Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6703

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
05-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/27156, 01/27164
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / procesbeslissing

De zogenoemde procesbeslissing zoals bedoeld in hoofdstuk C3/12.8 Vc 2000 is niet aan te merken als een loutere voorbereidingsbeslissing als bedoeld in artikel 6:3 Awb. Met name wordt gewezen op artikel 3.112, eerste lid, aanhef en onder b, Vb 2000, ingevolge welke bepaling verzoekster als gevolg van de procesbeslissing geen aanspraak meer had op de ingevolge artikel 3.111, eerste lid 1, Vb 2000 voorgeschreven wachttijd van zes dagen.

Uit het procesdossier blijkt niet eenduidig op grond waarvan de beslissing is genomen dat de aanvraag van verzoekster van dien aard was dat gekozen kon worden voor het vervolgen van de procedure in het AC. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat uitdrukkelijk niet is gekozen voor een inhoudelijk criterium, maar dat van doorslaggevend belang is geacht of zorgvuldig onderzoek binnen de daarvoor in het kader van de AC-procedure geldende termijn(en) mogelijk zou zijn.

De keuze voor de procesbeslissing mocht in het onderhavige geval niet worden genomen, tenzij uit de in de eerste fase verkregen onderzoeksresultaten concrete aanknopingspunten naar voren waren gekomen voor het vermoeden dat de door verzoekster in het eerste gehoor afgelegde verklaringen ten aanzien van haar identiteit, nationaliteit en/of reisroute als niet-geloofwaardig mochten worden bestempeld, dan wel dat zij aan de vaststelling daarvan niet had meegewerkt en die concrete aanwijzingen kenbaar en gemotiveerd uit de genomen procesbeslissing zijn gebleken. Een andere lezing van hoofdstuk C3/12.8 Vc 2000 doet zowel onvoldoende recht aan de geformuleerde beleidsregels, alsook aan het bijzondere - en uitzonderlijke - karakter van de AC-procedure.

De in de Vc 2000 voor gevallen als de onderhavige neergelegde regeling is derhalve niet op kenbare en gemotiveerde wijze nageleefd. Het is niet ondenkbaar dat achteraf blijkt dat de te stellen eisen van zorgvuldigheid door de keuze voor de afdoening via de AC-procedure niet zijn geschonden en/of dat de aanvrager door die wijze van afdoening niet in zijn belangen is geschaad. In die gevallen is echter niettemin sprake van een, hoewel mogelijk reparabel aan de besluitvorming in het AC-traject klevend gebrek.

Uit het geheel van de door verzoekster, die heeft gesteld afkomstig te zijn uit de DRC, afgelegde verklaringen volgt noch dat haar bij het eerste gehoor omtrent haar identiteit, nationaliteit en/of reisroute afgelegde verklaringen op voorhand zonder meer als niet-geloofwaardig konden worden aangemerkt, noch ook dat de nadien verkregen onderzoeksresultaten het vastgestelde gebrek in het besluitvormingstraject kunnen helen. Daartoe wordt vooropgesteld dat de tijdens het nader gehoor naar voren gekomen bijzonderheden met betrekking tot de lotgevallen van verzoekster in de periode augustus 1998 tot juni 2001, mede gelet op TBV 2000/2, op zichzelf al aanleiding hadden dienen te zijn verzoekster voor de verdere behandeling van haar asielaanvraag naar een Opvangcentrum (OC) te verwijzen. Verweerder had ten minste moeite moeten doen te achterhalen of wijlen de echtgenoot van verzoekster inderdaad secretaris van de voormalige Congolese minister van Buitenlandse Zaken is geweest. Van zodanig onderzoek is niet gebleken. Evenmin is gebleken van enige aandacht voor de opvatting van de UNHCR over de positie van naar de DRC terug te sturen (alleenstaande) vrouwen.

Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:3
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vreemdelingenbesluit 2000 3.111
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/27156 VRONTN (voorlopige voorziening)

AWB 01/27164 VRONTN (beroep)

inzake: A, geboren op [...] 1978, van Congolese (DRC) nationaliteit, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, verzoekster,

gemachtigde: mr. L. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.L. de Mik, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 22 juni 2001 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 afgewezen. Uit het besluit blijkt dat verzoekster de behandeling van een in te dienen beroep niet in Nederland mag afwachten en dat zij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij beroepschrift van 22 juni 2001, aangevuld bij brief van 28 juni 2001, beroep ingesteld.

2. Bij verzoekschrift van 22 juni 2001 heeft verzoekster de president van deze rechtbank verzocht verweerder te verbieden om verzoekster uit Nederland te verwijderen zolang er nog geen beslissing is genomen op het door verzoekster ingediende beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2001. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.L. Mupanda, tolk in de Lingala taal.

II. FEITEN

In dit geding gaat de president uit van de volgende feiten. Verzoekster is op 4 juni 2001 op Schiphol Nederland binnengekomen en met de trein naar Breda gereisd. Daarna heeft zij zich gemeld bij het Aanmeldcentrum (AC) te Rijsbergen. Op 19 juni 2001 heeft zij zich conform de afspraak gemeld bij het AC Schiphol voor het eerste gehoor. Op 21 juni 2001 is verzoekster te Schiphol met behulp van een tolk in de Franse taal in de gelegenheid gesteld haar aanvraag toe te lichten.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Aan haar asielverzoek heeft verzoekster, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.

Op 8 augustus 1998 is zij gearresteerd door militairen van het Congolese leger Forces Armées Congolaises (FAC). Zij werd gedetineerd in kamp Kampala omdat de Congolese autoriteiten haar verdenken van medeplichtigheid aan rebellie van het Rassemblement Congolais pour la Démocratie (RCD) Goma. De verdenkingen zijn gebaseerd op het feit dat zij een dubbele nationaliteit heeft, haar man een Tutsi uit Burundi was en secretaris was van de voormalige Congolese minister van Buitenlandse Zaken Bizimi Karara. Op 21 augustus 1998 is zij overgebracht naar kamp Kokolo, alwaar zij is ondervraagd, gemarteld en verkracht. Van een bewaker van kamp Kokolo, kapitein Masisi, kreeg verzoekster te horen dat ze ter dood was veroordeeld. Masisi heeft haar op 20 januari 2000 helpen ontsnappen omdat hij verliefd was op verzoekster. Hij heeft haar een militair uniform gegeven, zodat zij samen het kamp konden verlaten. Masisi heeft haar naar kamp Kabila overgebracht. In kamp Kabila heeft verzoekster tot 3 juni 2001 ondergedoken gezeten.

De reden om het land van herkomst te verlaten is dat zij ter is dood veroordeeld en dat zij gezien heeft hoe haar man op 16 september 1999 werd gedood. Op 3 juni 2001 heeft zij het kamp met Masisi verlaten en is zij naar het vliegveld in Kinshasa gegaan. Van daaruit is zij via Kenia naar Nederland gereisd. Op 4 juni 2001 is zij op Schiphol aangekomen.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de aanvraag van verzoeker ten onrechte is afgedaan in het AC. Voorts is zij van mening dat zij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Daartoe voert zij het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtshulpverlener, die met verzoekster het rapport van nader gehoor en het voornemen heeft besproken, geen zienswijze en/of aanvullingen en correcties ingediend. Dit klemt te meer omdat de rechtshulpverlener wel heeft geconstateerd dat verzoekster eigenlijk Lingala sprak en geen of slecht Frans. Onbegrijpelijk is dat er, gelet op het asielrelaas van verzoekster, niet is gewacht met het nabespreken tot er een vrouwelijke rechtshulpverlener aanwezig was. De Wet Ongedocumenteerden kan haar niet worden tegengeworpen omdat deze wet in strijd is met het Vluchtelingenverdrag. Verwezen wordt naar het commentaar van 5 oktober 1998 van UNHCR, dat het in deze wet opgenomen criterium in strijd is met bovengenoemd verdrag. In het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2001/2 wordt voorgeschreven hoe gehandeld moet worden als er aanwijzingen zijn dat het om een getraumatiseerde asielzoeker gaat. Uit niets blijkt dat met deze mogelijkheid rekening is gehouden. Tenslotte wordt geprobeerd contact te leggen met Bizimi Karara om het relaas van eiseres voor zover mogelijk te bevestigen.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning en dat de aanvraag terecht door middel van de AC-procedure is afgedaan. Daartoe voert verweerder het volgende aan. Verzoekster heeft geen documenten overgelegd die haar identiteit, nationaliteit of reisroute kunnen vaststellen. Evenmin heeft zij documenten overgelegd ter staving van haar asielrelaas. Verzoekster heeft verklaard in de Democratische Republiek Congo (DRC) in het bezit te zijn geweest van een nationale identiteitskaart. De verklaring dat zij dit document thuis heeft moeten achtergelaten, leidt niet tot het oordeel dat het ontbreken hiervan haar niet mag worden aangerekend. Haar verklaringen waarom zij nooit een op naam gesteld nationaal paspoort heeft aangevraagd zijn tegenstrijdig en niet aannemelijk. Evenmin aannemelijk is dat zij zowel de Congolese als de Burundese nationaliteit heeft.

De wijze waarop verzoekster haar land via de luchthaven stelt te hebben verlaten komt onwaarschijnlijk over. Niet aannemelijk is dat zij zich eerst heeft moeten verstoppen in een kantoor van een voor haar onbekende maatschappij (DGM) en daarna zonder enige (paspoort)controle naar het vliegtuig is gegaan. De verklaring dat zij heeft gereisd met Air Kenya vanuit Kinshasa via Nairobi naar Amsterdam leidt niet tot het oordeel dat zij heeft meegewerkt aan de vaststelling van de reisroute. Gebleken is dat Air Kenya niet bestaat en dat Kenya Airways nimmer ’s ochtends op Schiphol arriveert. Op Schiphol heeft zij niet onverwijld - onder het gelijktijdig overleggen van alle beschikbare documenten - asiel aangevraagd, hoewel zij heeft verklaard bij de paspoortcontrole op Schiphol haar paspoort te hebben overhandigd.

Niet is gebleken dat verzoekster gegronde redenen had om zich na haar aankomst op Schiphol en nadat er, volgens haar zeggen, een inreisstempel in het door haar overhandigde document was gezet, alsnog van haar reispapieren te ontdoen door deze aan haar begeleidster af te geven.

De door haar aangedragen motieven om haar land van herkomst te verlaten zijn op zichzelf niet toereikend voor een gegrond beroep op vluchtelingschap. Er wordt geen geloof gehecht aan de stelling dat verzoekster vanwege haar echtgenoot en vanwege vermeende betrokkenheid bij de rebellen van RCD Goma is gearresteerd, gedetineerd en ter dood veroordeeld. Hiertoe is redengevend dat zij in het eerste gehoor heeft verklaard dat haar Burundese echtgenoot en haar kinderen van Hutu-afkomst zijn. Later heeft zij verklaard dat zij van Tutsi-afkomst zijn. De verklaringen omtrent de arrestatie van haar echtgenoot en wanneer precies de problemen zijn begonnen, zijn niet consistent. Voorts stelt zij dat zij vanwege de commotie rond de moord op Kabila uit het kamp Kokolo op 19 januari 2000 heeft kunnen ontsnappen, terwijl Kabila dit jaar (2001) is vermoord.

De verklaring dat een kapitein uit het leger haar heeft helpen ontsnappen is niet aannemelijk, omdat zij heeft verklaard dat zij door de autoriteiten wordt gezocht. Haar verklaring dat de kapitein voor haar, na een onderduikperiode van anderhalf jaar, een reis naar Nederland heeft geregeld om haar in Nederland te kunnen huwen, versterkt de ongeloofwaardigheid van haar relaas.

Voorts wordt verwezen naar het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 12 mei 1999 (DPC/AM-640330). De algehele situatie in DRC is niet zodanig dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling kunnen worden beschouwd.

De verklaringen van verzoekster leiden niet tot conclusie dat zij als tegenstander van de Congelese autoriteiten wordt beschouwd. Zij is nimmer lid of sympathisant geweest van een politieke partij of beweging, is nooit politiek actief geweest en evenmin gearresteerd, gedetineerd of mishandeld door autoriteiten van haar land. Voorts is niet aannemelijk dat zij in haar land van herkomst gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verzoekster komt niet in aanmerking voor verblijfsvergunning op grond van artikel 29, lid 1 onder c van de Vw 2000. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen is overwogen met betrekking tot de geloofwaardig- en aannemelijkheid van de door verzoekster aangevoerde asielmotieven.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen dan wel het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen. Het verzoek moet onder meer worden toegewezen indien het belang van verzoekster bij de gevraagde voorziening zwaarder dient te wegen dan verweerders belang bij onmiddellijke uitvoering van zijn besluit. In deze belangenafweging speelt een rol het voorlopig oordeel van de president over de rechtmatigheid van het besluit om de uitzetting niet achterwege te laten. Dit besluit is onrechtmatig indien het is genomen in strijd met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoekster is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

3. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur. Deze procedure leent zich slechts voor die verzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist. Dat laatste is het geval indien in redelijkheid buiten twijfel is dat bij terugzending van verzoeker naar het land van herkomst geen gevaar voor vervolging c.q. schending van artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bestaat.

4. De president stelt voorop dat de door verweerder genomen beslissing dat de aanvraag van verzoekster van dien aard was dat zij nader in het AC kon worden gehoord (de zogenoemde ‘procesbeslissing’ zoals bedoeld in hoofdstuk C3/12.8 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, hierna ook ‘de procesbeslissing’ te noemen), niet is aan te merken als een loutere voorbereidingsbeslissing als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. De aard van deze beslissing is zodanig ingrijpend en roept ook zodanige rechtsgevolgen in het leven dat zij niet geacht kan worden alleen betrekking te hebben op de voorbereiding van het te nemen besluit. Als het tegendeel al zou moeten worden aangenomen, trof deze beslissing verzoekster overigens, ook los van het voor te bereiden besluit als zodanig, rechtstreeks in haar belang. Daartoe wijst de president met name op artikel 3.112, lid 1 aanhef en onder b van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, ingevolge welke bepaling verzoekster als gevolg van de procesbeslissing geen aanspraak meer had op de ingevolge art. 3.111, lid 1 van het Vb voorgeschreven wachttijd van zes dagen.

5. De president stelt voorts vast dat uit het procesdossier niet eenduidig blijkt op grond waarvan in de onderhavige zaak de beslissing is genomen dat de aanvraag van verzoekster van dien aard was dat, in de bewoordingen van de Vc „op voorhand“ gekozen kon worden voor het vervolgen van de procedure in het AC. Met name met betrekking tot de vraag op welke gronden de hiervoor bedoelde procesbeslissing is genomen is de verslaglegging in het dossier uitermate summier. Uit het overzicht betreffende de voortgang van de procedure op het AC-Schiphol kan immers wel worden afgeleid dat op 20 juni 2001 om 11.10 uur door iemand is "geantwoord" dat de zaak "AC kon worden afgedaan", maar niet op grond waarvan dit is gebeurd. Ook wanneer rekening wordt gehouden met het niet-cumulatieve karakter van de in de Vc genoemde indicaties wordt de asielzoeker op onaanvaardbare achterstand gezet als bij de procesbeslissing niet op kenbare en zorgvuldige wijze blijkt dat en waarom voor deze wijze van afdoening wordt gekozen. Dit geldt te meer als, zoals in casu het geval is, niet duidelijk blijkt of en wanneer deze beslissing ter kennis van de asielzoeker is gekomen.

6. Ter zitting is namens verweerder meegedeeld dat de hoofdreden waarom in de onderhavige zaak is besloten tot afdoening via het AC-model waarschijnlijk hierin was gelegen dat verzoekster Nederland ongedocumenteerd is ingereisd. De president verstaat die mededeling aldus dat verweerder er ten tijde van de procesbeslissing vanuit is gegaan dat verzoekster niet-geloofwaardige verklaringen over haar identiteit, nationaliteit en/of reisroute had afgelegd, dan wel niet aan de vaststelling daarvan had meegewerkt, -zulks in de zin van hoofdstuk C3/12.8 van de Vc. Over de mogelijke andere redenen die een rol hebben gespeeld is de gemachtigde van verweerder niet in bijzonderheden getreden. De gemachtigde heeft, onder verwijzing naar rechtspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, daaraan toegevoegd dat verweerder alleen achteraf, dat wil zeggen door middel van de uiteindelijk op de aanvraag genomen beslissing, verantwoording over de procesbeslissing behoeft af te leggen, en daarbij bepalend is of aan het eind van het AC-traject kan worden geoordeeld dat aan de te stellen zorgvuldigheidseisen is voldaan.

7. De president stelt voorop dat de Vw noch het Vb criteria bevat voor de vraag wanneer een asielaanvraag na het afsluiten van de eerste fase via de AC-procedure kan worden afgedaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat uitdrukkelijk niet is gekozen voor een inhoudelijk criterium, maar dat van doorslaggevend belang is geacht of zorgvuldig onderzoek binnen de daarvoor in het kader van de AC-procedure geldende termijn(en) mogelijk zou zijn. De president wijst er tevens op dat artikel 4:2, lid 2 van de Awb, bepalende dat de aanvrager de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, zijn gelding door de inwerkingtreding van de Vw 2000 niet heeft verloren.

8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de keuze voor de procesbeslissing in het onderhavige geval niet mocht worden genomen, tenzij uit de in de eerste fase verkregen onderzoeksresultaten concrete aanknopingspunten naar voren waren gekomen voor het vermoeden dat de door verzoekster in het eerste gehoor afgelegde verklaringen ten aanzien van haar identiteit, nationaliteit en/of reisroute als niet-geloofwaardig mochten worden bestempeld dan wel dat zij aan de vaststelling daarvan niet had meegewerkt en die concrete aanwijzingen kenbaar en gemotiveerd uit de genomen procesbeslissing zijn gebleken. Een andere lezing van hoofdstuk C3/12.8 van de Vc doet zowel onvoldoende recht aan de door verweerder zelf geformuleerde beleidsregels, alsook aan het bijzondere - en uitzonderlijke - karakter van de AC-procedure.

9. Zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, is de in de Vc voor gevallen als de onderhavige neergelegde regeling, zoals door de president opgevat, niet op voor verzoekster kenbare en gemotiveerde wijze nageleefd, en dient het beroep daarom in beginsel gegrond te worden verklaard. Verweerder kan worden toegegeven dat het niet ondenkbaar is dat achteraf blijkt dat de te stellen eisen van zorgvuldigheid door keuze voor de afdoening via de AC-procedure niet zijn geschonden en/of dat de aanvrager door die wijze van afdoening niet in zijn belangen is geschaad. In die gevallen - die zich in de onderhavige zaak niet voordoen, zoals hierna nog zal blijken - is echter niettemin sprake van een, hoewel mogelijk reparabel, aan de besluitvorming in het AC-traject klevend gebrek. De opvatting van verweerder dat hij zich uitsluitend achteraf, en door middel van de uiteindelijk op de aanvraag genomen beslissing, voor het gevolgde traject behoeft te verantwoorden is derhalve onjuist, indien en voorzover daarmee wordt betoogd dat de procesbeslissing als zodanig niet (zelfstandig) aan rechterlijke controle is onderworpen. In aanvulling op hetgeen dienaangaande hiervoor in rechtsoverweging IV.8 is overwogen, wordt daartoe nog het volgende opgemerkt.

10. De keuze van verweerder voor afdoening via de AC-procedure heeft onder meer tot gevolg dat de in artikel 3.111, lid 1 van de Vb voorgeschreven wachttijd van zes dagen niet in acht hoeft te worden genomen. Dat gevolg zal voor degene die asiel vraagt soms zeer ingrijpend zijn. Te denken valt daarbij aan diegenen die, na een soms langdurige en gecompliceerde reis, nog maar nauwelijks zijn ontkomen aan een situatie die onder meer werd gekenmerkt door een vergaande mate van spanning en onzekerheid. Dit klemt te meer als die spanning en onzekerheid zijn veroorzaakt door in het land van herkomst ondergane gebeurtenissen van traumatiserende aard.

10.1 Van belang is voorts dat uit artikel 3:2 van de Awb volgt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit verplicht is de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te vergaren. Naarmate de tijd korter is - in de onderhavige situatie, te rekenen vanaf de procesbeslissing, 24 procesuren - staat deze verplichting onder grotere druk.

10.2 Afdoening van een asielzaak via de AC-procedure kan spanning met de hiervoor genoemde gevolgen en verplichtingen opleveren. Daarbij is niet alleen van belang dat ingevolge artikel 3.110 van het Vb bij het eerste gehoor (juist) geen vragen mogen worden gesteld omtrent 'de beweegredenen van de aanvraag'.

11. De president is van oordeel dat uit het geheel van de door verzoekster afgelegde verklaringen nòch volgt dat haar bij het eerste gehoor omtrent haar identiteit, nationaliteit en/of reisroute afgelegde verklaringen op voorhand zonder meer als niet-geloofwaardig konden worden aangemerkt, noch ook dat de nadien verkregen onderzoeksresultaten het vastgestelde gebrek in het besluitvormingstraject kunnen worden geheeld. Daartoe is het volgende redengevend.

12. Onduidelijk is gebleven op grond waarvan verweerder de juistheid van de door verzoekster bij het eerste gehoor gedane opgaven omtrent haar identiteit en (dubbele) nationaliteit in die mate in twijfel heeft getrokken dat die opgaven als ongeloofwaardig dienden te worden aangemerkt. Nu verzoekster bij die gelegenheid (p. 5) heeft aangegeven dat zij haar (kapsters)diploma niet naar Nederland heeft meegenomen omdat zij op 8 augustus 1998 werd opgepakt, waarna zij (p. 11) tot

3 juni 2001 gedetineerd is gebleven, en (p. 10) dat hetzelfde gold voor de identiteitskaart die zij omstreeks 1996/1997 verkreeg, valt niet in te zien op grond waarvan deze mededelingen tot het door verweerder gegeven ongeloofwaardigheidsoordeel hebben kunnen bijdragen. Ook de omstandigheid dat zij heeft verklaard nooit een (Congolees) paspoort te hebben aangevraagd, kan niet zonder meer leiden tot het aannemen van ongeloofwaardigheid van haar identiteit en/of nationaliteit. Het ontgaat de president waarom hetgeen verzoekster in dat verband tijdens het eerste gehoor heeft verklaard (p. 6) op voorhand geen geloof zou verdienen. Het is immers van algemene bekendheid dat personen die door de Congolese autoriteiten gelieerd worden aan oorspronkelijk uit Burundi afkomstige Hutu's (als verzoekster) in Congo op die grond ook van de Congolese autoriteiten, en met name in Oost-Congo, sinds geruime tijd problemen kunnen ondervinden.

Gelet voorts op haar mededeling dat haar overleden vader de Congolese nationaliteit bezat, terwijl haar - eveneens overleden - moeder de Burundese nationaliteit had, lijkt immers heel wel mogelijk dat zij (en haar dochters) beide nationaliteiten hebben. Dat de Congolese autoriteiten zich mogelijk op een ander standpunt stellen doet daar niet zonder meer aan af.

12.1 Ten aanzien van de door verzoekster opgegeven bijzonderheden met betrekking tot haar reisroute sinds zij - volgens haar opgave - Congo op 3 juni 2001 op illegale wijze verliet is de president van oordeel dat ook daaruit niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat haar relaas ook in zoverre geen geloof verdient. Daarbij is van belang dat uit het door verzoekster tijdens het eerste gehoor gedane relaas volgde dat verzoekster vanaf 8 augustus 1998 bijna 3 jaar lang onafgebroken in militaire gevangenissen en kampementen van haar vrijheid beroofd was, in welke periode zij niet alleen haar man heeft verloren (in de Kokolo-gevangenis in Kinshasa, waar verzoekster toen ook zelf verbleef), maar ook zonder enig bericht over haar twee minderjarige kinderen is gebleven. De president wijst er daarbij op dat uit de stukken niet blijkt dat verzoekster tijdens het nader gehoor is gevraagd als gevolg waarvan haar echtgenoot is overleden. Onder deze omstandigheden is - ook zonder rekening te houden met het buitengewoon ingrijpende sexuele geweld waar verzoekster volgens de door haar tijdens het nader gehoor afgelegde verklaring vrijwel die gehele periode aan is onderworpen - de (kennelijk) door verweerder getrokken conclusie dat zij te weinig bijzonderheden heeft meegedeeld over de wijze waarop verzoekster aan boord van het vliegtuig is gekomen dat haar en haar begeleidster eerst naar Kenya heeft gebracht, en van daaruit naar Nederland, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Dat geldt temeer nu verzoekster bij het eerste gehoor heeft aangegeven "dat haar hoofd niet functioneerde" (p. 6), "hoofdpijn te hebben" (p.7), en, toen haar naar haar (meer) bijzonderheden over de reis werd gevraagd, "Ik was met heel veel dingen bezig in mijn hoofd. Ik kan niet alles onthouden wat ik heb meegemaakt" (p. 14). Anders dan verweerder hecht de president tenslotte geen overwegende betekenis aan de omstandigheid dat verzoekster in het eerste gehoor heeft aangegeven op 19 januari 2000 vanuit de Kokolo-gevangenis in Kinshasa naar het Kabila-kamp in dezelfde stad te zijn overgebracht. Op dat moment was er voor verweerder immers geen enkele reden de betrouwbaarheid van deze mededeling in twijfel te trekken.

13. De president houdt voorts rekening met het volgens een concept-ambtsbericht over de situatie in de DRC (in het bijzonder de situatie in verband met asielprocedures betreffend) recentelijk door de UNHCR ingenomen standpunt dat alleenstaande moeders met kinderen na afwijzing van hun asielaanvraag in Congo het risico lopen vervolgd te worden, al was het maar op grond van hun vlucht naar het buitenland. Op grond van al het voorgaande, maar bepaald ook op grond van deze passage in het concept-ambtsbericht, lag het naar het oordeel van de president - minst genomen - geenszins voor de hand tot afdoening via de AC-procedure te besluiten. De president merkt in dit verband op dat verzoekster in het eerste gehoor reeds had verklaard (p. 5) dat haar overleden echtgenoot, B, tot de datum van zijn arrestatie in 1998 voor de vroegere Congolese minister (van Buitenlandse Zaken) Bizimi Karara werkte.

14. De vraag die tenslotte ter beantwoording voorligt is of er aanleiding bestaat aan het in rechtsoverwegingen IV.8 en IV.9 geconstateerde gebrek voorbij te gaan. Het antwoord op die vraag kan niet anders dan ontkennend zijn. Nog afgezien van de omstandigheid dat verzoekster er ook in het nader gehoor weer, en bij herhaling, blijk van heeft gegeven dat haar toestand te wensen overliet (op de vraag - p.2 - hoe zij zich nu voelde was haar eerste antwoord "Het gaat niet"), heeft het na de procesbeslissing ingestelde onderzoek immers onvoldoende feiten en omstandigheden opgeleverd, die de conclusie rechtvaardigen dat (uiteindelijk) sprake is geweest van een wijze van afdoening die zorgvuldig genoeg was en/of dat verzoekster door de keuze voor de AC-procedure niet in haar belangen is geschaad. Daartoe wordt vooropgesteld dat de tijdens het nader gehoor naar voren gekomen bijzonderheden met betrekking tot de lotgevallen van verzoekster in de periode augustus 1998 tot juni 2001, mede gelet op TBV 2000/2, op zichzelf al aanleiding hadden dienen te zijn verzoekster voor de verdere behandeling van haar asielaanvraag naar een Opvangcentrum (OC) te verwijzen. Mede gelet op het feit dat verzoekster heeft verklaard dat de huidige president van de DRC, Joseph Kabila, de eerste was die haar na haar aankomst in de Kokolo-gevangenis verhoorde, had verweerder voorts tenminste moeite moeten doen te achterhalen of wijlen de echtgenoot van verzoekster inderdaad secretaris van de voormalige Congolese Minister van Buitenlandse Zaken is geweest. Van zodanig onderzoek is niet gebleken. Evenmin is gebleken van enige aandacht voor opvatting van de in rechtsoverweging IV.13 weergegeven opvatting van de UNHCR. Daaraan kan niet afdoen, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht, dat de opvatting van de UNHCR slechts in een concept-ambtsbericht voorkomt. In plaats daarvan, en in het onderhavige geval ten onrechte, is verweerder overwegende betekenis blijven toekennen aan enkele als ongerijmdheden bestempelde onderdelen van haar relaas die slechts ten dele de kern van dat relaas betreffen, - en waarvoor verzoekster bovendien, voorzover dat op dat moment in haar vermogen lag, een niet op voorhand ongeloofwaardige verklaring heeft gegeven. Zo is onduidelijk op grond waarvan verweerder aan de verklaring van verzoekster (p. 7) dat in het eerste gehoor ten onrechte was vermeld dat zij had verklaard dat wijlen haar echtgenoot een Hutu was (en geen Tutsi) geen betekenis heeft gehecht. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat verweerder ten nadele van verzoekster heeft uitgelegd dat zij in het nader gehoor (onder meer p. 4) heeft verklaard dat wijlen haar echtgenoot op 16 september 1998 is gedood, en niet op 17 september 1998, zoals zij bij het eerste gehoor had verklaard. Ook de in het eerste gehoor door verzoekster gedane mededeling dat zij op 19 januari 2000 uit de Kokolo-gevangenis is kunnen ontkomen, vanwege de toen bestaande commotie rond de moord op de voormalige president Kabila is door verzoekster in het nader gehoor (p. 13) zelf gecorrigeerd. Onduidelijk is gebleven waarom verweerder aan die correctie - die gelet op het geheel van de in aanmerking komende omstandigheden, waaronder de gestelde lange duur van de detentie en al hetgeen zij in die periode, naar gesteld, heeft moeten ondergaan niet zonder meer ongeloofwaardig kan worden genoemd - geen betekenis heeft toegekend. Aan het voorgaande dient te zwaarder te worden getild nu uit de op 20 juni 2001 door de toen aanwezige advocaat aan de IND was bericht dat het als gevolg van de gebrekkige beheersing van de Franse taal van verzoekster moeilijk was het eerste gehoor met haar door te nemen.

Het voorgaande wordt niet anders nu verweerder blijkens het dossier op 21 juni 2001 door een functionaris van Kenya Airways is meegedeeld dat een luchtvaartonderneming met de naam Air Kenya niet bestaat, en dat Kenya Airways op Schiphol dagelijks altijd om 17.55 uur arriveert. In dit verband is van belang dat verzoekster bij het eerste gehoor (p. 12) naar aanleiding van de vraag met welke luchtvaartmaatschappij zij heeft gevlogen heeft geantwoord: "Ik heb niet goed opgelet. Ik geloof dat het Air Kenia was". Ten aanzien van de ongerijmdheid die in het door verzoekster gestelde tijdstip van aankomst van het vliegtuig op Schiphol zou zijn gelegen, merkt de president op dat aan de mededeling van de functionaris van Kenya Airways reeds hierom niet zonder meer doorslaggevende betekenis toekomt omdat daaruit niet volgt dat verzoekster niet, naar zij heeft gesteld (eerste gehoor, p. 13), "in de ochtenduren van 4 juni 2001" op Schiphol aangekomen kan zijn. Gelet op het feit dat van algemene bekendheid is dat ook bij intercontinentale vluchten soms van aanzienlijke vertraging sprake kan zijn, is onduidelijk waarom verweerder zich niet de moeite heeft gegeven het daadwerkelijke tijdstip van aankomst van deze vlucht te verifiëren.

14.1 Dat in deze zaak - al dan niet als gevolg van het niet naleven van hoofdstuk C3/12.8 van de Vc, zoals door de president uitgelegd - blijkens het procesdossier niet alleen geen standpunt van een rechtshulpverlener voorlag over de zogenaamde AC-waardigheid van de onderhavige aanvraag, maar door de op dat moment dienstdoende advocaat ook aan de IND is doorgegeven dat er geen correcties en aanvullingen op het nader gehoor zouden volgen, noch ook (zelfs) een zienswijze op het voornemen de aanvraag af te wijzen, maakt het vorenstaande niet anders.

15. Uit het voorgaande volgt dat de aanvraag ten onrechte in de AC-procedure is afgewezen. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoekster zal dan ook, wegens de hiervoor omschreven motiveringsgebreken, gegrond worden verklaard. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van beide zaken bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

V. BESLISSING

De president

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/27164 VRONTN:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 22 juni 2001;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 01/27156 VRONTN:

4. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

in beide zaken:

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420 ,-- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan verzoeker;

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2001 door

mr. W. J. van Bennekom, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. P.J. van de Pol, griffier.

Afschrift verzonden op: 12 juli 2001