens verdachte tevens aangevoerd dat ten aanzien van het verdachte onder 1 telastgelegde niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dient te volgen, nu er in de processen-verbaal van politie sprake is van onvolledige/eenzijdige verslaglegging hetgeen in strijd is met de beginselen van behoorlijke procesorde. Daarnaast is wederom gesteld dat er sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank verwerpt het beroep op schending van de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde.

De rechtbank overweegt hiertoe dat voorzover het opsporingshandelingen betreft er door de politie een aanvullend proces-verbaal is opgemaakt, van welk proces-verbaal de verdediging een afschrift heeft ontvangen. Voorzover het de bezoeken van de politie aan de echtgenote van het slachtoffer betreft, is de rechtbank van oordeel dat deze bezoeken in het kader van de door de politie te geven nazorg aan nabestaanden hebben plaatsgevonden

Mocht voornoemd verweer tevens betrekking hebben op de reeds eerder genoemde, eerst ter terechtzitting door de officier van justitie overgelegde, brief van het College van procureurs-generaal, verwerpt de rechtbank dit eveneens.

Gelet op de inhoud van deze brief, de hiervoor vermelde jurisprudentie en de aan de verdediging tijdens een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting gegeven gelegenheid tot inzage in dit stuk, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde.

De door de verdediging gevoerde verweren betreffende schending van artikel 8 van het EVRM verwerpt

de rechtbank eveneens. Anders dan op een in de wet voorziene wijze heeft er immers geen schending van de privacy van verdachte plaatsgevonden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 telastgelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de bijlage gemerkt B die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen meer of anders is te last gelegd, is niet bewezen.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de bewezenverklaarde telastlegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte door die verbetering niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet na te melden strafbare feiten op:

1 primair:

DOODSLAG, VOORAFGEGAAN VAN EEN STRAFBAAR FEIT EN GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM , BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF HETZIJ STRAFFELOOSHEID HETZIJ HET BEZIT VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGENE TE VERZEKEREN

2:

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, STRAFBAAR GESTELD BIJ ARTIKEL 55, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte terzake van de hem onder 1 primair en 2 telastgelegde feiten zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van TWAALF MAANDEN, met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte terzake van hem onder 1 primair en 2 telastgelegde feiten wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] zal worden toegewezen tot een bedrag van fl. 30.610,69, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard, aangezien deze voor het overige niet van eenvoudige aard is.

De officier van justitie heeft de onttrekking aan het verkeer gevorderd van het inbeslaggenomen goed vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen met parketnummer 09.757147-01 onder nummer 1 alsmede de teruggave aan verdachte van de op voornoemde lijst vermelde inbeslaggenomen goederen onder nummer 2 tot en met 5.

De rechtbank heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek op de terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde feit betreft een zeer ernstig strafbaar feit dat een grote schok teweeg heeft gebracht, niet alleen bij de direct betrokkenen, maar ook in de maatschappij in het algemeen.

Verdachte heeft opzettelijk met een pistool een kogel op of in de richting van het slachtoffer afgevuurd waardoor het slachtoffer is overleden. Dit, omdat het slachtoffer verdachte bij het plegen van een strafbaar feit, te weten poging tot diefstal van een kluis en/of de inhoud van die kluis alsmede diefstal van een hoeveelheid muntgeld, betrapte. Verdachte heeft uit zelfzucht een ander van het leven beroofd.

Daarbij heeft hij kennelijk geen enkel oog gehad voor het onherstelbare leed dat hij aldus aan de echtgenote van het slachtoffer en diens drie dochters heeft aangericht.

De rechtbank is van oordeel dat alleen al voornoemd handelen van verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur rechtvaardigt.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het rapport basisonderzoek strafzaken d.d. 20 april 2001, opgemaakt en ondertekend door R. van Straalen, als raadsonderzoeker strafzaken werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, Vestiging Den Haag, waarin onder meer is aangegeven dat een persoonlijkheidsonderzoek van verdachte noodzakelijk wordt geacht gelet op de zorgen omtrent de gewetensontwikkeling van verdachte.

De rechtbank heeft vervolgens acht geslagen op het rapport d.d. 21 juni 2001, opgesteld en ondertekend door drs. A. Boschman, als pedagoog NVO/GZ-psycholoog verbonden aan de stichting FORA, waarin is geconcludeerd dat er geen onderzoek heeft kunnen plaatsvinden vanwege de weigering van verdachte om mee te werken. Aangegeven is hierbij voorts, dat gezien de ernst van het gepleegde feit, de vele eerdere politiecontacten, de - vanuit de voorgeschiedenis - geschetste zorgelijke thuissituatie , een maatschappelijk belang en het belang van verdachte zelf, een persoonlijkheidsonderzoek op zijn plaats is. Daarbij is aangegeven dat onderzoek in een gesloten instelling, waarvoor het Pieter Baan Centrum het meest aangewezen lijkt, noodzakelijk is nu een persoonlijkheidsonderzoek ambulant niet tot de mogelijkheden behoort.

Verdachte is van 2 augustus 2001 tot 16 augustus 2001 opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum te Utrecht teneinde geobserveerd te kunnen worden.

Blijkens de rapportage d.d. 5 november 2001 van het Pieter Baan Centrum is verdachte tijdens zijn verblijf aldaar bezocht door twee psychologen en een kinder- en jeugdpsychiater, doch heeft verdachte herhaaldelijk geweigerd in gesprek te gaan met de gedragsdeskundigen, waarbij niet is gebleken dat deze weigering voortkwam uit een psychotische vertekening van de realiteit. Geconcludeerd is dat het onder deze omstandigheden niet mogelijk is geweest een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte te verrichten.

De rechtbank heeft als laatste nog kennis genomen van het schrijven van de jeugdreclassering

d.d. 20 november 2001, waarin is gesteld dat de jeugdreclassering geen antwoord kan geven op de vraag of enige vorm van jeugdreclasseringsbegeleiding een passende vorm van hulp voor verdachte zou zijn, nu een persoonlijkheidsonderzoek niet beschikbaar is.

De rechtbank heeft, gelet op voornoemde rapporten, getracht zich zo veel als mogelijk is te laten voorlichten omtrent de persoonlijkheid van verdachte alsmede over de wenselijkheid dan wel noodzakelijkheid van het

opleggen van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Verdachte heeft herhaaldelijk geweigerd aan genoemde onderzoeken mee te werken en de gedragsdeskundigen hebben hiervan ook verslag gedaan.

De rechtbank constateert dan ook dat er sprake is van de situatie zoals die is omschreven in artikel 77s lid 4 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op het vorenstaande alsmede gelet op de ernst van de gepleegde delicten en de omstandigheid dat verdachte zich kort na het plegen van de thans bewezenverklaarde feiten weer schuldig heeft gemaakt aan

een strafbaar feit is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank adviseert de jeugddetentie alsmede de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ten uitvoer te leggen in de inrichting waar verdachte momenteel verblijft, te weten het Forensisch Orthopedagogisch Centrum De Kolkemate te Zutphen.

De inbeslaggenomen goederen

Met betrekking tot het inbeslaggenomene vermeld op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, voorzien van parketnummer 09.757147-01, onder nummer 1, te weten: 1.00 STK Pistool,

HIGH STANDARD Super Cita, overweegt de rechtbank dat dit een voorwerp betreft met behulp waarvan de telastgelegde feiten zijn begaan en dat van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, zodat zij daarvan de onttrekking aan het verkeer zal gelasten.

Met betrekking tot het inbeslaggenomene vermeld op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, voorzien van parketnummer 09.757147-01, onder nummer 2 tot en met 5, te weten:

- 1.00 STK Jas Kl: zwart, NICHOLSON jack;

- 1.00 STK Jas Kl: blauwzwart, NICHOLSON jack;

- 1.00 STK Broek Kl: zwart, ARMANI;

- 1.00 STK Trui Kl:zwart/wit, VERSACE;

overweegt de rechtbank dat deze aan de verdachte dienen te worden teruggegeven.

Van de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, voorzien van parketnummer 09.757147-01, is een kopie gevoegd bij dit vonnis, gemerkt C.

Vordering tot schadevergoeding

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden schade tot een bedrag van fl. 131.602,91.

De verdachte en de raadslieden hebben de vordering van de benadeelde partij deels betwist.

De benadeelde partij heeft, naar het oordeel van de rechtbank, aangetoond dat door deze tot een bedrag

van fl. 27.352,66 schade is geleden.

Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij kan dus tot dat bedrag worden toegewezen.

De rechtbank is hierbij van de navolgende bedragen uitgegaan:

- de begrafeniskosten fl. 17.173,20;

- advertenties fl. 1.859,74;

- advertentie Monsterse Courant fl. 104,72;

- grafsteen fl. 5.715,00;

- kosten advocaat: redelijkerwijs vast te stellen op een bedrag van fl. 2.500,00.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding, aangezien de gegrondheid van de overige schadeposten niet zonder nadere gegevens kan worden vastgesteld. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in haar vordering en deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Teneinde te waarborgen dat de schadevergoeding zonder verdere bemoeienis van de benadeelde partij werkelijk wordt betaald, acht de rechtbank termen aanwezig ten aanzien van voornoemde vordering de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 27, 36b, 36c, 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77v, 77gg, 287, 288 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 telastgelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is te last gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot:

JEUGDDETENTIE voor de duur van 12 MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Legt de verdachte voorts op de maatregel:

PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR JEUGDIGEN.

De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

fl. 27.352,66 ten behoeve van: [adres]]

Bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt

- onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 127 dagen.

De rechtbank wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres], en veroordeelt verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen de somma van fl. 27.352,66, met veroordeling van verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Verklaart de hiervoor genoemde benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voorzover deze hoger is dan het thans toegewezen bedrag.

Bepaalt dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelast de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomene vermeld op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, voorzien van parketnummer 09.757147-01, onder nummer 1, te weten:

1.00 STK Pistool, HIGH STANDARD Super Cita.

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomene vermeld op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, voorzien van parketnummer 09.757147-01, onder nummer 2 tot en met 5, te weten:

- 1.00 STK Jas Kl: zwart, NICHOLSON jack;

- 1.00 STK Jas Kl: blauwzwart, NICHOLSON jack;

- 1.00 STK Broek Kl: zwart, ARMANI;

- 1.00 STK Trui Kl:zwart/wit, VERSACE.

parketnummer 09.757147-01

[.]

Dit vonnis is gewezen door

mrs J.A. van Kempen, kinderrechter, voorzitter,

O. van der Burg, kinderrechter,

en Y.J. Wijnnobel-van Erp, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2001.