Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6794

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-07-2001
Datum publicatie
10-12-2001
Zaaknummer
AWB 00/5201
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanwezigheid bij zitting / waarborgen eerlijk proces / ongewenstverklaring.

Onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 5 oktober 2000 (JV, 2000, 264) oordeelt de rechtbank dat op procedures waarin beslissingen aangaande binnenkomst, verblijf en uitzetting van vreemdelingen worden genomen, artikel 6 EVRM niet van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank dient ook een procedure gericht tegen een ongewenstverklaring op zichzelf, hieronder te worden begrepen. Vorenstaande betekent echter niet dat de waarborgen voor een eerlijk proces opzij kunnen worden gezet. In beginsel is de rechtbank van oordeel dat eenieder het recht toekomt om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn beroep. Nu eiser zich in strafrechtelijke detentie bevindt en de rechtbank had bericht dat hij het op prijs stelde ter zitting aanwezig te kunnen zijn, heeft de rechtbank eiser bericht dat de rechtbank voor het vervoer van eiser naar de rechtbank zorg zou dragen indien eiser schriftelijk kon aantonen dat hij van de directeur van de penitentiaire inrichting toestemming had verkregen om de zitting bij te wonen. De rechtbank kiest voor deze handelwijze, omdat aldus door de bestuurs- c.q. vreemdelingenrechter niet wordt ingegrepen in het aan eiser opgelegde detentieregime en toch voldoende wordt tegemoet gekomen aan eisers recht om ter zitting aanwezig te kunnen zijn.

Nu de rechtbank een dergelijke schriftelijke toestemming niet heeft ontvangen, heeft zij geen transportorder uitgevaardigd. Ter zitting verklaarde de gemachtigde dat de directeur niet om toestemming was verzocht. Gelet op het vorenstaande komt dit voor rekening en risico van eiser. Tot slot is van belang dat eiser ter zitting is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, die zijn belangen heeft behartigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 00/5201 VRWET H

UITSPRAAK ex artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 71 van de Vreemdelingen-wet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken, inzake het beroep van:

A, geboren op [...] 1971, van Turkse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. L. Louwerse, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M.J. Pieters, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatie-dienst te Den Bosch.

------------------------------------------------------------------------------

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Eiser verblijft sedert omstreeks mei 1990 in Nederland. Op 27 april 1992 is hij in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf bij echtgenote, B, geldig tot 21 februari 1993. Na een tijdelijke ontwrichting van het huwelijk is eiser met ingang van 24 maart 1993 opnieuw in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf bij echtgenote, laatstelijk verlengd tot 24 maart 1998.

1.2 Op 9 april 1998 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlenging van de aan hem verleende vergunning tot verblijf. Bij beschikking van 12 november 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd en eiser ongewenst verklaard ingevolge artikel 21 Vw (oud). Eiser heeft tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Op 25 april 2000 is eiser in de gelegenheid gesteld zijn bezwaarschrift mondeling nader toe te lichten voor de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV).

1.3 Bij beslissing van 23 mei 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiser, conform het advies van de ACV ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze beslissing beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 4 juli 2001. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of deze beslissing de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Met ingang van 1 april 2001 is de Vw in werking getreden. Artikel 122 Vw bepaalt dat de tot dan geldende vreemdelingenwet wordt ingetrokken.

Ingevolge artikel 119, eerste lid, Vw blijft het recht zoals het gold voor 1 april 2001 van toepassing ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet zoals die luidde tot 1 april 2001 (hierna: Vw (oud)), dat is bekend gemaakt voor 1 april 2001 dan wel een handeling op grond van de Vw (oud) verricht voor 1 april 2001.

2.3 Aangezien het bestreden besluit dateert van voor 1 april 2001, zal de rechtbank dit besluit inhoudelijk toetsen aan de bepalingen van de Vw (oud).

2.4 Verweerder heeft de bestreden beslissing doen steunen op het advies dat is uitgebracht door de ACV. Daarin is -voor zover hier van belang en samengevat- als volgt overwogen. Gebleken is dat eiser bij vonnis van 8 september 1999 door de Politierechter te Dordrecht is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken, waarvan 4 onvoorwaardelijk, terzake van meermalen gepleegde uitkeringsfraude. Voorts is gebleken dat eiser bij arrest van 13 april 1999 (onherroepelijk geworden op 16 april 1999) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch is veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf terzake van diefstal in vereniging met geweld en bedreiging met geweld tegen personen en medeplegen van het verbergen en wegvoeren van een lijk met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, gepleegd op 6 januari 1997. Ingevolge het terzake gevoerde beleid (de zogenaamde glijdende schaal) is verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring geïndiceerd. Hetgeen door of namens eiser is aangevoerd levert geen grond voor het oordeel dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat van het beleid dient te worden afgeweken.

Weliswaar is sprake van inmenging op het recht op respect voor familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn echtgenote en kinderen, doch dit vindt zijn rechtvaardiging in het belang dat wordt gediend met het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM. Aan de belangen van de Nederlandse overheid dient meer gewicht te worden toegekend dan aan eisers belangen bij voortgezet verblijf dan wel verblijf van korte duur. Hierbij is in aanmerking genomen de ernst van de door eiser gepleegde misdrijven en de omstandigheid dat er geen objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven in Turkije voort te zetten.

2.5 Eiser bestrijdt dit besluit en voert daartegen aan dat verweerder op grond van eisers persoonlijke omstandigheden aanleiding had moeten zien om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om van de beleidsregels af te wijken. Er heeft een onjuiste belangenafweging plaatsgevonden. Eiser is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en heeft sterke banden met zijn in Nederland verblijvende echtgenote, kinderen, moeder en overige familieleden. Voorts kan er niet vanuit gegaan worden dat de echtgenote en kinderen eiser naar Turkije zullen volgen, nu de kinderen in Nederland zijn geboren en getogen. Eiser doet een beroep op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, nevenzittingplaats Haarlem van 17 november 1999 (AWB 98/8020).

2.6 Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verzocht om aanhouding van de behandeling ter zitting om eiser in de gelegenheid te stellen bij de behandeling van zijn beroep aanwezig te kunnen zijn. De gemachtigde heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.7 De rechtbank oordeelt dienaangaande allereerst als volgt.

Onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 5 oktober 2000 (JV 2000, 264) oordeelt de rechtbank dat op procedures waarin beslissingen aangaande binnenkomst, verblijf en uitzetting van vreemdelingen worden genomen, artikel 6 EVRM niet van toepassing is. Het gaat daarin immers niet om de vaststelling van hun burgerlijke rechten of plichten of om een strafrechtelijke tenlastelegging in de zin van dit artikel. Ook procedures tegen de weigering om een maatregel tot uitsluiting van het grondgebied op te heffen vallen buiten het bereik van artikel 6 EVRM, aldus het Hof in genoemde uitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank dient ook een procedure als de onderhavige, gericht tegen de ongewenstverklaring op zichzelf, hieronder te worden begrepen. Artikel 6 EVRM is in casu dan ook niet toepasselijk.

2.8 Dit betekent echter niet dat de waarborgen voor een eerlijk proces opzij kunnen worden gezet. De rechtbank is van oordeel dat in beginsel aan eenieder het recht toekomt om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn beroep.

Eiser bevindt zich in strafrechtelijke detentie. Namens eiser heeft zijn gemachtigde de rechtbank per brief van 22 juni 2001, ter griffie binnengekomen op 25 juni 2001, hiervan op de hoogte gesteld en medegedeeld dat eiser er prijs op stelde ter zitting aanwezig te kunnen zijn. Hierop heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser doen berichten dat de rechtbank voor het vervoer van eiser naar de rechtbank zou zorgdragen, indien eiser schriftelijk kon aantonen dat hij van de directeur van de penitentiaire inrichting, waar hij gedetineerd is, toestemming had verkregen om de zitting bij te wonen. De rechtbank kiest voor deze handelwijze, omdat aldus door de bestuurs- c.q. vreemdelingenrechter niet wordt ingegrepen in het aan eiser opgelegde detentieregime en toch voldoende wordt tegemoet gekomen aan eisers recht om ter zitting aanwezig te kunnen zijn.

Nu de rechtbank een dergelijke schriftelijke toestemming voorafgaand aan de zitting niet heeft ontvangen, is zij niet overgegaan tot het uitvaardigen van een transportorder. Ter zitting verklaarde de gemachtigde van eiser dat de directeur van de gevangenis ook niet om toestemming was verzocht. Gelet op het vorenstaande komt dit voor rekening en risico van eiser. Tot slot is van belang dat eiser ter zitting is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, die zijn belangen heeft behartigd.

2.9 Thans zal dan ook worden overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak.

2.10 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw (oud) kan het verlengen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

2.11 Ingevolge artikel 21 Vw (oud) kan een vreemdeling ongewenst verklaard worden -onder meer- indien hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld wegens een opzettelijk begaan misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.

2.12 Beleid omtrent de toepassing van beide artikelen is -onder andere- verwoord in hoofdstuk A4/4.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc 1994), in de zogeheten glijdende schaal. Daarin wordt aangegeven, uitgaande van een bepaalde verblijfsduur van de vreemdeling in Nederland, bij welke strafmaat tot ongewenstverklaring en ontzegging van voortgezet verblijf wordt overgegaan. In het onderhavige geval is niet in geschil dat de aan eiser opgelegde gevangenisstraf de strafmaat die is opgenomen in de glijdende schaal overstijgt. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierbij terecht uitgegaan van een verblijf van eiser van meer dan vier en minder dan vijf jaren. Nu de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren de in de glijdende schaal opgenomen strafmaat van 21 maanden overstijgt, kon verweerder op grond van genoemd beleid in beginsel overgaan tot ontzegging van voortgezet verblijf en ongewenstverklaring van eiser. Voorts is niet gebleken dat zich in casu bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan verweerder van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid gebruik had moeten maken.

2.13 Voorts dient de vraag te worden beantwoord of de weigering eiser voortgezet verblijf toe te staan dan wel de beslissing om hem ongewenst te verklaren een schending van artikel 8 EVRM oplevert.

In artikel 8, eerste lid, EVRM is, voor zover hier van belang, bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven ("family life"). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voorzover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.14 Niet in geschil is dat tussen eiser en zijn echtgenote en hun twee kinderen sprake is van familie- en gezinsleven. Het niet langer toestaan van verblijf aan eiser en de ongewenstverklaring vormen een inmenging in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven.

Beoordeeld dient te worden of deze inmenging gerechtvaardigd is op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM. Hiertoe dient een redelijke afweging tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel plaats te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het door de overheid te behartigen algemeen belang zowel wat betreft de weigering van voortgezet verblijf, als de ongewenstverklaring zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van eiser. Hierbij is vooreerst in aanmerking genomen de aard en ernst van de door eiser gepleegde strafbare feiten, waarmee een ernstige inbreuk op de openbare orde is gemaakt en de omstandigheid dat de aan eiser opgelegde straf ver uitstijgt boven de strafmaat van de glijdende schaal. Daarnaast is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het familie- en gezinsleven met zijn echtgenote en kinderen in Turkije uit te oefenen. De omstandigheid dat eisers kinderen in Nederland zijn geboren en getogen kan niet als een zodanige belemmering worden aangemerkt. Dat eiser en zijn echtgenote er niet de voorkeur aan geven om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat voor eiser de mogelijkheid bestaat te zijner tijd om opheffing van de ongewenstverklaring te verzoeken.

2.15 Het namens eiser gedane beroep op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 17 november 1999 (AWB 98/8020) kan gelet op het vorenstaande evenmin slagen. Immers, in casu heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de belangen van de Nederlandse Staat kunnen doen prevaleren boven de belangen van eiser. In de zaak die geleid heeft tot de hiervoor genoemde uitspraak is geoordeeld dat onvoldoende inhoud is gegeven aan de belangenafweging. Daarvan is in eisers geval geen sprake. Overigens betrof het in genoemde zaak een vreemdeling die in het bezit was geweest van de zogenoemde artikel 10 lid 2 Vw (oud) status. Voorts is niet onderbouwd dat de aard van de strafbare feiten en de duur van de opgelegde gevangenisstraf vergelijkbaar is met het onderwerpelijke geval. Blijkens de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 15 mei 1998, welke voorafging aan de hiervoor genoemde uitspraak van 17 november 1999, ging het daar om een veroordeling uit 1991 tot 4 jaar gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet, meermalen gepleegd.

Eisers situatie is evenmin vergelijkbaar met de uitspraken van het Europese Hof van de rechten van de mens, die in de uitspraak van 17 november 1999 zijn genoemd.

2.16 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in strijd heeft gehandeld met artikel 8 EVRM door eiser voortgezet verblijf te weigeren en hem ongewenst te verklaren.

2.17 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zonder in strijd te komen met enige regel van geschreven of ongeschreven recht het bezwaarschrift ongegrond heeft kunnen verklaren. Het ingestelde beroep is mitsdien ongegrond.

2.18 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2001, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bressers als griffier.

afschrift verzonden op:b 26 juli 2001

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 120 van de Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.