Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6790

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
10-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/27073
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / onrechtmatige staandehouding / matiging schadevergoeding.

De rechtbank overweegt dat de staandehouding op 22 juni 2001 is gebaseerd op ervaringsgegevens die zijn voortgekomen uit een eerdere staandehouding waarbij gevraagd is een legitimatiebewijs en/of een vreemdelingendocument te tonen. Uit het dossier valt evenwel niet af te leiden in kader van welke bevoegdheid destijds tot staandehouding is overgegaan. Nu dit niet uit het dossier naar voren komt moet de rechtbank het ervoor houden dat die bevoegdheid niet aanwezig was. Dit leidt tot het oordeel dat die eerder verkregen gegevens ten onrechte zijn gebruikt voor de onderbouwing van het redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten tijde van de staandehouding op 22 juni 2001. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de staandehouding onrechtmatig heeft plaatsgevonden en dat als gevolg hiervan de bewaring van begin af aan onrechtmatig is geweest. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel van bewaring dient te worden opgeheven met ingang van 3 juli 2001. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige bewaring. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de hoogte van de schadevergoeding met de helft te matigen. Zij heeft hierbij in aanmerking genomen dat de vreemdeling illegaal in Nederland verblijft en dat hij daarmee het risico loopt in vreemdelingenbewaring te worden gesteld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/27073 VRWET

Inzake : A, CRV nummer [CRV nummer], thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Ter Apel, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. H.M.L. Brands, advocaat te Alphen aan den Rijn,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.P. Bouma, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1972 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

2. Op 25 juni 2001 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 93 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdeling ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 22 juni 2001 waarbij de vreemdeling de maatregel van

bewaring is opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op

2 juli 2001. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig J. Kolijn, tolk in de Franse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet

gerechtvaardigd is te achten.

3. Uit het proces-verbaal van staandehouding is de rechtbank gebleken dat de vreemdeling op 17 mei 2001 voor een winkelcentrum de straatkrant te koop aanbood. De verbalisant vroeg aan de vreemdeling om een legitimatiebewijs of vreemdelingendocument te

tonen. De vreemdeling kon hier niet aan voldoen. De verbalisant heeft vervolgens de gegevens van de vreemdeling doorgegeven aan de afdeling Vreemdelingenzorg om onderzoek te doen naar de verblijfstatus van de vreemdeling. Van deze afdeling vernam de

verbalisant dat de vreemdeling illegaal in Nederland verbleef. Op 22 juni 2001 constateerde de verbalisant dat de vreemdeling wederom de straatkrant te koop aanbood. De vreemdeling is hierop door de verbalisant staandegehouden.

4. De gemachtigde van de vreemdeling heeft aangevoerd dat niet duidelijk is op grond van welke bevoegdheid de staandehouding op 17 mei 2001 heeft plaatsgevonden. Nu dit niet duidelijk is, heeft dit naar de mening van de gemachtigde tot gevolg dat de

staandehouding op 22 juni 2001 onbevoegdheid heeft plaatsgevonden.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het de verbalisant op 17 mei 2001 vrij stond naar de identiteit van de vreemdeling te vragen. De staandehouding van 22 juni 2001 is dan ook naar de mening van verweerder niet het gevolg van

zogenaamde verboden vruchten en heeft daarmee rechtmatig heeft plaatsgevonden.

6. De rechtbank overweegt dat de staandehouding op 22 juni 2001 is gebaseerd op ervaringsgegevens die zijn voortgekomen uit een eerdere staandehouding waarbij gevraagd is een legitimatiebewijs en/of een vreemdelingendocument te tonen. Uit het dossier

valt evenwel niet af te leiden in kader van welke bevoegdheid destijds tot staandehouding is overgegaan. Nu dit niet uit het dossier naar voren komt moet de rechtbank het er voor houden dat die bevoegdheid niet aanwezig was. Dit leidt tot het oordeel

dat die eerder verkregen gegevens ten onrechte zijn gebruikt voor de onderbouwing van het redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten tijde van de staandehouding op 22 juni 2001.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de staandehouding onrechtmatig heeft plaatsgevonden en dat als gevolg hiervan de bewaring van begin af aan onrechtmatig is geweest. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel van bewaring dient

te worden opgeheven met ingang van 3 juli 2001.

Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige bewaring.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de hoogte van de schadevergoeding met de helft te matigen. Zij heeft hierbij in aanmerking genomen dat de vreemdeling illegaal in Nederland verblijft en dat hij daarmee het risico loopt om in vreemdelingenbewaring

te worden gesteld. Dit betekent dat over de periode 22 juni 2001 tot en met 25 juni 2001 een bedrag wordt toegekend van (4 x f 200,- =) f 800,- en over de periode 26 juni 2001 tot en met 3 juli 2001 een bedrag van (7 x f 150,- =) f 1050,-. Na matiging

bedraagt de totale schadevergoeding f 1850,- x 0,5 = f 925,-.

7. De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring;

3. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot f 950,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Voor zover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. M.A. Dirks en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2001 in tegenwoordigheid van W.M. Colpa, griffier.