Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6515

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-11-2001
Datum publicatie
03-12-2001
Zaaknummer
09.028.043.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(verkort vonnis)

parketnummer 09.028.043.01

's-Gravenhage, 29 november 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te Gouda op [geboortedatum]

[adres]

in verzekering gesteld op 22 mei 2001

en in voorlopige hechtenis gesteld op 25 mei 2001.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 november 2001.

De verdachte is ter terechtzitting gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr Croes.

Twee benadeelde partijen hebben zich in de zaak gevoegd.

De officier van justitie, mr Dam, heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde: reclasseringstoezicht, inclusief behandeling bij De Waag.

Inzake de vordering van de benadeelde partij de gemeente Bodegraven heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van ƒ2.216,55 en de benadeelde partij in de vordering, voor zover deze genoemd bedrag te boven gaat, niet ontvankelijk te verklaren.

Inzake de vordering van de benadeelde partij H.C. Vredeveld heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van het Wetboek van Strafvordering op te leggen.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

p.m.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen --elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft-- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de hem bij dagvaarding onder 1 tot en met 4 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht --en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van in de telastlegging voorkomende verschrijvingen, door welke verbetering verdachte niet in zijn verdediging is geschaad-- de inhoud van de telastlegging, zoals vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte.

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is strafbaar; ten aanzien van hem zijn geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstan-digheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft diverse malen brand gesticht in vuilnis/afvalcontainers, ook in containers die zich in de nabijheid van gebouwen, waaronder woningen, bevonden. Aldus nam verdachte het risico dat niet alleen die woningen, maar ook de daarin aanwezige bewoners door brand getroffen zouden worden. Door de brandstichtingen heeft verdachte anderen niet alleen veel schade en overlast toegebracht, maar ook angstig gemaakt.

De aard en de ernst van deze feiten als zodanig rechtvaardigen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de rapportage die over verdachte is uitgebracht. De conclusie van zowel de psychiater J.N.J. Smulders (rapport van 8 november 2001) als de psycholoog E.S.J. Roorda-de Man (rapport van 6 november 2001) is, dat bij verdachte sprake is van pyromanie en dat de feiten verdachte in enigszins verminderde mate zijn toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare. Met het oog op het aanwezig geachte gevaar voor recidive wordt door beide deskundigen behandeling bij De Waag geadviseerd, zulks in het kader van reclasseringsbegeleiding. De reclassering adviseert in haar rapport (van 23 augustus 2001) in dezelfde zin.

Verdachte is niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen. Ter terechtzitting heeft verdachte er blijk van gegeven in te zien dat hij gevaarzettend bezig is geweest en heeft hij te kennen gegeven dat hij met hulp van de reclassering en De Waag een andere wending aan zijn leven wil geven.

Het voorgaande brengt de rechtbank ertoe om de gevangenisstraf deels voorwaardelijk op te leggen en daaraan reclasseringstoezicht, inclusief behandeling bij De Waag, als bijzondere voorwaarde te verbinden.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank in aanmerking genomen de ad informandum gevoegde feiten waarvan een korte omschrijving op de dagvaarding staat vermeld. Verdachte heeft bekend deze feiten te hebben gepleegd en de officier van justitie heeft meegedeeld dat ten aanzien van deze feiten geen verdere vervolging wordt ingesteld.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

1. De gemeente Bodegraven heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vorde-

ring tot schadevergoeding ten bedrage van ƒ 8.692,41.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij alleen ontvankelijk in de vordering voor zover deze betrekking heeft op schade die haar rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten is toegebracht, in casu de feiten 1 tot en met 3 (respectievelijk de incidenten 1, 2, 8 en 10). De benadeelde partij heeft het op deze feiten betrekking hebbende deel van de vordering, in totaal een bedrag van ƒ 1.833,--, voldoende onderbouwd. Voorts

acht de rechtbank aannemelijk dat de gemeente als gevolg van de haar toegebrachte schade administratieve kosten heeft gemaakt ten bedrage van ƒ383,55. De rechtbank acht de vordering, die op deze onderdelen door verdachte niet is tegengesproken, derhalve toewijsbaar tot een bedrag van ƒ 2.216,55.

De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk verklaren. De aan dit deel van de vordering ten grondslag gelegde schade houdt niet rechtstreeks verband met de bewezen verklaarde feiten respectievelijk is niet van zo eenvoudige aard dat dit deel van de vordering zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

2. [benadeelde partij], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter

zake van een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van ƒ 1.600,--.

De rechtbank acht deze vordering voor toewijzing vatbaar. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 4 telastgelegde en bewezen verklaarde feit. Verdachte heeft deze vordering niet betwist, terwijl de vordering de rechtbank niet onredelijk voorkomt.

Voor oplegging van een schadevergoedingsmaatregel zoals de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding. Verdachte heeft zich bereid verklaard om de vorderingen te voldoen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen: 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de hem bij dagvaarding onder 1 tot en met 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

feiten 1 en 2:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd;

feit 3:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 4:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen;

verklaart het bewezene en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te

geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag, zolang

die instelling zulks nodig acht, ook indien dat inhoudt het ondergaan van een behandeling bij

De Waag;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering

en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem onvoorwaardelijk

opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij de gemeente Bodegraven toe tot een bedrag van

¦ 2.216, 55;

veroordeelt verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de gemeente Bodegraven een bedrag van ¦2.216,55, tevens met ver-oordeling van verdachte in de proceskosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoer-legging nog te maken;

verklaart de gemeente Bodegraven in de vordering niet ontvankelijk voorzover de vordering het toegewezen bedrag te boven gaat en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering bij de burgerlij-ke rechter kan aanbrengen;

wijst toe de vordering van de [benadeelde partij]

veroordeelt verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van ¦ 1.600,-, tevens met ver-oordeling van verdachte in de proceskosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoer-legging nog te maken;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Timmermans, voorzitter,

Kuijer en Oskam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Hoekstra, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 november 2001.