Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6504

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-10-2001
Datum publicatie
07-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/46249
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / kennisgeving / schadevergoeding.

In deze zaak is niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 96, vijfde lid, Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat het niet tijdig kennis geven op zichzelf genomen een formeel gebrek is. De tijdige kennisgeving op grond artikel 96, tweede lid, Vw 2000 dient ertoe de rechtbank in staat te stellen om het voortduren van de bewaring tijdig, periodiek te kunnen toetsen. De rechtbank is van oordeel dat indien de toets door de rechtbank ter zitting niet tijdig plaats heeft kunnen vinden doordat te laat kennis is gegeven van het voorduren van de bewaring, de onrechtmatigheid van de bewaring is gelegen in een materieel gebrek.

Ingevolge het bepaalde in artikel 96, tweede lid, Vw 2000 sluit de rechtbank binnen een week na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving het vooronderzoek. De rechtbank kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Indien het onderzoek ter zitting niet achterwege blijft, vindt behandeling ter zitting in de regel en behoudens bijzondere omstandigheden plaats binnen een week nadat het vooronderzoek is gesloten. Het voorgaande brengt met zich mee dat vanaf 28 augustus 2001, de dag nadat kennis had moeten worden gegeven, tot aan 11 september 2001, de dag waarop de toets ter zitting plaats had kunnen vinden, sprake is van een formeel gebrek. Onder die omstandigheden acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezigheid om de schadevergoeding te matigen tot nihil. Vanaf 12 september 2001 tot aan de opheffing van de bewaring, 26 september 2001, is de onrechtmatigheid van de bewaring echter gelegen in een materieel gebrek. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van eiseres, in aanmerking genomen, derhalve gronden van billijkheid aanwezig om eiseres ten laste van de Staat een schadevergoeding toe te kennen.

Beroep gegrond.

NB: op 17 oktober 2001 is een hersteluitspraak gedaan t.a.v. de proceskosten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 96, geldigheid: 2001-10-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/53 met annotatie van Red

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 01/46249

UITSPRAAK

op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1986 te B,

alias A,

nationaliteit Chinese,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Zwolle,

raadsman mr. J. Singh,

eiseres,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

vertegenwoordigd door mr. F. Lijffijt,

ambtenaar bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 14 september 2001 beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring, bevolen op 18 januari 2001.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiseres en aan de rechtbank toegezonden. Eiseres is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Het beroep is behandeld ter zitting van donderdag 27 september 2001. Eiseres is niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door haar raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Standpunten

Eiseres heeft de rechtbank verzocht schadevergoeding toe te kennen. Niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 96, Vw. Voor matiging van de schadevergoeding bestaat geen aanleiding, zeker niet nu eiseres pas een dag voor de zitting uit bewaring is ontslagen terwijl dat veel eerder had gekund. Schade zou vergoed moeten worden vanaf 28 augustus 2001.

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat verweerder eerst vanaf 14 september 2001 schadeplichtig is. Eiseres heeft immers een rechtshulpverlener die de verplichting heeft om schadebeperkend op te treden. Niet kennisgeven van het voortduren van de bewaring is echter een formeel gebrek. Door het opheffen van de bewaring is voldoende tegemoet is gekomen aan de belangen van eiseres. In dat geval kan de schadevergoeding worden gematigd tot nihil. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat schade dient te worden vergoed vanaf 29 augustus 2001, de dag nadat kennis had moeten worden gegeven van het voortduren van de bewaring, met inachtneming van de matiging.

Overwegingen

Verweerder heeft op 26 september 2001 besloten de bewaring op te heffen omdat de rechtbank niet tijdig in kennis is gesteld van het voortduren van de bewaring.

Hoewel de bewaring inmiddels is opgeheven, heeft eiseres - gelet op het verzoek om schadevergoeding - belang bij beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring.

Ingevolge artikel 96, vijfde lid, Vw 2000, dient verweerder uiterlijk vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan de rechtbank van het voortduren van de bewaring in kennis te stellen. Op 30 juli 2001 heeft de rechtbank uitspraak gedaan over de rechtmatigheid van de bewaring. Verweerder had de rechtbank derhalve uiterlijk op 27 augustus 2001 kennis dienen te geven van het voortduren van de bewaring. Nu zulks niet is gebeurd, moet de bewaring vanaf 27 augustus 2001 onrechtmatig worden geacht.

Het beroep moet daarom gegrond worden verklaard.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding als volgt.

In deze zaak is niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 96, vijfde lid, Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat het niet tijdig kennis geven op zichzelf genomen een formeel gebrek is.

De tijdige kennisgeving op grond artikel 96, tweede lid, Vw2000 dient ertoe de rechtbank in staat te stellen om het voortduren van de bewaring tijdig, periodiek te kunnen toetsen. De rechtbank is van oordeel dat indien de toets door de rechtbank ter zitting niet tijdig plaats heeft kunnen vinden doordat te laat kennis is gegeven van het voorduren van de bewaring, de onrechtmatigheid van de bewaring is gelegen in een materieel gebrek.

Ingevolge het bepaalde in artikel 96, tweede lid, Vw 2000 sluit de rechtbank binnen een week na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving het vooronderzoek. De rechtbank kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Indien het onderzoek ter zitting niet achterwege blijft, vindt behandeling ter zitting in de regel en behoudens bijzondere omstandigheden plaats binnen een week nadat het vooronderzoek is gesloten. Het voorgaande brengt met zich mee dat vanaf 28 augustus 2001, de dag nadat kennis had moeten worden gegeven, tot aan 11 september 2001, de dag waarop de toets ter zitting plaats had kunnen vinden, sprake is van een formeel gebrek. Onder die omstandigheden acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezigheid om de schadevergoeding te matigen tot nihil. Vanaf 12 september 2001 tot aan de opheffing van de bewaring, 26 september 2001, is de onrechtmatigheid van de bewaring echter gelegen in een materieel gebrek. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van eiseres, in aanmerking genomen, derhalve gronden van billijkheid aanwezig om haar ten laste van de Staat een schadevergoeding toe te kennen van ƒ 150,-- per dag voor de dagen die zij vanaf 12 september 2001 heeft doorgebracht in het huis van bewaring. Dit betekent dat een schadevergoeding van ƒ 2100,-- (14 x ƒ 150,--) zal worden toegekend.

Nu het beroep gegrond is verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- kent aan eiseres ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van ƒ 2100,-- ;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 710,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.F.J.M. Schröder en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. M.P. de Zwart als griffier op 4 oktober 2001.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden:

De voorzitter van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van

ƒ 2100,--.

Aldus gedaan door mr. H.F.M.J. Schröder, fungerend voorzitter, op 4 oktober 2001.