Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6754

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-07-2001
Datum publicatie
06-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/26949
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / vrije termijn.

De rechtbank is van oordeel dat de stelling van de gemachtigde dat de vreemdeling niet in bewaring had mogen worden gesteld omdat hij binnen de vrije termijn en daarmee rechtmatig in Nederland verbleef, dient te falen. Zij overweegt daartoe dat ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 het aan de vreemdeling die bij binnenkomst heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan een persoon bij grensoverschrijding is onderworpen, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn, is toegestaan in Nederland te verblijven, zolang hij geen gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Van gevaar voor de openbare orde kan, blijkens hoofdstuk A2/9.7 Vc 2000, onder meer sprake zijn als de vreemdeling een strafbaar feit heeft gepleegd. Nu de vreemdeling bij de uitreiscontrole op Schiphol een vervalst paspoort heeft aangeboden en daarmee een strafbaar feit heeft gepleegd was er voor de vreemdeling reeds hierom geen verblijf gedurende de vrije termijn toegestaan. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 12
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/26949 VRWET

Inzake : A, crv nummer 1209020886, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.P. Bouma, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1969 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.

2. Op 23 juni 2001 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 93 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdeling ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 22 juni 2001 waarbij de vreemdeling de maatregel van bewaring is opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. De vreemdeling is op 28 juni 2001 uitgezet naar Spanje.

4. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 2 juli 2001. Namens de vreemdeling is verschenen mr. drs. J. Hemelaar, waarnemend voor de gemachtigde van de vreemdeling. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring na de indiening van het beroepschrift is opgeheven. Gelet hierop is thans nog slechts in geschil of de maatregel van bewaring eerder had moeten worden opgeheven en zo ja, of er aanleiding is een schadevergoeding op grond van artikel 106 Vw2000 toe te kennen.

3. De gemachtigde van de vreemdeling heeft aangevoerd dat de vreemdeling niet in bewaring had mogen worden gesteld, aangezien hij binnen de vrije termijn in Nederland verbleef. De gemachtigde heeft er in dit verband op gewezen dat de vreemdeling in het bezit was van een Spaanse verblijfsvergunning en dat voorts niet is gebleken dat diens Nigeriaanse paspoort vals was.

Voorts heeft de gemachtigde aangevoerd dat het gehoor betreffende de vreemdelingrechtelijke bewaring reeds heeft plaatsgevonden tijdens het strafrechtelijk traject. Naar de mening van de gemachtigde dient eerst het strafrechtelijk traject te worden afgesloten voordat de vreemdeling gehoord kan worden in het kader van de bewaring.

4. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast.

De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden als weergegeven in het proces-verbaal van aanhouding een redelijk vermoeden voortvloeide dat de vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit. Gelet op het bepaalde in artikel 52 jo. artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering bestond derhalve de bevoegdheid de vreemdeling aan te houden. Aangezien hierna is gebleken van voldoende feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf van de vreemdeling in Nederland opleveren als bedoeld in artikel 50, eerste lid en derde lid Vw2000, is de vreemdeling na beëindiging van het strafrechtelijk onderzoek terecht staande gehouden ingevolge die bepaling.

5. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het gehoor betreffende de bewaring heeft plaatsgevonden nog voordat hij vanuit het strafrechtelijke voortraject was overgedragen aan de vreemdelingendienst geen aanleiding te oordelen dat de bewaring hierdoor onrechtmatig is. Uit het dossier blijkt dat de vreemdeling op 22 juni 2001 om 9.05 is gehoord in het kader van de bewaring en dat de vreemdeling op die dag om 9.15 uur is overgedragen aan de vreemdelingendienst. Nu het einde van strafrechtelijk voortraject in zicht was ziet de rechtbank niet in dat verweerder niet reeds een aanvang kon maken met het horen van de vreemdeling in het kader van de bewaring. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal blijkt dat de vreemdeling op de hoogte is gesteld dat het gehoor plaats vond in het kader van de inbewaringstelling.

6. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de stelling van de gemachtigde dat de vreemdeling niet in bewaring had mogen worden gesteld omdat hij binnen de vrije termijn en daarmee rechtmatig in Nederland verbleef dient te falen. Zij overweegt daartoe dat ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw2000 het aan de vreemdeling die bij binnenkomst heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan een persoon bij grensoverschrijding is onderworpen, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn, is toegestaan in Nederland te verblijven, zolang hij geen gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Van gevaar voor de openbare orde kan, blijkens hoofdstuk A2/9.7 van de Vreemdelingencirculaire, onder meer sprake zijn als de vreemdeling een strafbaar feit heeft gepleegd.

Nu de vreemdeling bij de uitreiscontrole op Schiphol een vervalst paspoort heeft aangeboden en daarmee een strafbaar feit heeft gepleegd was er voor de vreemdeling reeds hierom geen verblijf gedurende de vrije termijn toegestaan.

7. De rechtbank constateert dat verweerder op goede gronden de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting, in bewaring heeft gesteld. De vreemdeling was niet in het bezit van een geldig identiteitsbewijs, had zich aan het vreemdelingentoezicht onttrokken en werd verdacht van het plegen van een misdrijf. Gelet hierop bestond ten aanzien van hem het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken.

8. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd was met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd was te achten.

9. Het beroep is derhalve ongegrond. Er bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

10. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voorzover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Voorzover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. M.A. Dirks en uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2001, in tegenwoordigheid van W.M. Colpa, griffier.

afschrift verzonden op: