Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6815

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2001
Datum publicatie
10-12-2001
Zaaknummer
09-753203-01
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0974
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag in relatiesfeer; openlijk geweld: 8 jaar gevangenisstraf.

Hoger beroep: AI0974

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753203-01

rolnummer 6

's-Gravenhage, 10 december 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te Bhaura (India),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 26 november 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadslieden mr M.L. Groen en mr G. Szegedi, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr R.E.I. Steen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 1 primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 primair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Strafbaarheid van de verdachte.

De raadsman mr Szegedi heeft namens verdachte betoogd dat deze met betrekking tot het aan hem onder 1 primair en subsidiair telastgelegde feit heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces en om die reden dient te worden ontslagen van alle strafvervolging.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte het keukentje van de winkel is ingevlucht om zijn lijf te redden en zich aldaar tegen de stang waarmee het slachtoffer verdachte aanviel, heeft verdedigd met het mes. Op dat moment was reeds van een noodweersituatie sprake en is verdachte vervolgens mede vanwege zijn leeftijd en de verwonding aan zijn duim in een zodanige gemoedsbeweging komen te verkeren dat hij met het mes de grenzen van proportionaliteit heeft overschreden, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat er op het moment waarop verdachte het slachtoffer met het mes neerstak, sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen noodzakelijke verdediging geboden was.

Haaks op de wisselende verklaringen die verdachte heeft afgelegd omtrent de wijze waarop het slachtoffer hem met de stang heeft aangevallen (eerst zegt verdachte zelf dat hij in geen geval door de stang is geraakt, later zegt hij dat dat wel het geval is), staan de verklaringen die zijn dochter heeft afgelegd.

Zowel bij de politie als ter terechtzitting, heeft zij verklaard dat het slachtoffer met zijn rug naar de keuken gekeerd stond en dat zij het uiteinde van de stang achter de openstaande deur zag uitsteken en aldus die stang bewegen zag worden in de richting van verdachte, die buiten de keuken stond. Tevens heeft zij bij de politie verklaard dat zij heeft gezien dat het slachtoffer slaande bewegingen maakte met de stang naar haar vader maakte, maar dat haar vader niet werd geraakt (pagina 79 van het proces-verbaal). Verdachte zelf heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij in eerste instantie de stang met zijn arm heeft afgeweerd.

Uit juistgenoemde verklaringen volgt dat verdachte op het moment dat het slachtoffer vanuit de keuken slaande bewegingen met de stang maakte, niet in een zodanige situatie verkeerde dat hem geen andere optie openstond dan de keuken in te gaan, maar dat verdachte de mogelijkheid had weg te lopen.

Dat verdachte ervoor gekozen heeft zelf ook de keuken in te gaan, alwaar hij het mes gepakt heeft en op het slachtoffer heeft ingestoken, leidt ertoe dat geen sprake was van noodzakelijke verdediging van zichzelf. Reeds hierom kan geen sprake zijn van overschrijding van de grenzen van proportionaliteit.

Verdachte is deswege strafbaar, nu te zijnen aanzien geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Motivering van de straf.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte kwam zijn winkel binnen en zag daar bij zijn dochter een hem bekende man staan. Na een woordenwisseling is een vechtpartij tussen beiden ontstaan, waarbij verdachte een mes heeft gepakt en hij het slachtoffer met vijf messteken heeft doodgestoken.

Door het plegen van dit misdrijf is de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed aangedaan en is de rechtsorde ernstig geschokt. Een feit als het onderhavige veroorzaakt bovendien grote maatschappelijke onrust.

Zeven maanden eerder heeft verdachte samen met zijn mededaders hetzelfde slachtoffer

's avonds op straat mishandeld, ten gevolge waarvan het slachtoffer pijn en letsel heeft ondervonden.

Een en ander heeft zich afgespeeld tegen de achtergrond van het feit dat het slachtoffer en de dochter van verdachte tegen de zin van verdachte een relatie hebben gehad. Uit het dossier en de verklaring van verdachte is duidelijk geworden dat er verdachte veel aan gelegen was het slachtoffer voorgoed uit zijn leven en dat van zijn dochter te bannen. Met dit doel is het slachtoffer eerst in januari 2001 op straat "afgestraft", naar aanleiding waarvan het slachtoffer blijkens het dossier heeft aangegeven bang te zijn door verdachte of diens familie om het leven gebracht te zullen worden. Uiteindelijk heeft verdachte in augustus bij een onverwacht aantreffen in zijn winkel van zijn dochter met de man, die naar zijn eigen zeggen "zijn leven verpestte", het slachtoffer van het leven beroofd.

De rechtbank gaat ervan uit dat de wrok die verdachte maandenlang jegens het slachtoffer koesterde ook een rol heeft gespeeld bij de uiteindelijk fatale steekpartij. Des te kwalijker acht de rechtbank de omstandigheid dat verdachte ook ter zitting geen spijt heeft betuigd over het gebeuren.

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychiatrisch rapport van T.V. van Lent d.d. 11 november 2001, waarin deze onder meer concludeert volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte met betrekking tot het eerste telastgelegde feit als meest waarschijnlijk te achten. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur aan verdachte behoort te worden opgelegd.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 1 primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1 subsidiair: doodslag;

2 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

- gevangenisstraf voor de duur van 8 JAREN;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 21 augustus 2001;

in voorlopige hechtenis gesteld op: 24 augustus 2001;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs Kalk, voorzitter,

Schaffels en Van der Veen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Gest, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2001.