Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6646

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-07-2001
Datum publicatie
04-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/21300
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijheidsontneming / AC-procedure / ontvankelijkheid.

De mogelijkheid van beklag bij de Commissie van Toezicht en het bepaalde in artikel 1:6, aanhef en onder b, Awb, staan er niet aan in de weg dat in het kader van een beroep tegen de oplegging van een maatregel op grond van artikel 6 Vw 2000 de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel voor de bestuursrechter aan de orde wordt gesteld. De tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 Vw 2000 is op een tweetal aspecten niet in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 4 en 5 van het Reglement regime grenslogies. Ten eerste wordt de bewegingsvrijheid van de vreemdelingen tijdens de lunch, van 12.00 tot 13.00 en diner, van 17.00 en 18.00 beperkt. Ten tweede kunnen de vreemdelingen gedurende de periode van het luchten zich niet vrijelijk tussen de afdeling en de luchtplaats bewegen, maar kunnen zij slechts op gezette tijden, een keer in de twintig minuten, van en naar de luchtplaats gaan. De rechtbank is echter van oordeel dat deze strijdigheid niet van dien aard is dat opheffing van de maatregel thans reeds gerechtvaardigd is te achten. Door niet in te gaan op het voorstel van de vreemdeling, een Iraanse, dat zij met oplegging van een minder ingrijpende maatregel van toezicht samen met haar kind zou kunnen verblijven bij vrienden in Nederland, heeft verweerder de oplegging van vrijheidsbenemende maatregel niet deugdelijk gemotiveerd. Van belang hierbij zijn artikel 3, eerste lid, verdrag inzake de Rechten van het Kind (vrk), waarin is bepaald dat, voorzover van belang, bij alle maatregelen betreffende kinderen, het belang van het kind de eerste overwegingen vormen. Voorts is van belang artikel 37, aanhef en onder b, vrk. Om die reden is de oplegging van de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd te achten en is zij onrechtmatig. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:6
Reglement regime grenslogies
Verdrag inzake de rechten van het kind 3
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01 / 21300 VRONTN H

inzake: A, geboren op [...] 1979, van Iraanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 14 juni 2001 en 18 juni 2001

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Amsterdam.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. M. Bouma en mr. D. Kuiper.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 20 mei 2001 is de vreemdeling ex artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdeling is op diezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste lid, Vw

toegepast.

1.2 Op 20 mei 2001 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

Bij besluit van 22 mei 2001 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. De ten aanzien van de vreemdeling toegepaste vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw is in het besluit gehandhaafd.

1.3 Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, Vw, van 22 mei 2001, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 23 mei 2001, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van de vrijheidsontnemende maatregel.Ter zitting heeft de vreemdeling dit

beroep aangevuld met een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

1.4 Nadat op 28 mei 2001 het onderzoek ter zitting in de enkelvoudige zaak was gesloten, is op 11 juni 2001 is het onderzoek heropend teneinde een plaatselijk onderzoek in te stellen in het Grenshospitium te Amsterdam. Voorts is de zaak

doorverwezen naar een meervoudige kamer. Voornoemd plaatselijk onderzoek is op 14 juni 2001 uitgevoerd. De meervoudige zitting is voortgezet op 18 juni 2001.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op

te houden.

2.2 Verweerder voert het beleid dat onder meer tot (voortzetting van) de maatregel ex artikel 6 Vw wordt besloten indien de asielaanvraag binnen de AC-procedure is afgewezen.

2.3 Artikel 6, derde lid, Vw bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het voor de ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Vw, geldende regime, waaronder begrepen de

nodige beheersmaatregelen. Dergelijke regels zijn vastgelegd in het Reglement regime grenslogies (hierna te noemen: het Reglement), vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 14 januari 1993, Staatsblad 1993, 45. Bij Koninklijk Besluit van 7 september 2000

is het Reglement regime grenslogies in verband met de algehele herziening van de Vreemdelingenwet gewijzigd, zodat deze thans gebaseerd is op artikel 6 Vw 2000.

2.4 Voor zover in casu van belang luiden de bepalingen uit het Reglement als volgt.

Artikel 4

1. De vreemdeling wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die volstrekt noodzakelijk zijn om zijn verblijf in het grenslogies te verzekeren alsmede om de veiligheid en orde aldaar te handhaven.

Artikel 5

1. Met inachtname van de beperkingen en de bevelen ingevolge artikel 4 is de vreemdeling bevoegd:

a. zich binnen het grenslogies vrij te bewegen;

b. bezoekers te ontvangen in een daartoe door de directeur aangewezen ruimte;

c. brieven en andere poststukken te ontvangen en, voor eigen rekening, te verzenden;

d. voor eigen rekening te telefoneren.

2.5 De vreemdeling heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenuitvoerlegging van de maatregel niet voldoet aan het bepaalde in het Reglement, met name niet aan hetgeen gesteld is in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a. een en ander in

samenhang met het bepaalde in artikel 4, eerste lid van het Reglement. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de interne bewegingsvrijheid vooral te zeer wordt beperkt vanwege het feit dat men de lunch en het diner achter gesloten deuren dient te

nuttigen. Daarnaast levert het feit dat men tijdens de periode waarbinnen men mag luchten niet vrijelijk naar binnen dan wel naar buiten kan lopen evenzeer een te grote beperking op.

2.6 Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat artikel 1:6 Awb een beroep op de tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 Vw onttrekt aan de bestuursrechter.

2.7 Artikel 1:6, aanhef en onder b, Awb bepaalt dat die wet niet van toepassing is op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van de Vw. In verband met deze bepaling is het direct maken van bezwaar en instellen van beroep

tegen de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van de Vw niet mogelijk. Deze bepaling staat er echter niet aan in de weg dat in het kader van een beroep tegen de oplegging van een maatregel op grond van artikel 6 Vw de wijze van

tenuitvoerlegging van de maatregel aan de orde wordt gesteld. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel dient de rechter onder meer te toetsen of de vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 6 Vw. In dat kader kan aan de orde komen de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 Vw in overeenstemming is met het bepaalde in het Reglement. Daaraan doet niet af dat de vreemdeling zich met elke grief die verband houdt met zijn verblijf in het grenslogies op grond van artikel 11 van het Reglement kan wenden tot de commissie van toezicht en dat hij op grond van artikel 14 van het Reglement beklag kan doen over bepaalde door of vanwege de directeur

opgelegde maatregelen.

2.8 Het geschil spitst zich toe op de vraag of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in het Grenshospitium voldoet aan de bepalingen in het Reglement. In het bijzonder is in dit kader aan de orde of de gestelde beperkingen van

de interne bewegingsvrijheid van de vreemdeling in het Grenshospitium volstrekt noodzakelijk zijn om het verblijf in het grenslogies te verzekeren alsmede om de veiligheid en de orde aldaar te handhaven.

2.9 In de Nota van Toelichting behorend bij het Reglement (Staatsblad 1993, 45) is onder punt 2 (uitgangspunten) vermeld: „De rechten van vreemdelingen die in het grenslogies worden geplaatst mogen slechts worden beperkt voor zover dit noodzakelijk is om hun verblijf aldaar te verzekeren alsmede om de veiligheid en de orde aldaar te handhaven. Dit uitgangspunt is weergegeven in artikel 4, eerste lid. (…) Bij het vormgeven aan de rechten en verplichtingen van de vreemdelingen gedurende hun verblijf in het grenslogies is op hoofdlijnen aangesloten bij het desbetreffende advies van de werkgroep Vreemdelingenopvang.".

2.10 Onder punt IV.1 (uitgangspunten van de bejegening) van dit advies is onder meer het volgende vermeld: „Het gedwongen verblijf in een opvangcentrum dient een wezenlijk verschillend karakter te hebben van de vormen van vrijheidsbeneming die ten

uitvoer wordt gelegd in een penitentiaire inrichting. Men verblijft niet in het centrum vanwege strafbare feiten of illegale gedragingen. Dit betekent derhalve dat het verblijf niet het karakter van detentie mag dragen en dat er derhalve in die zin ook

geen regiem gevoerd kan worden. De vrijheidsbeneming dient meer een semi-hotelfunctie te vervullen. Beperkingen mogen slechts worden opgelegd ter wille van de beheersbaarheid van het centrum. Waar het de vreemdeling niet is toegestaan naar eigen believen het centrum te verlaten dient hem intern een zo groot mogelijke bewegingsvrijheid te worden gegund.".

2.11 Zoals blijkt uit het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal, heeft de rechtbank bij opneming ter plaatse het volgende geconstateerd. Het Grenshospitium is gevestigd in een voormalig huis van bewaring en maakt onderdeel uit van een groter

complex dat voor het overige als penitentiaire inrichting in gebruik is. Het Grenshospitium is verdeeld over vijf paviljoens die boven elkaar zijn gelegen. In een – afsluitbaar – paviljoen verblijven maximaal 30 mensen. Een paviljoen bestaat uit 2

verdiepingen, waarbinnen men zich gedurende half acht 's-ochtends en half tien 's-avonds in principe vrijelijk mag bewegen. Binnen de diverse paviljoens is tegemoet gekomen aan relationele aspecten, er zijn eenpersoonskamers voor individuen,

tweepersoonskamers voor gehuwden of samenreizenden en er zijn vierpersoonskamers voor gezinnen. Per paviljoen is een bepaalde groep bewoners ondergebracht, zo is er een paviljoen voor gezinnen, een voor alleenstaande vrouwen en een voor alleenstaande mannen. De bewegingen van de vreemdelingen buiten het paviljoen zijn aan controle onderhevig. De gang van en naar de luchtplaats, de activiteiten e.d. vindt plaats onder toezicht van een medewerker van de inrichting.

2.12 De rechtbank heeft geconstateerd dat het Grenshospitium door de inrichting van het gebouw onmiskenbaar (nog steeds) de uitstraling heeft van een penitentiaire inrichting: de ommuurde luchtplaats met de „bushokjes" bijvoorbeeld en de cellen

gelegen rond de balustrade zijn typerend voor de manier waarop een huis van bewaring of een gevangenis is ingericht. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Reglement blijkt dat de wetgever een dergelijke locatie voor het grenslogies niet voor ogen heeft gehad, maar het de bedoeling is geweest dat, gegeven de onvermijdelijke maatregelen om te voorkomen dat de vreemdelingen het Grenshospitium verlaten, de vreemdelingen binnen de muren van het grenslogies zo min mogelijk aan hun detentiesituatie worden herinnerd. Deze gedachte is tevens terug te vinden in de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 975, nr.3) behorend bij het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 7a van de Vreemdelingenwet 1994.

Onder punt 7 is daarin het volgende vermeld: „De opvang van vreemdelingen ex art. 7a Vreemdelingenwet is een vorm van vrijheidsbeneming. Het gedwongen verblijf in een opvangcentrum heeft evenwel een wezenlijk verschillend karakter van de vormen van

vrijheidsbeneming die ten uitvoer worden gelegd in een penitentiaire inrichting.". Verweerder heeft om aan dit laatste uitgangspunt tegemoet te komen een aantal aanpassingen verricht en verweerder is daarin, naar het oordeel van de rechtbank, tot op zekere hoogte geslaagd. De rechtbank heeft kunnen constateren dat de zorg die is besteed aan de inrichting en decoratie van het gebouw een positieve invloed heeft op de sfeer. Wanneer daarnaast in aanmerking wordt genomen dat het gebouw groot is en vrij veel ruimte biedt aan de maximaal 150 bewoners die er geplaatst kunnen worden, is de rechtbank van oordeel dat het gegeven dat het Grenshospitium in een voormalig huis van bewaring is ondergebracht niet maakt dat reeds daarom de maatregel onrechtmatig is. Wel mag van verweerder worden verwacht dat hij juist onder deze omstandigheden iedere beperking van de bewegingsvrijheid die wordt veroorzaakt door de indeling van het gebouw en die niet volstrekt noodzakelijk is om het verblijf in het grenshospitium te verzekeren alsmede om de veiligheid en de orde daar te handhaven, zal wegnemen. Tegen die achtergrond beoordeelt de rechtbank de grieven van de vreemdeling.

2.13 De rechtbank heeft bij opneming ter plaatse geconstateerd dat de bewegingsvrijheid van de vreemdeling binnen het eigen paviljoen, anders dan gedurende de nachtperiode, wordt beperkt in die zin dat de vreemdelingen de lunch, van 13.00 tot 14.00 uur, en het diner, van 17.00 tot 18.00 uur, achter gesloten deuren dienen te nuttigen. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat dit om organisatorische redenen gebeurt. Op deze manier zijn de medewerkers van de afdeling in de gelegenheid tegelijkertijd eveneens hun maaltijd te nuttigen. De rechtbank overweegt dat het, mede in aanmerking genomen hetgeen is overwogen is rechtsoverweging 2.12, haar niet gebleken is dat deze beperking van de bewegingsvrijheid strikt noodzakelijk is om het verblijf van de vreemdeling aldaar te verzekeren alsmede om de veiligheid en orde aldaar te handhaven. De beperking van de bewegingsvrijheid van de vreemdelingen gedurende de lunch en het diner is dan ook niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van het Reglement.

2.14 Voorts is de rechtbank gebleken dat de vreemdelingen gedurende de periode van het luchten zich niet vrijelijk tussen de afdeling en de luchtplaats kunnen bewegen, maar dat zij slechts op gezette tijden, een keer in de 20 minuten, van en naar de

luchtplaats kunnen gaan. Verweerder heeft aangegeven dat de reden van deze beperking van de interne bewegingsvrijheid primair wordt veroorzaakt door de beperkingen die het gebouw op zich meebrengt. Immers voor bewegingen vanuit de diverse paviljoens naar (onder meer) de luchtplaats dient gebruik gemaakt te worden van liften. De liften worden vanuit een centrale kamer bediend en de personele bezetting maakt het niet mogelijk iemand gedurende de luchttijd de lift permanent te laten bedienen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onvermijdelijk -en dit sluit tevens aan bij de uitgangspunten als vermeld in voornoemde Nota van toelichting en voornoemd advies- om de diverse groepen verblijvend in de verschillende paviljoens gescheiden te houden.

Dit uitgangspunt -dat overigens tussen partijen niet in geschil is- brengt mee dat voor de bewoners van een bepaald paviljoen gedurende in het rooster vastgestelde tijden per dag de gelegenheid bestaat om te luchten. Voor wat betreft de beperking in de

mogelijkheid gedurende de periode van het luchten zich vrijelijk tussen het eigen paviljoen en de luchtplaats te bewegen, begrijpt de rechtbank verweerder aldus dat deze niet in de eerste plaats is ingegeven ter handhaving van de orde en de veiligheid

maar veeleer vanwege de beperkingen die het gebouw als zodanig meebrengt. Naar het oordeel van de rechtbank is de beperking in de bewegingsvrijheid tijdens het luchten niet volstrekt noodzakelijk uit een oogpunt van veiligheid dan wel orde, maar liggen daaraan organisatorische redenen ten grondslag, meer in het bijzonder de personele bezetting. Deze beperking van de interne bewegingsvrijheid is dan ook niet aan te merken als een geoorloofde beperking als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Reglement. Verweerder dient deze beperking weg te nemen door ervoor te zorgen dat de vreemdelingen tijdens de voor hen vastgestelde luchtperiode op ieder moment van en naar de afdeling kunnen gaan, net zoals dat, volgens verweerder, in het voormalige Grenshospitium aan de Tafelbergstraat het geval was.

2.15 De rechtbank komt tot de conclusie dat de tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 Vw op een tweetal aspecten niet in overeenstemming is met het bepaalde in de artikelen 4 en 5 van het Reglement. De strijdigheid is echter niet van dien

aard dat opheffing van de maatregel om deze reden thans reeds gerechtvaardigd is te achten.

2.16 Met betrekking tot de klacht van de vreemdeling dat de kinderprogramma's niet zijn aangepast aan de volwassenenprogramma's waardoor het kan voorkomen dat kinderen de hele dag niet kunnen gaan luchten overweegt de rechtbank dat deze klachten niet rechtstreeks de rechtmatigheid van de maatregel raken. De vreemdeling kan zich met deze klachten, die de praktische uitwerking van het verblijf in het grenslogies betreffen, wenden tot de commissie van toezicht.

2.17 De vreemdeling heeft zich voorts nog op het standpunt gesteld dat het Reglement ten onrechte geen bijzondere aandacht schenkt aan het onderbrengen van de minderjarige kinderen in het Grenshospitium. Hierbij wijst de vreemdeling op de overgelegde brief van 6 november 2000 van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing waaruit blijkt dat de situatie in het oude Grenshospitium al zorgelijk was, maar dat de nieuwe huidige accommodatie veel minder voldoet aan de behoeften van de vreemdelingen en in het bijzonder van de gezinnen met kinderen. Het Grenshospitium is derhalve niet bedoeld voor kinderen en nu het Reglement hierin te kort schiet dient het Reglement onverbindend te worden verklaard voor wat betreft de oplegging van de maatregel voor kinderen. Subsidiair stelt de vreemdeling zich op het standpunt dat gezien de wijze waarop de wet is geredigeerd en gelet op het Verdrag voor de Rechten van het Kind er bij plaatsing van kinderen in het Grenshospitium een belangenafweging dient plaats te vinden. Nu hiervan in casu niet blijkt is de oplegging van de maatregel onrechtmatig en dient de maatregel derhalve te worden opgeheven.

2.18 Met betrekking tot de stelling van de vreemdeling dat het Reglement wegens strijd met internationaalrechtelijke bepalingen onverbindend zou moeten worden verklaard voor wat betreft de oplegging van de maatregel voor kinderen overweegt de rechtbank dat deze grief niet kan slagen. De vreemdeling heeft dit eerst bij de voortgezette behandeling ter zitting naar voren gebracht, hetgeen de rechtbank in strijd acht met de goede procesorde, en heeft dit overigens onvoldoende onderbouwd

2.19 De vreemdeling stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder, indien bij de oplegging van de maatregel kinderen zijn betrokken, niet kan volstaan met een standaardmotivering maar dient aan te geven om welke redenen niet kan worden volstaan met een minder zwaar middel van toezicht dan toepassing van een vrijheidsbenemende maatregel. Verweerder heeft aangegeven dat bij het nemen van de beslissing tot oplegging van de maatregel ex artikel 6 Vw geen rol speelt of de vreemdeling in het gezelschap is van kinderen. In het onderhavige geval heeft de vreemdeling verweerder aangegeven dat zij en haar minderjarige kind bij verblijf in Nederland kunnen worden opgevangen door vrienden. Verweerder heeft bij de oplegging van de maatregel aan deze verblijfsmogelijkheid geen aandacht besteed. De rechtbank acht in dit verband van belang de artikelen 3, eerste lid, en 37, aanhef en onder b, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Artikel 3, eerste lid van dit Verdrag bepaalt, voor zover van belang, dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Artikel 37, aanhef en onder b, van het Verdrag geeft aan dat de aanhouding, inhechtenisneming en gevangenneming van een kind slechts wordt gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur. Nu in het onderhavige geval uitdrukkelijk was gevraagd te volstaan met een minder ingrijpende maatregel van toezicht dan de maatregel van vrijheidsbeneming had verweerder bij de oplegging van de maatregel dienen aan te geven op welke wijze in dit concrete geval de belangen van het kind zijn gewogen en invulling is gegeven aan de verplichtingen op grond van de artikelen 3, eerste lid en 37, aanhef en onder b, van het Verdrag. Door niet in te gaan op het voorstel van de vreemdeling dat zij met oplegging van een minder ingrijpende maatregel van toezicht samen met haar kind zou kunnen verblijven bij vrienden in Nederland, heeft verweerder de oplegging van vrijheidsbenemende maatregel niet deugdelijk gemotiveerd. Om die reden is de oplegging van de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd te achten en is zij onrechtmatig. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven.

2.20 Ten aanzien van het verzoek om toekenning van schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt. Nu de toepassing van de maatregel van bewaring vanaf 20 mei 2001 tot de opheffing daarvan op 29 juni onrechtmatig is geweest komt de vreemdeling in aanmerking voor schadevergoeding. Voor het verblijf van de vreemdeling in het AC Schiphol wordt een schadevergoeding toegekend van ƒ 200,- per dag, en voor verblijf in het Grenshospitium wordt een schadevergoeding toegekend van ƒ 100,- per dag. Derhalve wordt de schadevergoeding voor de vreemdeling begroot op ƒ 4200,- (2 dagen in het AC Schiphol en 38 dagen in het Grenshospitium).

2.21 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door de vreemdelinge gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 2.130,-- (3 punten voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdelinge een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw met ingang van 29 juni 2001;

3.2 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat een schadevergoeding toe van ƒ 4.200,-- (ZEGGE vierduizend tweehonderd gulden), uit te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 2.130,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.F. Donders als voorzitter en mrs. E. de Greeve en W.J.A.M. van Brussel als leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2001, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk en mr. A.A.M. Schueler als griffier.

Voornoemde voorzitter van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van ƒ 4.200,-- (ZEGGE vierduizend twee honderd gulden).

Aldus gedaan op 29 juni 2001, door mr. A.A.F. Donders, voorzitter van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

Afschrift verzonden op: 29 juni 2001

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC

's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier.

Tegen de beslissing inzake de schadevergoeding staat geen rechtsmiddel open.