Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6707

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2001
Datum publicatie
05-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/23398, 01/23399
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Staatloos.

Verweerder heeft in de bestreden beschikking overwogen dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het feit dat hij staatloos is en buiten zijn schuld Nederland niet zou kunnen verlaten, aangezien niet is gebleken dat hij niet naar Libanon zou kunnen terugkeren. De president is met verweerder van oordeel dat verzoeker niet op grond van het beleid weergegeven in TBV 2000/29 voor een verblijfsvergunning in aanmerking komt, reeds niet omdat hij niet aan de voorwaarde voldoet dat hij een verklaring heeft overgelegd van de vertegenwoordiging van het land waar hij eerder zijn gewone verblijfplaats had, waarin is opgenomen dat hij zowel bij vrijwillige als onvrijwillige terugkeer geen toegang tot dat land zal verkrijgen. Verzoekers stelling dat hij weliswaar nog niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, maar dat evenmin is gebleken dat hij niet aan de voorwaarden zou kunnen voldoen, leidt niet tot een ander oordeel.

Uit het beleid weergegeven in TBV 2000/29 blijkt dat niet voldoende is dat niet is gebleken dat verzoeker niet aan de voorwaarden zou kunnen voldoen, doch dat het aan verzoeker is om aan te tonen dat hij wèl aan de voorwaarden voldoet. Daarvoor is het niet noodzakelijk dat verzoeker in een OC verblijft. Voorts is van belang dat namens verweerder ter zitting in reactie op de door verzoeker aangehaalde uitspraken onweersproken is gesteld dat verzoeker, in tegenstelling tot de vreemdelingen op wie de aangehaalde uitspraken betrekking hebben, beschikt over een document van de UNWRA. Bovendien heeft verweerder de ervaring dat ten behoeve van Palestijnse vreemdelingen uit Libanon die, zoals verzoeker, beschikken over een reisdocument van de UNWRA, geregeld laissez-passers worden verstrekt door de Libanese autoriteiten.

Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01 / 23398 OVERIO H (voorlopige voorziening)

AWB 01 / 23399 OVERIO H (beroepszaak)

inzake: A, geboren op [...] 1966, gesteld staatloos, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. drs. T. Neijzen, advocaat te Leiden,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 3 juni 2001, genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure, is de door verzoeker op 1 juni 2001 ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 4 juni 2001 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van 4 juni 2001 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 12 juni 2001. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigde hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting gehoord.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielaanvragen binnen 48 uur.

Deze procedure leent zich, ingevolge het door verweerder gevoerde beleid, slechts voor die zaken waarin geen tijdrovend onderzoek nodig is en waarvan binnen 48 uur op zorgvuldige wijze kan worden beoordeeld dat de aanvraag op grond van artikel 30 of 31

Vw kan worden afgewezen.

2.4 De kern van het asielrelaas betreft het volgende.

Verzoeker is van Palestijnse afkomst. Hij woonde in het vluchtelingenkamp Al Saadiyat in Libanon. Vanaf mei 1992 is verzoeker meer dan veertig of vijftig keer gevraagd om voor de Abu Muhdjen beweging tegen een financiële vergoeding aanslagen te plegen tegen Israël en pamfletten te verspreiden waarin stond dat mensen op straat geen korte kleding mogen dragen en geen alcohol mogen drinken. Hoewel hij met de dood is bedreigd, heeft verzoeker altijd geweigerd. Eind 1992 hebben leden van de beweging een aanslag met explosieven op verzoeker gepleegd. Verzoeker is daarbij onder meer ernstig gewond geraakt aan zijn linkerbeen. Verzoeker heeft bloemen gekregen van een lid van de Abu Muhdjen beweging. Er zat een kaartje aan waarop stond: “Nu leef je, maar je krijgt er nog één.” Verzoeker heeft van de aanslag geen aangifte gedaan bij de Libanese autoriteiten of de Hezbollah of de Amal beweging. De Libanese partijen steunen Abu Muhdjen. Ongeveer in juni 1994 zijn er explosieven op het dak van het huis van verzoeker gegooid. De explosieven hebben echter geen schade aangericht. Daarna is er herhaaldelijk op de deur en het raam geklopt. Tevens is verzoeker in augustus 1997 op weg van het ziekenhuis naar huis ontvoerd door leden van de Abu Muhdjen beweging.

Zij hebben een zak over zijn hoofd gedaan, waarna ze hem hebben meegenomen naar een huis. Aldaar hebben ze hem mishandeld. Ze hebben hem onder meer elektrische schokken toegediend. Daarna is verzoeker gevolgd door leden van de Abu Muhdjen beweging. In november 1998 is verzoeker weer gevraagd met de organisatie samen te werken. Begin 1999 is hij een dag vastgehouden. Verzoeker heeft het vluchtelingenkamp verlaten en is in een flat gaan wonen. Hij is aldaar niet meer lastiggevallen.

2.5 Nog daargelaten wat er zij van de door verzoeker gestelde problemen met de Abu Muhdjen beweging in de periode van mei 1992 tot begin 1999, is de president, met verweerder, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de Abu Muhdjen beweging na begin 1999 nog een bijzondere negatieve belangstelling voor verzoeker heeft gehad. Verzoeker heeft immers sindsdien onafgebroken en zonder problemen in een flat verbleven, alwaar ook zijn vrouw en kinderen woonden. Indien de Abu Muhdjen beweging daadwerkelijk een specifieke negatieve aandacht voor verzoeker zou hebben gehad, had deze hem aldaar gemakkelijk kunnen traceren. Dat verzoeker, zoals gesteld, in de kelder van het flatgebouw ondergedoken heeft gezeten, doet aan het vorenstaande niet af, nu, naar gesteld noch gebleken, verzoekers echtgenote en kinderen, die niet ondergedoken zaten, niet zijn benaderd door de Abu Muhdjen beweging, hetgeen in de rede zou hebben gelegen, indien deze op zoek zou zijn geweest naar verzoeker.

2.6 Verweerder heeft in de bestreden beschikking overwogen dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het feit dat hij staatloos is en buiten zijn schuld Nederland niet zou kunnen verlaten, aangezien niet is gebleken dat hij niet naar Libanon zou kunnen terugkeren. Hij is immers in het bezit van een registratiedocument van de UNWRA en andere documenten die kunnen aantonen dat hij uit Libanon afkomstig is.

2.7 Op grond van het in TBV 2000/29 weergegeven beleid, welk volgens verweerder nog steeds toepasselijk is, en voor zover hier van belang, komt een staatloze vreemdeling, van wie de asielaanvraag niet is ingewilligd, in aanmerking voor een vergunning tot verblijf onder beperking onder de volgende voorwaarden:

- hij kan aantonen of aannemelijk maken dat hij staatloos is, dat hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van een eventuele eerder nationaliteit en dat hij een eventuele eerdere nationaliteit niet kan herkrijgen; en

- hij heeft een verklaring overgelegd van de vertegenwoordiging van het land waar hij eerder zijn gewone verblijfplaats (‘former habitual residence’) had, waarin is opgenomen dat hij zowel bij vrijwillige als onvrijwillige terugkeer geen toegang tot

dat land zal verkrijgen; en

- hij heeft alle landen waar hij familie in de eerste of tweede graad heeft wonen, om (weder)toegang verzocht; de weigering van deze verzoeken, en de redenen daarvan, moeten zijn neergelegd in verklaringen van de betreffende landen;

- hij verblijf zonder verblijfstitel in Nederland en voldoet niet aan andere voorwaarden voor een verblijfsvergunning.

2.8 De president is met verweerder van oordeel dat verzoeker niet op grond van vorengenoemd beleid voor een vergunning tot verblijf in aanmerking komt, reeds niet omdat hij niet aan de onder het tweede gedachtestreepje gestelde voorwaarde voldoet.

2.9 Verzoeker heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de president van deze rechtbank en nevenzittingsplaats d.d. 28 mei 2001 (geregistreerd onder nummer AWB 01/20209, 20212 en 20182), de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats d.d. 6 april 1999 (geregistreerd onder nummer AWB 96/8795) en de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam d.d. 29 mei 2000 (geregistreerd onder nummer AWB 97/4297) aangevoerd dat hij weliswaar nog niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, maar dat evenmin is gebleken dat hij niet aan de voorwaarden zou kunnen voldoen. Aangezien verzoeker niet binnen de AC-procedure kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, dient hem de gelegenheid te worden geboden dat vanuit een onderzoek- en opvangcentrum (OC) te doen.

2.10 Uit het hierboven weergegeven beleid blijkt echter dat niet voldoende is dat niet is gebleken dat verzoeker niet aan de voorwaarden zou kunnen voldoen. Het is aan verzoeker om aan te tonen dat hij wèl aan de voorwaarden voldoet. Daarvoor is het niet noodzakelijk dat verzoeker in een OC verblijft. Voorts is van belang dat namens verweerder ter zitting in reactie op de door verzoeker aangehaalde uitspraken onweersproken is gesteld dat verzoeker, in tegenstelling tot de vreemdelingen op wie de aangehaalde uitspraken betrekking hadden, beschikt over een document van de UNWRA. Bovendien heeft verweerder de ervaring dat ten behoeve van Palestijnse vreemdelingen uit Libanon die, zoals verzoeker, beschikken over een reisdocument van de UNWRA, geregeld laissez passers worden verstrekt door de Libanese autoriteiten.

2.11 Uit het voorgaande volgt dat de aanvraag terecht in de AC-procedure is afgewezen. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige

voorziening.

2.12 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, fungerend president en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2001, in tegenwoordigheid van mr. G.J. de Jong als griffier.

Afschrift verzonden op :

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier.