Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6638

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-11-2001
Datum publicatie
04-12-2001
Zaaknummer
09-900607-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-900607-01

rolnummer 0008

's-Gravenhage, 29 november 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te Paramaribo (Suriname),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 november 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr J.L.A.M. Le Cocq d'Armandville, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Krol heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Verzoek aanhouding afgewezen.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde een rapport van Reclassering Nederland te ontvangen met betrekking tot de detentiegeschiktheid van verdachte. De rechtbank acht zich evenwel op grond van het verhandelde ter zitting en in het bijzonder de inhoud van het dossier, waaruit kan worden opgemaakt dat verdachte, niettegenstaande zijn handicap aan zijn benen, uitermate mobiel en zelfstandig functioneert, voldoende geïnformeerd omtrent de detentiegeschiktheid van verdachte en zal het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak afwijzen.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden, waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het navolgende overwogen.

Verdachte heeft met een aantal van zijn mededaders het plan gemaakt om bij Van Leest B.V. te Delft een diefstal te plegen. Vervolgens heeft verdachte deze diefstal samen met zijn mededaders uitgevoerd, waarbij gebruik is gemaakt van geweld en bedreiging met geweld. Immers, aan de aanwezige verkopers is een namaakpistool getoond, waarna zij onder bedreiging van dat pistool en bedreigende woorden werden gedwongen om de kluis open te maken. Dat de eigenlijke diefstal met geweld daadwerkelijk is uitgevoerd door twee anderen doet daar niet aan af, nu verdachte een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de voorbereiding ervan en ook na de overval met de anderen van de plaats van het delict is weggereden en gedeeld heeft in de opbrengst van de diefstal, welke bestond uit een grote hoeveelheid geld en platenbonnen.

Deze gewelddadige diefstal heeft de slachtoffers grote schrik aangejaagd, waar zij, naar de ervaring leert, nog lang de psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Het gevoel van onveiligheid en angst geldt voorts niet alleen voor de aanwezige verkopers, doch ook voor het winkelpersoneel in het algemeen. Verdachte en zijn mededaders hebben de rechtsorde ernstig geschokt door dergelijke omvangrijke gevoelens van onveiligheid teweeg te brengen, hetgeen de rechtbank zeer kwalijk acht.

De rechtbank heeft acht geslagen op een op naam van verdachte staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister waaruit blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, zij het niet voor een dergelijk feit als het onderhavige delict.

De rechtbank houdt ten gunste van verdachte rekening met zijn lichamelijke handicap aan zijn benen, zoals die ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte, gelet op zijn handicap, een vrijheidsbenemende straf zwaarder zal ervaren dan een persoon zonder een dergelijke handicap.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank na te melden straf passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN, VERGEZELD EN GEVOLGD VAN GEWELD EN/OF BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN EN OM BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD AAN ZICHZELF EN ZIJN MEDEDADERS HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 8 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :25 september 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op :28 september 2001;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Van Daal, voorzitter,

Van Delden en De Ruiter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Wijne, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 november 2001.