Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6768

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-11-2001
Datum publicatie
04-01-2002
Zaaknummer
AWB 01/58043
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / vertrektermijn.

De vreemdeling heeft de Spaanse nationaliteit en beroept zich er op dat hij gemeenschapsonderdaan is. Uit de stukken blijkt dat de vreemdeling geen werk in Nederland had, terwijl gesteld noch gebleken is dat hij anderszins valt onder het vrije personenverkeer in de zin van het EG-verdrag. De vreemdeling kan dan ook niet worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, aanhef en onder e Vw 2000, zodat hem geen verblijfsrecht in de zin van artikel 8, aanhef en onder e Vw 2000 toekwam. Daarbij wordt opgemerkt dat gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling nog geen zes maanden hier te lande verbleef, gedurende welke termijn het de vreemdeling op grond van het bepaalde in artikel 12 Vw 2000 in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder d Vb 2000 onder voorwaarden is toegestaan hier te lande te verblijven. Voorts wordt overwogen dat voor zover zou moeten worden aangenomen dat de vreemdeling nog géén zes maanden hier te lande verbleef, dit verblijf naar het oordeel van de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b Vw 2000 niet langer was toegestaan. Op grond van de omstandigheid dat de vreemdeling geen werk had, en bovendien is betrapt op diefstal van levensmiddelen, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat hij geen voldoende middelen van bestaan had. De rechtbank is niettemin van oordeel dat het besluit tot inbewaringstelling onrechtmatig is.

In artikel 8:13, tweede lid, van het Vb 2000, voorzover hier van belang, is bepaald dat de vreemdeling die onderdaan is van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en die geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan toekomt dan wel wiens verblijfsrecht is vervallen, niet wordt uitgezet dan nadat hem een termijn van ten minste vier weken is gegund om te vertrekken. Daarvan kan op grond van het vierde lid slechts in dringende gevallen worden afgeweken.

Aangezien een vreemdeling, gezien artikel 59, eerste lid, Vw 2000, slechts in bewaring gesteld kan worden met het oog op de uitzetting, volgt uit artikel 8:13 Vb 2000 dat een onderdaan van een staat die partij is bij de Europese Unie, slechts in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld, indien is gebleken dat hem geen verblijfsrecht toekomt of zijn verblijfsrecht is vervallen, en tevens de termijn van ten minste vier weken om te vertrekken is verstreken, dan wel is gebleken van een dringend geval. Dat zulks is gebleken, blijkt in het onderhavige geval uit het besluit noch uit de overgelegde stukken. De bewaring is van meet af aan onrechtmatig wegens strijd met voornoemde bepalingen. Beroep gegrond, toekenning schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 8.13
Vreemdelingenbesluit 2000 3.3
Vreemdelingenwet 2000 1
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 12
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/58043 VRWET

Inzake : [A], crv nummer [crv nummer], verblijfplaats onbekend, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. Th.H. Putto, advocaat te Leiderdorp,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. O.J. Elbertsen, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1980 en de Spaanse nationaliteit te hebben.

2. Bij kennisgeving op grond van artikel 94 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000), ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 5 november 2001, heeft verweerder de rechtbank bericht dat de vreemdeling met ingang van

1 november 2001 de maatregel van bewaring is opgelegd. Krachtens die bepaling wordt de vreemdeling na de ontvangst van deze kennisgeving geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.

3. Op 5 november 2001 heeft verweerder de bewaring ambtshalve opgeheven en de vreemdeling uitgezet naar Spanje.

4. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 12 november 2001. De vreemdeling is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000.

2. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring na de indiening van het beroepschrift is opgeheven. Gelet hierop is thans nog slechts in geschil of de maatregel van bewaring eerder had moeten worden opgeheven en zo ja, of er aanleiding is een schadevergoeding op grond van artikel 106 Vw2000 toe te kennen.

3. De gemachtigde van de vreemdeling heeft aangevoerd dat de inbewaringstelling onrechtmatig was aangezien hij onderdaan is van de Europese Unie. Voorts heeft de gemachtigde aangevoerd dat het gepleegde delict, te weten het toe-eigenen van producten uit een vuilcontainer van een supermarkt, welke container stond op het met een hek afgesloten terrein van die supermarkt, dermate onbeduidend is dat er in materiele zin onvoldoende aanleiding bestond tot het strafrechtelijk aanhouden van de vreemdeling.

De gemachtigde van de vreemdeling heeft derhalve verzocht om toekenning van schadevergoeding.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewaring niet onrechtmatig is. Hij heeft er daartoe op gewezen dat de vreemdeling weliswaar beschikt over een geldig Spaans paspoort maar dat hij geen gemeenschapsonderdaan is in de zin van artikel 1, aanhef en onder e Vw2000, terwijl voorts geen sprake kan zijn van de vrije termijn van artikel 12 Vw2000 omdat de vreemdeling niet voldoet aan de in dat artikel genoemde voorwaarde van voldoende middelen van bestaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 1, aanhef en onder e sub 1 Vw2000 is, voor zover hier van belang, bepaald dat onder gemeenschapsonderdanen wordt verstaan onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

De gemeenschapsonderdaan heeft van rechtswege een verblijfsrecht in de zin van artikel 8, aanhef en onder e Vw2000.

Uit de stukken blijkt dat de vreemdeling geen werk in Nederland had, terwijl gesteld noch gebleken is dat hij anderszins valt onder het vrije personenverkeer in de zin van het EG-verdrag. De vreemdeling kan dan ook, gelijk verweerder heeft opgemerkt, niet worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, aanhef en onder e Vw2000, zodat hem geen verblijfsrecht in de zin van artikel 8, aanhef en onder e Vw2000 toekwam. Daarbij wordt opgemerkt dat gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling nog geen zes maanden hier te lande verbleef, gedurende welke termijn het de vreemdeling op grond van het bepaalde in artikel 12 Vw2000 in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder d Vb2000 onder voorwaarden is toegestaan hier te lande te verblijven.

Voorts wordt overwogen dat voor zover zou moeten worden aangenomen dat de vreemdeling nog g‚‚n zes maanden hier te lande verbleef, dit verblijf naar het oordeel van de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b Vw2000 niet langer was toegestaan. Op grond van de omstandigheid dat de vreemdeling geen werk had, en bovendien is betrapt op diefstal van levensmiddelen, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat hij geen voldoende middelen van bestaan had.

De rechtbank is niettemin van oordeel dat het besluit tot inbewaringstelling onrechtmatig is. Zij overweegt daartoe als volgt.

In artikel 8:13, tweede lid, van het Vb2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat de vreemdeling die onderdaan is van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en die geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan toekomt dan wel wiens verblijfsrecht is vervallen, niet wordt uitgezet dan nadat hem een termijn van ten minste vier weken is gegund om te vertrekken. Daarvan kan op grond van het vierde lid slechts in dringende gevallen worden afgeweken.

Aangezien een vreemdeling, gezien artikel 59, eerste lid, Vw2000, slechts in bewaring gesteld kan worden met het oog op de uitzetting, volgt uit artikel 8:13 Vb2000 dat een onderdaan van een staat die partij is bij de Europese Unie, slechts in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld, indien is gebleken dat hem geen verblijfsrecht toekomt of zijn verblijfsrecht is vervallen, en tevens de termijn van ten minste vier weken om te vertrekken is verstreken, dan wel is gebleken van een dringend geval.

Dat zulks is gebleken, blijkt in het onderhavige geval uit het besluit noch uit de overgelegde stukken.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was wegens strijd met voornoemde bepalingen. Het beroep moet daarom gegrond worden verklaard. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 4 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 4 x f 200,00 = f 800,00.

7. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 710,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHTDOENDE:

1.verklaart het beroep gegrond;

2.wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot f 800,00 ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

3.veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 710,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voorzover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt ‚‚n week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Voorzover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. C.F. Mewe en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2001, in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier.