Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6674

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-12-2001
Datum publicatie
04-12-2001
Zaaknummer
09-753066-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-753066-01

rolnummer 0004

's-Gravenhage, 3 december 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te Kenitra (Marokko),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 november 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr H.F. van Kregten, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr Boersma heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding telastgelegde onder 2 primair wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 3 en 4 zullen worden onttrokken aan het verkeer, en dat het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 2 zal worden teruggegeven aan verdachte.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van [het slachtoffer] tot een bedrag van fl. 22.500,00, alsmede tot hoofdelijke toew [benadeelde partij] elk tot een bedrag van fl. 7.500,00.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte hoofdelijk de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot fl 22.500,00 subsidiair 125 dagen hechtenis ten behoeve van [slachtoffer] alsmede drie bedragen ieder groot fl. 7.500,00, met telkens 75 dagen vervangende hecht[benadeelde partijen 2, 3 en 4]]

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder 2 primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen straf het navolgende overwogen.

Verdachte heeft zich met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende beroving in een woning. Verdachte is tezamen met zijn mededader een woonhuis waarin een gezin bestaande uit een vader, een moeder en twee kinderen aanwezig was binnengedrongen en zij hebben de slachtoffers op gewelddadige wijze overrompeld en bedreigd. Daarbij hebben zij de vader onder schot gehouden en hem gekneveld. Ook werd deze bewoner een vuistslag gegeven, waardoor hem pijn werd toegebracht. Uiteindelijk hebben verdachte en zijn mededader de ouders opgesloten in een kast. Aldus hebben verdachte en zijn mededader de slachtoffers op hardhandige en buitengewoon bedreigende wijze een aanzienlijk geldbedrag en andere goederen afhandig gemaakt, waarbij die slachtoffers oprecht hebben kunnen vrezen voor hun leven.

De rechtbank rekent het verdachte bijzonder ernstig aan dat bij deze overval twee kinderen in de leeftijd van negen en veertien jaar er getuige van zijn geweest dat er op hun vader geruime tijd een vuurwapen is gericht geweest en dat op hem geweld werd toegepast. Het feit dat kinderen deel uitmaakten van het betrokken gezin was aan de daders tevoren bekend. Het is van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke misdrijven daarvan nog lang schade kunnen ondervinden in de vorm van psychische klachten.

Ernstige geweldsmisdrijven als de onderhavige doen bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving toenemen. Verdachte heeft zich van dit alles echter geen enkele rekenschap gegeven en slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank weegt voorts nadrukkelijk mee dat verdachte als initiatiefnemer en leidende figuur van de gewapende overval kan worden aangemerkt. Reeds op grond van dit vergrijp is, uit het oogpunt van vergelding en normhandhaving, een lange vrijheidsstraf geïndiceerd.

Bij het plegen van voornoemd feit hebben verdachte en zijn mededader daarenboven gebruik gemaakt van een personenauto, waarvan zij redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat deze van een misdrijf afkomstig was. Heling is een feit dat bijdraagt aan de instandhouding van de afzetmarkt voor van misdrijf afkomstige voorwerpen en dat bijgevolg bestreden dient te worden.

Daarnaast heeft verdachte zich, met een mededader, schuldig gemaakt aan diefstal met braak uit een garagebedrijf. Door deze inbraak werd veel schade toegebracht aan de benadeelde, zowel als gevolg van het wegnemen door verdachte van geld en goederen, als door de wijze waarop hij deze zaken onder zijn bereik heeft gebracht. Bedrijfsinbraken zijn zeer ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel overlast veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven.

Verdachte heeft tenslotte - zonder daartoe te zijn gemachtigd - een vuurwapen in de zin van de Wet wapens en munitie voorhanden gehad, te weten een knalsein waarmee blijkens een proces-verbaal van de technische recherche onder meer een granaatinslag of een mijnexplosie kan worden nagebootst. Het ongeoorloofde bezit van dergelijke voorwerpen brengt het risico met zich mee dat de bezitter ervan deze in een voorkomend geval zal gebruiken met alle mogelijke gevolgen voor anderen van dien en dient derhalve krachtig te worden tegengegaan.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 16 juli 2001 niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een vrijheidsstraf van na te melden duur passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen aan verdachte toebehorende voorwerpen genummerd 1, 3 en 4, te weten - respectievelijk - een kolf, een alarmpistool en een seinlicht onttrekken aan het verkeer, zijnde de voorwerpen genummerd 1 en 3 voor onttrekking aan het verkeer vatbaar daar zij aangetroffen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten en deze voorwerpen voorts van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang en zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als ten laste van verdachte is bewezenverklaard en zijnde het voorwerp genummerd 4 voor onttrekking aan het verkeer vatbaar daar het onder 4 telastgelegd en bewezenverklaard feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan en ook dat voorwerp van zodanig aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 2, te weten een telefoontoestel.

De vorderingen van de benadeelde[slachtoffer]devergoedingsmaatregelen.

[Benadeelde partij 1], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot fl. 22.500,00

Deze vordering is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 1 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat [het slachtoffer] ontvankelijk is in zijn vordering en deze toewijzen.

Voorts hebben zich als [benadeelde partijen 2, 3 en 4], ieder ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot fl. 7.500,00

Deze vorderingen zijn voldoende onderbouwd, terwijl die vorderingen, die eenvoudig van aard zijn, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - hun grondslag vinden in het bij dagvaarding onder 1 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partijen genaamd [benadeelde partij] ontvankelijk zijn in hun vorderingen en deze toewijzen.

Verdachte en zijn mededader worden hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van voornoemde schadebedragen.

Nu verdachte jegens bovengenoemde slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan hen door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot fl 22.500,00, alsmede van drie bedragen groot fl. 7.500,00 ten behoeve van slachtoffers (respectievelijk) genaamd [slachtoffer], [benadeelde partij]. De rechtbank zal tevens de duur van de vervangende hechtenis bepalen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 24c, 36b, 36c, 36d, 36f, 47, 57, 310, 311, 312 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 2 primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. feit 1 primair:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD EN GEVOLGD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN EN OM, BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

t.a.v. feit 2 subsidiair:

MEDEPLEGEN VAN SCHULDHELING;

t.a.v. feit 3:

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT EN HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK;

t.a.v. feit 4:

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN DE CATEGORIE II;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en zes maanden;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 12 juli 2001;

in voorlopige hechtenis gesteld op: 16 juli 2001;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 3 en 4, te weten -respectievelijk- een kolf, een alarmpistool en een seinlicht;

gelast de teruggave aan verdachte van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 2, te weten telefoontoestel;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de [ben[slachtoffer] toe tot een bedrag van fl. 22.500,00 (EUR 10.210,05) en veroordeelt verdachte hoofdelijk:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], wonende te 2751 BA Moerkapelle, Dorpsstraat 40 een bedrag van fl 22.500,00 (EUR 10.210,05) met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot fl. 22.500,00 (EUR 10.210,05) ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 31 dagen;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij] toe tot een bedrag van fl. 7.500,00 (EUR 3403,35) per benadeelde partij en veroordeelt verdachte:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partijen [benadeelde partij], allen wonende te te 2751 BA Moerkapelle, Dorpsstraat 40 een bedrag van fl. 7.500,00 (EUR 3.403,35) per benadeelde partij met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van 3 bedragen, elk groot fl. 7.500,00 (EUR 3.403,35) ten behoeve van de slachtoffers genaamd [benadeelde partij];

bepaalt ten aanzien van elk afzonderlijk bedrag van fl. 7.500,00 (EUR 3.403,35) dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van dat bedrag van fl. 7.500,00 (EUR 3.403,35) volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - telkens vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 18 dagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partijen in mindering strekken op de betaling aan de Staat;

bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij;

met bepaling dat indien en voorzover verdachtes mededader genaamd [mededader] aan de voormelde betalingsverplichtingen zal hebben voldaan, verdachte door die betaling zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door mrs Quadekker, voorzitter, Van Wesenbeeck en Pereira Horta, rechters, in tegenwoordigheid van mr De Jong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 december 2001.