Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6666

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-06-2001
Datum publicatie
04-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/23984
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / artikel 59, derde lid, Vw 2000.

De vreemdeling, van Bulgaarse nationaliteit, is op 5 juni in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000. Ter zitting heeft de vreemdeling aangevoerd al vóór de inbewaringstelling in het bezit te zijn van een vliegticket naar Varna met vertrekdatum 27 juni 2001. Uit de processtukken blijkt niet van het bestaan van een vliegticket. Eerst naar aanleiding van een schorsing van het onderzoek ter zitting is verweerder gekomen met nadere informatie waaruit blijkt dat reeds op 6 juni het paspoort en het vliegticket met de vreemdeling zijn opgehaald van zijn laatste verblijfplaats. Door het ontbreken van deze informatie, die relevant is voor de vraag of de bewaring terecht is opgelegd, heeft verweerder aanvankelijk niet voldaan aan de verplichting alle voor de beoordeling van de zaak relevante informatie in te zenden. Voorts blijkt op geen enkele wijze dat door verweerder een afweging is gemaakt of en in hoeverre artikel 59, derde lid, Vw 2000, zou hebben moeten leiden tot het afzien van het toepassen van de maatregel van bewaring.

Beroep gegrond, toewijzing verzoek om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Assen

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 01/23984 VRWET Z CM

uitspraak: 15 juni 2001

U I T S P R A A K

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1964 te Kyspat,

van Bulgaarse nationaliteit,

P R O C E S V E R L O O P

Namens de Staatssecretaris van Justitie is de rechtbank op 7 juni 2001 op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het besluit van 5 juni 2001 tot oplegging van de maatregel van bewaring, tegen welk besluit de vreemdeling geen beroep heeft ingesteld.

Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een eerste door de vreemdeling ingesteld beroep tegen de maatregel van bewaring.

De vreemdeling is, bijgestaan door mr. S.E. de Jong, advocaat te Assen, op 14 juni 2001 ter zitting gehoord. Ter zitting was een tolk in de Bulgaarse taal aanwezig.

Namens de Staatssecretaris van Justitie is dhr. F. Egbers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, verschenen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht de bewaring niet op te heffen.

De rechtbank heeft de behandeling van het onderzoek ter zitting ingevolge artikel 8:64 Awb geschorst. Ter zitting hebben partijen toestemming gegeven de zaak buiten zitting af te doen.

Verweerder heeft bij faxbericht van onderscheidenlijk 12 en 15 juni 2001 aan de rechtbank aanvullende stukken doen toekomen.

Bij brief van 15 juni 2001 heeft de mr. S.E. de Jong, advocaat te Assen, namens de vreemdeling een reactie gestuurd.

R E C H T S O V E R W E G I N G E N

Op 5 juni 2001 om 21.00 uur is de vreemdeling aangehouden terzake van overtreding van artikel 76A van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Den Haag, inhoudende het verbod om alcohol op de openbare weg te nuttigen. Na de aanhouding is de vreemdeling overgebracht naar het politiebureau alwaar hij een aankondiging van beschikking uitgereikt heeft gekregen.

De vreemdeling beschikte over een Bulgaars rijbewijs, aan de hand waarvan zijn identiteit en nationaliteit kon worden vastgesteld, en heeft te kennen gegeven illegaal hier te lande te lande verblijven. Op 5 juni 2001 om 22.00 uur is de vreemdeling heengezonden en overgedragen aan de vreemdelingenpolitie. Vervolgens is de vreemdeling om 22.00 uur staande gehouden en opgehouden ingevolge artikel 50, eerste en tweede lid, Vw 2000.

Verweerder heeft met het oog op de uitzetting van de vreemdeling bij besluit van 5 juni 2001 de maatregel van bewaring opgelegd, nu naar het oordeel van verweerder de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en het belang van de openbare orde deze maatregel vordert (artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000).

Ter zitting heeft de vreemdeling aangevoerd al vóór de inbewaringstelling in het bezit te zijn geweest van een vliegticket naar Varna (Bulgarije) met vertrekdatum 27 juni 2001. Desgevraagd heeft de vreemdeling verklaard dit ticket op 2 of 3 juni 2001 in Amsterdam te hebben gekocht en dat dit door de politie in beslag is genomen.

Namens de vreemdeling is erop gewezen dat in het onderhavige geval de bewaring een disproportioneel middel is, nu de vreemdeling in bezit is van een identiteitsbewijs, al van plan was terug te keren naar Bulgarije en daartoe ook een ticket met terugkeerdatum in bezit heeft. Namens de vreemdeling is verzocht de bewaring op te heffen en schadevergoeding toe te kennen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder geen verklaring kunnen geven omtrent de eventuele aanwezigheid van een vliegticket.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de processtukken zoals aangeleverd door verweerder (voor 14 juni 2001) blijkt niet van het bestaan van een vliegticket. Eerst naar aanleiding van de stelling van de vreemdeling ter zitting, dat hij zelf een vliegticket heeft aangeschaft, en de daarop volgende schorsing van het onderzoek ter zitting, is verweerder gekomen met nadere informatie. Uit het aanvullend proces-verbaal, opgemaakt op 15 juni 2001, is het navolgende gebleken: Op 6 juni 2001 zijn het paspoort en het vliegticket met de vreemdeling opgehaald van zijn laatste verblijfplaats. Op dit ticket is als datum voor de terugreis 27 juni 2001 aangegeven. Door verbalisant is (tevergeefs) gepoogd het vliegticket om te zetten om het vertrek naar een eerdere datum te verplaatsen. Naar aanleiding hiervan is een vluchtboeking aangevraagd bij de KMAR te Schiphol.

Kennelijk heeft de vreemdeling al tijdens de staandehouding melding gemaakt van het feit dat hij over een vliegticket voor Bulgarije beschikte. Door het ontbreken van deze informatie, die relevant is voor de beoordeling van de vraag of de bewaring terecht is opgelegd, heeft verweerder aanvankelijk niet voldaan aan de verplichting alle voor de beoordeling van de zaak relevante informatie in te zenden. Voorts blijkt op geen enkele wijze dat door verweerder een afweging is gemaakt of en in hoeverre artikel 59, derde lid, Vw 2000, zou moeten leiden tot het afzien van het toepassen van de maatregel van bewaring. Op grond hiervan is het besluit om over te gaan tot het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gemotiveerd en is de bewaring van aanvang af onrechtmatig te achten.

Het beroep is derhalve gegrond.

Aan de orde is vervolgens de vraag of de onrechtmatigheid van de bewaring tot toekenning van het verzoek om schadevergoeding dient te leiden. De rechtbank is van oordeel dat bij (zoals in casu) onrechtmatig bevonden bewaring in beginsel - dat wil zeggen behoudens de aanwezigheid van gronden van billijkheid die tot matiging kunnen leiden - aanspraak bestaat op schadevergoeding. Bij de beantwoording van de vraag of zich deze gronden van billijkheid voordoen dient enerzijds acht te worden geslagen op de aard van de door verweerder geschonden norm en de ernst van deze schennis, terwijl anderzijds - zonodig - mede in aanmerking dient te worden genomen in welke mate de vreemdeling in strijd met de vreemdelingenwetgeving heeft gehandeld.

De rechtbank stelt in dit kader vast dat de reden waarom de bewaring onrechtmatig is geoordeeld is gelegen in de schending van materiële wetgeving welke zo zeer de kern van de door verweerder - mede jegens de vreemdeling - in acht te nemen waarborgen raakt dat matiging slechts in uitzonderlijke omstandigheden in aanmerking zal komen. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken.

De rechtbank ziet dan ook aanleiding de vreemdeling ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 Vw 2000 toe te kennen.

Nu de vreemdelingenrechtelijke vrijheidsbeneming van aanvang af onrechtmatig is geweest, komt de vreemdeling een bedrag toe van 3 x f 200,- voor de ten onrechte op het politiebureau doorgebrachte dagen en 7 x f 150,- voor de ten onrechte in het huis van bewaring doorgebrachte dagen. In totaal wordt een bedrag van f 1650,- toegekend.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van de bewaring met ingang van heden;

- kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van f 1650,- (zegge: zestienhonderd vijftig gulden);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad. f 710,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden.

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, voor partijen hoger beroep open. Bij het beroepschrift dient een afschrift van de bestreden uitspraak te worden gevoegd. Het beroepschrift dient binnen één week na verzending van de uitspraak te worden ingediend bij de Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113 2500 BC `s-Gravenhage.

Aldus gewezen door mr. B.I. Klaassens, in tegenwoordigheid van mr. C.T. Brontsema als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2001.

----------------

Afschrift verzonden: 22 juni 2001

De voorzitter van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van ƒ 1650,-.

Aldus gedaan op 15 juni 2001 door mr. B. Klaassens, fungerend voorzitter.