Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6662

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2001
Datum publicatie
04-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/23907
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / ontbreken proces-verbaal.

In het dossier ontbreken stukken waaruit blijkt op welk moment de vreemdeling is heengezonden, zodat de rechtbank niet kan beoordelen of de aanvang van het vreemdelingenrechtelijk traject naadloos aansluit op het strafrechtelijk voortraject. Eveneens ontbreekt een proces-verbaal van ophouding en ook overigens blijkt niet uit de stukken dat sprake is geweest van ophouding. Niet duidelijk is op welke grond de vreemdeling, een Oezbeek, zijn vrijheid is ontnomen vanaf het moment van staandehouding tot het gehoor in verband met de inbewaringstelling anderhalf uur nadien. Beroep gegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Assen

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 01/23907 VRONTN A R03 G03 S4

uitspraak: 14 juni 2001

U I T S P R A A K

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...]1975 te Tashkent,

van Oezbeekse nationaliteit,

Namens de Staatssecretaris van Justitie is de rechtbank op 7 juni 2001 op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het besluit van 5 juni 2001 tot oplegging van de maatregel van bewaring, tegen welk besluit de vreemdeling geen beroep heeft ingesteld.

Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een eerste door de vreemdeling ingesteld beroep tegen de maatregel van bewaring.

De vreemdeling is niet verschenen, wel is verschenen mr. S.E. de Jong, advocaat te Assen, ter zitting van 14 juni 2001.

Namens de Staatssecretaris van Justitie is dhr. F. Egbers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, verschenen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht de bewaring niet op te heffen.

R E C H T S O V E R W E G I N G E N

De vreemdeling is aangehouden op 2 juni 2001 om 4.40 uur op grond van artikel 311, lid 1, onder 5 WvSr juncto artikel 311, lid 1, onder 4, WvSr. Op 5 juni 2001 is de vreemdeling overgedragen aan de vreemdelingendienst, alwaar hij om 15.00 uur is aangekomen en staande is gehouden. Na een verhoor inbewaringstelling om 16.10 uur, is de vreemdeling om 16.30 uur op 5 juni 2001 in bewaring gesteld.

Verweerder heeft op met het oog op de uitzetting van de vreemdeling bij besluit van 5 juni 2001 de maatregel van bewaring opgelegd, nu naar het oordeel van verweerder de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en het belang van de openbare orde deze maatregel vordert (artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000).

Namens de vreemdeling is aangevoerd dat, nu een aantal stukken betreffende de ophouding ontbreekt en de vreemdeling niet door de rechtbank is gehoord binnen tien dagen, de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Er is een verzoek om schadevergoeding gedaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

De bewaring dient naar het oordeel van de rechtbank te worden opgeheven, alleen al vanwege het feit dat de vreemdeling - ondanks een daartoe door de rechtbank gegeven transportorder - niet is aangevoerd en daardoor niet tijdig kon worden gehoord zoals artikel 94 Vw 2000 voorschrijft. Miscommunicatie tussen een tweetal vreemdelingendiensten over de vraag wie de voor het transport verantwoordelijk is, geeft geen reden om tot een ander oordeel te komen.

In verband met de vraag betreffende schadevergoeding indien de bewaring al op een eerder moment onrechtmatig dient te worden geacht, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.

De vreemdeling is op 2 juni 2001 om 4.40 uur strafrechtelijk aangehouden en vervolgens inverzekering gesteld. In het dossier ontbreken stukken waaruit blijkt op welk moment de vreemdeling is heengezonden. De rechtbank kan derhalve niet beoordelen of de aanvang van het vreemdelingenrechtelijke traject naadloos aansluit op het strafrechtelijk voortraject.

Voorts blijkt uit de stukken dat de vreemdeling om 15.00 uur is staande gehouden, vervolgens om 16.10 uur is gehoord in verband met de inbewaringstelling en om 16.30 uur in bewaring is gesteld. Niet duidelijk is op welke grond de vreemdeling van zijn vrijheid is ontnomen gedurende de periode van 15.00 tot 16.30 uur, nu een proces-verbaal inzake ophouding ingevolge artikel 50, tweede lid, Vw 2000 ontbreekt en ook overigens niet uit de stukken blijkt dat er sprake is geweest van ophouding.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt het voorgaande tot de conclusie dat de bewaring van aanvang af onrechtmatig is geweest.

Het beroep is derhalve gegrond.

Aan de orde is vervolgens de vraag of de onrechtmatigheid van de bewaring tot toekenning van het verzoek om schadevergoeding dient te leiden. De rechtbank is van oordeel dat bij (zoals in casu) onrechtmatig bevonden bewaring in beginsel -dat wil zeggen behoudens de aanwezigheid van gronden van billijkheid die tot matiging kunnen leiden- aanspraak bestaat op schadevergoeding.

Bij de beantwoording van de vraag of zich deze gronden van billijkheid voordoen dient enerzijds acht te worden geslagen op de aard van de door verweerder geschonden norm en de ernst van deze schennis, terwijl anderzijds -zonodig- mede in aanmerking dient te worden genomen in welke mate de vreemdeling in strijd met de vreemdelingenwetgeving heeft gehandeld en de activiteiten met betrekking tot zijn uitzetting frustreert.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de vorenomschreven handelwijze van verweerder, met name gezien de beperkte duur van de onrechtmatige vrijheidsontneming terwijl de vreemdeling in deze periode ook nog is gehoord, naar haar aard en ernst niet een zodanige schending van de wettelijke waarborgen op dat de schadevergoeding niet gematigd zou kunnen worden.

Mede gezien het feit dat de vreemdeling zich in het geheel niet heeft gemeld en van meet af onrechtmatig in Nederland verbleef, matigt de rechtbank de schadever-goeding tot nihil zodat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

- beveelt de opheffing van de maatregel van de bewaring met ingang van heden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad. f 710,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. B.I. Klaassens in tegenwoordigheid van mr. C.T. Brontsema als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2001.

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, voor partijen hoger beroep open. Bij het beroepschrift dient een afschrift van de bestreden uitspraak te worden gevoegd. Het beroepschrift dient binnen één week na verzending van de uitspraak te worden ingediend bij de Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113 2500 BC `s-Gravenhage.

----------------

Afschrift verzonden: 22 juni 2001