Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6507

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-11-2001
Datum publicatie
13-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/55889
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / uitzetting / voortvarendheid.

Namens eiser, een Pakistaan, is aangevoerd dat eiser reeds van januari 2001 tot 13 september 2001 in bewaring heeft verbleven, gedurende welke periode het niet is gelukt eiser uit te zetten. Er zijn thans geen nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat er thans wel zicht op uitzetting bestaat. Derhalve is de huidige maatregel van bewaring onrechtmatig.

De rechtbank is gebleken dat op 13 september 2001 een eerdere maatregel van bewaring is opgeheven om de reden dat aan eiser een straf van drie dagen is opgelegd waarna hij in strafrechtelijke detentie is gegaan. Na de strafrechtelijke detentie is eiser abusievelijk in vrijheid gesteld waarbij is verzuimd eiser opnieuw in bewaring te stellen. Vervolgens werd eiser ervan verdacht op 24 oktober 2001 een nieuw strafbaar feit te hebben gepleegd en is hij na beëindiging van het strafrechtelijk voortraject in bewaring gesteld. Daar er aangaande de uitzetting geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gekomen acht de rechtbank het aangewezen om bij het antwoord van de vraag of het voortduren van de maatregel van bewaring gerechtvaardigd is de termijn die eiser reeds eerder in bewaring heeft doorgebracht te betrekken.

De rechtbank is van oordeel dat het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd is, nu nog niet onvoldoende zicht bestaat op uitzetting van eiser op afzienbare termijn. De rechtbank stelt vast dat eiser weliswaar bijna negen maanden in bewaring verblijft doch nu eiser zich van meerdere aliassen heeft bediend en hij niet wil meewerken aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit acht de rechtbank de bewaring bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid nog gerechtvaardigd. De rechtbank ziet thans geen aanleiding de bewaring op te heffen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op 23 mei 2001 de aanvraag voor een laissez-passer door de Algerijnse autoriteiten in behandeling is genomen. Daarnaast is sedert 6 augustus 2001 een aanvraag voor een laissez-passer bij de Indiase autoriteiten in onderzoek genomen. Dat er nog geen laissez-passer voor eiser is afgegeven brengt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer met zich dat er geen zicht op uitzetting van eiser op afzienbare termijn bestaat. Hierbij acht de rechtbank eveneens van belang dat verweerder recentelijk zowel bij de Algerijnse autoriteiten alsmede bij de Indiase autoriteiten heeft gerappelleerd met betrekking tot de aanvragen voor een laissez-passer, laatstelijk op 31 oktober 2001. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarendheid betracht bij de uitzetting van eiser.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

registratienummer: Awb 01/55889 VRONTO

HERSTEL-UITSPRAAK

(met betrekking tot rechtsoverweging 2.7)

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1970,

van Pakistaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1 De Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 24 oktober 2001 aan eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring opgelegd nu de openbare orde zulks vordert (artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000).

1.2 Verweerder heeft op 26 oktober 2001 de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het opleggen van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser doorgestuurd en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

1.4 Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank van 2 november 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen de heer E.J. Takkenberg.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming is met de wet en of deze in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is.

2.2 Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel te bevelen en schadevergoeding toe te kennen.

2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

2.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de (procedure leidende tot de) inbewaringstelling van eiser heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De rechtbank is van oordeel dat eiser op goede gronden krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000, in het belang van de openbare orde en met het oog op uitzetting, in bewaring is gesteld. De rechtbank laat daarbij wegen dat eiser niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) en hij zich heeft bediend van meerdere aliassen. Voorts heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats. Derhalve is de vrees gerechtvaardigd dat eiser zich, indien in vrijheid gesteld, aan de voorgenomen uitzetting zal onttrekken.

2.5 Namens eiser is aangevoerd dat eiser reeds van januari 2001 tot 13 september 2001 in bewaring heeft verbleven, gedurende welke periode het niet is gelukt eiser uit te zetten. Er zijn thans geen nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat er thans wel zicht op uitzetting bestaat. Derhalve is de huidige maatregel van bewaring onrechtmatig.

2.6 De rechtbank is gebleken dat op 13 september 2001 een eerdere maatregel van bewaring is opgeheven om de reden dat aan eiser een straf van drie dagen is opgelegd waarna hij in strafrechtelijke detentie is gegaan. Na de strafrechtelijke detentie is eiser abusievelijk in vrijheid gesteld waarbij is verzuimd eiser opnieuw in bewaring te stellen. Vervolgens werd eiser ervan verdacht op 24 oktober 2001 een nieuw strafbaar feit te hebben gepleegd en is hij na beëindiging van het strafrechtelijk voortraject in bewaring gesteld. Daar er aangaande de uitzetting geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gekomen acht de rechtbank het aangewezen om bij het antwoord van de vraag of het voortduren van de maatregel van bewaring gerechtvaardigd is de termijn die eiser reeds eerder in bewaring heeft doorgebracht te betrekken.

2.7 De rechtbank is van oordeel dat het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd is, nu nog niet onvoldoende zicht bestaat op uitzetting van eiser op afzienbare termijn. De rechtbank stelt vast dat eiser weliswaar bijna negen maanden in bewaring verblijft doch nu eiser zich van meerdere aliassen heeft bediend en hij niet wil meewerken aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit acht de rechtbank de bewaring bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid nog gerechtvaardigd. De rechtbank ziet thans geen aanleiding de bewaring op te heffen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op 23 mei 2001 de aanvraag voor een laissez-passer door de Algerijnse autoriteiten in behandeling is genomen. Daarnaast is sedert 6 augustus 2001 een aanvraag voor een laissez-passer bij de Indiase autoriteiten in onderzoek genomen. Dat er nog geen laissez-passer voor eiser is afgegeven brengt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer met zich dat er geen zicht op uitzetting van eiser op afzienbare termijn bestaat. Hierbij acht de rechtbank eveneens van belang dat verweerder recentelijk zowel bij de Algerijnse autoriteiten alsmede bij de Indiase autoriteiten heeft gerappelleerd met betrekking tot de aanvragen voor een laissez-passer, laatstelijk op 31 oktober 2001. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarendheid betracht bij de uitzetting van eiser.

2.8 Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond en bestaat geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. W.M. van Schuijlenburg en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2001 in tegenwoordigheid van mr. E.A. Ruiter als griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 21 november 2001