Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6843

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2001
Datum publicatie
11-12-2001
Zaaknummer
AWB 00/1084
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Getuige-aangeefster / slachtoffer vrouwenhandel.

Niet in geschil is dat verzoekster, een Venezolaanse, slachtoffer van vrouwenhandel is. Op 2 november 1999 voldeed verzoekster niet meer aan de beperking ingevolge hoofdstuk B17 Vc-1994. In de zaak tegen de vrouwenhandelaar is door het Openbaar Ministerie op die datum afgezien van verdere strafvervolging. Derhalve is de vtv terecht ingetrokken. De aan verzoekster verleende vtv behoefde niet gedurende de beklagprocedure ex artikel 12 WvSv bij het Gerechtshof te worden gehandhaafd. Volgens hoofdstuk B17/3.2 Vc-1994 mocht de uitkomst van de beklagprocedure in Nederland worden afgewacht. De uitzetting was reeds opgeschort omdat een verzoek om een voorlopige voorziening was ingediend. Bovendien is de klacht inmiddels afgewezen, zodat het belang aan deze stelling is ontvallen. Voorts is de ingangsdatum van de vtv in geschil. Niet is gebleken dat verzoekster op 23 augustus 1999, de datum van aangifte, tevens een vtv als bedoeld in hoofdstuk B17 Vc-1994 heeft aangevraagd. De ingangsdatum is terecht op 27 oktober 1999 gesteld. Met ingang van 1 oktober 2000 is TBV 2000/21 in de plaats gekomen van hoofdstuk B17 Vc-1994. Hieruit volgt dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met de vervolging van mensenhandel, kan worden verleend aan de vreemdeling die slachtoffer is geworden van mensenhandel, voor zover er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. De aangifte wordt daarbij ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Voorts is de verblijfsvergunning geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. De verblijfsvergunning wordt echter ingetrokken danwel de geldigheidsduur ervan wordt niet verlengd op het moment dat het OM afziet van vervolging van de verdachte. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan echter worden verlengd totdat het feitelijk proces tegen de verdachte is afgerond. Dat wil zeggen maximaal totdat het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of de uitspraak in het proces tegen de verdachte onherroepelijk is geworden, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in Vc 2000 hoofdstuk B9, te ontvallen. De president is er niet van overtuigd dat gelet op deze beleidsregel het bezwaar niet tot een andere uitkomst zal leiden en nader onderzoek redelijkerwijs niet zal bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

President

Registratienummer: AWB 00/1084

Datum uitspraak: 11 juni 2001

Uitspraak

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [..] 1964,

van Venezolaanse nationaliteit,

verzoekster,

gemachtigde mr. L. van Sommeren,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

gemachtigde mr. C.E.J. Van Buren-Buijs.

Het procesverloop

Op 27 oktober 1999 heeft verzoekster een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf onder de beperking als genoemd in hoofdstuk B17 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994 gedaan. Bij beschikking van 9 november 1999 heeft verweerder verzoekster met ingang van 27 oktober 1999 de gevraagde vergunning tot 27 oktober 2000 verleend, onder gelijktijdige intrekking van deze vergunning met ingang van 2 november 1999.

Verzoekster heeft tegen de intrekking van de vergunning bij bezwaarschrift van 22 november 1999 bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn aangevuld bij brieven van 17 februari 2000 en 12 januari 2001.

Verzoekster is bij brief van 28 januari 2000 medegedeeld dat zij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 2 februari 2000 heeft verzoekster de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 januari 2001. Verzoekster is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verweerder heeft verzoeker medegedeeld dat gedurende de behandeling van het bezwaar uitzetting niet achterwege wordt gelaten. Verzoeker heeft derhalve een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.

3. Op grond van artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000 gaat de president er van uit dat artikel 32, eerste lid, van de Vw (oud) van toepassing blijft op onderhavig bezwaar zodat in deze procedure derhalve ter beoordeling staat of verweerder destijds op rechtens juiste gronden heeft kunnen beslissen dat uitzetting gedurende de behandeling van het bezwaar niet achterwege zal worden gelaten. In het kader van de uitzetting moet daarbij worden beoordeeld of het bezwaar tegen verweerders beschikking van 9 november 1999 een redelijke kans van slagen heeft. De president overweegt dienaangaande als volgt.

4. Verzoekster is in 1991 vanuit Venezuela naar Spanje gereisd om aldaar als prostituee te werken. In 1992 is verzoekster vervolgens naar Nederland gegaan om in Den Haag in de prostitutie te gaan werken. Een van haar klanten in Den Haag was B. Deze B wilde met verzoekster trouwen. Verzoekster ging hiermee akkoord om een legale status in Nederland te krijgen. Nadat verzoekster en voornoemde B hadden afgesproken om te gaan trouwen, heeft deze B het paspoort van verzoekster afgepakt, haar geslagen, haar geld afhandig gemaakt en haar verkracht. In januari 1994 is verzoekster vervolgens met een andere klant naar Spanje gegaan. In juni 1999 is verzoekster wederom Nederland ingereisd omdat zij had gehoord dat er een strafrechtelijk onderzoek liep tegen B. Op 23 augustus heeft verzoekster vervolgens aangifte van vrouwenhandel gedaan. Bij beschikking van 9 november 1999 is aan verzoekster met ingang van 27 oktober 1999 een vergunning tot verblijf ingediend onder de beperking als genoemd in hoofdstuk B17 van de Vc, onder gelijktijdige intrekking van deze vergunning met ingang van 2 november 1999.

5. Verweerder heeft de aan verzoekster verleende vergunning tot verblijf ingetrokken omdat niet langer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend. In dat verband heeft verweerder gewezen op het feit dat uit ambtelijke informatie van de Korpschef van de Regiopolitie Gelderland-Zuid is gebleken dat de Officier van Justitie van het parket te Arnhem op 2 november 1999 heeft besloten de aangifte van verzoekster niet verder in behandeling te nemen. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat verzoekster ook anderszins niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf.

6. Verzoekster heeft, voor zover in deze nog van belang, het volgende aangevoerd.

Op 23 augustus 1999 heeft verzoekster aangifte van vrouwenhandel gedaan. Uit de bestreden beschikking blijkt dat niet onverwijld op 23 augustus 1999 of kort daarna door of namens de Korpschef contact is opgenomen met verweerder inzake de aanvraag van de vergunning tot verblijf onder de beperking als genoemd in hoofdstuk B17 van de Vc. Verzoekster is namelijk eerst op 27 oktober 1999 aangemeld bij verweerder. Verzoekster is hierdoor ernstig benadeeld. Zij kon zich niet inschrijven in de Gemeentelijke Basisadministratie en heeft in de periode van 23 augustus 1999 tot 27 oktober 1999 geen uitkering gekregen. De beschikking dient derhalve voor wat betreft de ingangsdatum van de vergunning vernietigd te worden.

Voorts stelt verzoekster zich op het standpunt dat, zodra er sprake is van een klacht ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv), er tevens sprake is van strafvervolging in eerste aanleg, zodat de eerdergenoemde vergunning in deze periode gehandhaafd dient te worden. Op grond van het voorgaande meent verzoekster dat de beschikking voor wat betreft de intrekking van de vergunning tot verblijf per 2 november 1999 evenmin in stand kan blijven.

Ten slotte stelt verzoekster dat zij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Verweerder heeft verzuimd te toetsen aan onder andere de situatie van alleenstaande vrouwen in Venezuela, de te verwachten maatschappelijke positie van verzoekster in Venezuela, de vraag of in Venezuela aanvaardbare opvang aanwezig is, hoe groot de kans is op represaillemaatregelen tegen verzoekster of haar familie en in welke mate van bescherming door de Venezolaanse autoriteiten kan worden gesproken. Voorts zou het van onevenredige hardheid getuigen als verzoekster zou worden teruggestuurd naar Venezuela.

7. De president overweegt als volgt.

Op grond van artikel 12, aanhef en onder d, Vw kan een vergunning tot verblijf worden ingetrokken ingevolge een beperking waaronder de vergunning is verleend. Aan verzoekster is een vergunning tot verblijf verleend met als doel ‘onder de beperking als genoemd in hoofdstuk B17 van de Vc’. Verweerder is tot intrekking overgegaan omdat de officier van justitie op 2 november 1999 heeft besloten om de aangifte van verzoekster niet verder in behandeling te nemen. De vraag die thans voorligt is of met deze grond voldoende grondslag aanwezig is om tot intrekking van de vergunning over te gaan.

8. De president is van oordeel dat verweerders stelling, inhoudende dat verzoekster niet meer voldoet aan de beperking waaronder de vergunning is verleend, op juiste gronden is gebaseerd. Daartoe overweegt de president het volgende.

9. Het beleid met betrekking tot slachtoffers van vrouwenhandel was ten tijde van de bestreden beschikking geformuleerd in hoofdstuk B17 van de Vc. Hieruit volgde, voor zover hier van belang, dat een slachtoffer van vrouwenhandel voor een vergunning tot verblijf in aanmerking kwam indien zij aangifte had gedaan terzake van overtreding van art. 250 ter Wetboek van Strafrecht (WvSr) (met ingang van 1 oktober 2000 gewijzigd in artikel 250a WvSr). Deze vergunning tot verblijf werd vervolgens verleend voor de duur van het opsporings- en vervolgingsonderzoek en de berechting in feitelijke aanleg, dan wel tot het moment dat het Openbaar Ministerie van vervolging afzag.

10. Dit betekent dat met betrekking tot een slachtoffer van vrouwenhandel eerst dan kon worden gesteld dat niet meer werd voldaan aan de beperkingen waaronder de vergunning was verleend als het opsporings- en vervolgingsonderzoek alsmede de berechting in feitelijke aanleg was afgerond, dan wel indien het Openbaar Ministerie van vervolging afzag.

11. Nu in deze zaak niet (langer) in geschil is dat verzoekster slachtoffer is van vrouwenhandel, dat verzoekster daarvan op 23 augustus 1999 aangifte heeft gedaan, terwijl blijkens de telefoonnotitie van 2 november 1999 tevens vaststaat dat het Openbaar Ministerie op die datum een beslissing heeft genomen dat van verdere vervolging wordt afgezien, is de president van oordeel dat verweerder op juiste gronden tot intrekking van de aan verzoekster verleende vergunning tot verblijf is overgegaan. Verzoekster voldeed immers niet meer aan de beperking ingevolge hoofdstuk B17 van de Vc.

12. De president volgt verzoekster daarbij vooralsnog niet in haar stelling dat de aan haar verleende vergunning tot verblijf gehandhaafd had moeten worden gedurende de beklagprocedure bij het Gerechtshof op grond van artikel 12 WvSv. Volgens hoofdstuk B17/3.2 van de Vc mocht de uitkomst van deze beklagprocedure in Nederland worden afgewacht. De korpschef diende derhalve de verwijdering op te schorten voor de duur van de procedure. De president komt dit beleid niet kennelijk onredelijk voor, zodat vervolgens beoordeeld dient te worden of verweerder dit beleid juist heeft toegepast. Blijkens de stukken heeft verzoekster op 17 februari 2000 een klaagschrift ex artikel 12 WvSv ingediend tegen de niet verdere vervolging van B. Op grond hiervan had de uitzetting van verzoekster moeten worden opgeschort tot het vonnis van het Gerechtshof. Nu verzoekster echter op 2 februari 2000 een verzoek om voorlopige voorziening had ingesteld tegen de voor haar dreigende uitzetting, was de uitzetting reeds op die grond opgeschort. Overigens is, nu het Gerechtshof op 8 augustus 2000 vonnis in de beklagprocedure heeft gewezen, naar het oordeel van de president het belang aan deze stelling ontvallen.

13. Tussen partijen is voorts nog in geschil de ingangsdatum van de verleende vergunning. Het belang van verzoekster bij een eerdere ingangsdatum van de vergunning is volgens de gemachtigde van verzoekster gelegen in de aanspraak van verzoekster op een uitkering over de periode van 23 augustus 1999 tot 27 oktober 1999. De president overweegt hiertoe als volgt.

14. De president stelt vast dat zich in het dossier, voor zover van belang, de volgende telefoonnotities bevinden:

- een telefoonnotitie van 27 oktober 1999, volgens welke de toenmalige gemachtigde van verzoekster, mevrouw Jansen van Stichting Esperanza, aan een medewerker van verweerder onder andere heeft medegedeeld dat „zij al twee weken achter de Vreemdelingendienst aan zit in verband met het D16-formulier“ en dat „verzoekster aangifte heeft gedaan en nu een vergunning tot verblijf op grond van hoofdstuk B17 van de Vc wil“;

- een telefoonnotitie van 2 november 1999, volgens welke een medewerker van verweerder aan de toenmalige gemachtigde van verzoekster, wederom mevrouw Jansen van Stichting Esperanza, heeft medegedeeld dat verzoekster blijkens informatie van de Vreemdelingendienst eerst op 27 oktober 1999 een vergunning tot verblijf onder de beperking als genoemd in hoofdstuk B17 van de Vc heeft aangevraagd en dat het beoordelingsformulier/D16 niet eerder is toegezonden omdat belangrijke informatie ontbrak.

15. Gelet op het voorgaande komt de president tot het voorlopige oordeel dat niet is gebleken dat verzoekster op 23 augustus 1999, zijnde de datum van haar aangifte, tevens een vergunning tot verblijf als bedoeld in hoofdstuk B17 van de Vc heeft aangevraagd, zodat verweerder op goede gronden de ingangsdatum van vergunning heeft gesteld op 27 oktober 1999.

16. Ten aanzien van verzoeksters aanspraak op een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard, overweegt de president als volgt.

17. Op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Vw (oud) kon het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Voor verlening van een vergunning tot verblijf kwamen slechts die vreemdelingen in aanmerking indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang was gediend of indien sprake was van klemmende redenen van humanitaire aard.

18. Thans kan onder de Vw 2000 op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, onder b, c en d een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (de b-grond); van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst (de c-grond) en voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar (de d-grond). In artikel 30 van de Vw 2000 zijn vervolgens de imperatieve en in artikel 31 van de Vw 2000 de facultatieve afwijzingsgronden voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 opgenomen.

19. De president dient vervolgens de vraag te beantwoorden of er in het onderhavige geval sprake is van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard dat verweerder op grond daarvan aan verzoekster verblijf hier te lande had moeten toestaan. Hieromtrent wordt het volgende overwogen. Verzoekster heeft in dit verband argumenten genoemd als de situatie van alleenstaande vrouwen in Venezuela, de te verwachten maatschappelijke positie in Venezuela en de aanwezigheid van aanvaardbare opvang of de kans op represaillemaatregelen. In haar brief van 22 november 1999 heeft verzoekster toegezegd haar stellingen in deze toe te lichten aan de hand van een rapportage van de Stichting Esperanza. Daags voor de zitting heeft de president vervolgens deze rapportage mogen ontvangen. Nu de rapportage van Stichting Esperanza een algemeen verslag betreft van de aangifte van verzoekster en het verloop van haar aanvraag om een vergunning tot verblijf en voorts niet is gebleken dat de situatie van verzoekster dermate schrijnend is dat deze afwijkt van de situatie van andere alleenstaande vrouwen in Venezuela in een vergelijkbare positie, betekent dit naar het oordeel van de president dat verzoekster haar stellingen in deze geenszins heeft onderbouwd. Met betrekking tot de represaillemaatregelen, overweegt de president voorts nog dat de stelling van verzoekster in deze onvoldoende is onderbouwd en verder speculatief van aard is.

20. Ook overigens is niet gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard die verzoeker aanspraak geven op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

21. Gezien het voorgaande heeft verzoeker geen redelijke kans op verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

22. Het verzoek dient derhalve afgewezen te worden.

23. De president beschouwt artikel 33b van de Vw (oud) niet als een bepaling die ziet op de behandeling van het bezwaarschrift. Immers, deze bepaling ziet op de bevoegdheid van de president van de rechtbank om tevens op het bezwaarschrift te beslissen. Naar het oordeel van de president biedt artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000 geen basis voor het in stand laten van deze bevoegdheid na 1 april 2001. Artikel 78 van de Vw 2000 bevat de bevoegdheid om in het onderhavige geval tevens te beslissen op het bezwaarschrift.

24. Ten aanzien van de vraag of het bezwaar met toepassing van dit artikel ongegrond kan worden verklaard, overweegt de president als volgt. Met ingang van 1 oktober 2000 is TBV 2000/21 in de plaats gekomen van hoofdstuk B17 van de Vreemdelingencirculaire 1994. Deze TBV was in beginsel geldig tot 30 oktober 2002, maar is met ingang van 1 april 2001 opgenomen in hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencircualire 2000 (Vc 2000).

25. Uit hoofdstuk B9 van de Vc 2000 volgt, voor zover in deze van belang, dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdende met de vervolging van menshandel, kan worden verleend aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever is van mensenhandel, voor zover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. De aangifte wordt daarbij ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning.

26. In voornoemd hoofdstuk van de Vc 2000 is voorts vermeld dat de verblijfsvergunning geldig is zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. De verblijfsvergunning wordt echter ingetrokken dan wel de geldigheidsduur daarvan kan niet worden verlengd op het moment dat het Openbaar Ministerie afziet van vervolging van de verdachte. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan echter worden verlengd totdat het feitelijk proces tegen de verdachte is afgerond. Dat wil zeggen maximaal totdat het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Zodra de strafzaak door het Openbaar Ministerie wordt geseponeerd of de uitspraak in het proces tegen de verdachte onherroepelijk is geworden, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in hoofdstuk B9 te ontvallen.

27. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 25 en 26, acht de president niet zonder meer aannemelijk dat de bezwaarschriftenprocedure niet tot een andere uitkomst zal leiden en dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De president zal derhalve geen beslissing op het bezwaarschrift geven.

28. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De president:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.S.M. Bak en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2001 in tegenwoordigheid van mr. Y.H.M. Marijs als griffier.

de griffier de fungerend-president

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: 12 september 2001