Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6500

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
05-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/54270
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AH9517
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / nova.

Bij beschikking van 14 oktober 1996 is eisers aanvraag om toelating als vluchteling en om een vtv afgewezen. Deze beschikking is met de uitspraak van 20 april 1998 van de rechtbank onherroepelijk geworden.

De onderhavige aanvraag van 16 oktober 2001 om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is aan te merken als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, Vw 2000. Daarin wordt onder herhaalde aanvraag verstaan een aanvraag, die op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb kan worden afgewezen.

Verweerder heeft de aanvraag van 16 oktober 2001 niet behandeld als een herhaalde aanvraag. Evenmin als eiser, door het indienen van een herhaalde aanvraag, kan bewerkstelligen dat de rechtbank de zaak beoordeelt in een omvang als ware het beroep gericht tegen het eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluit, kan verweerder, door de herhaalde aanvraag tóch integraal te beoordelen, bewerkstelligen dat de rechtbank bij de door haar te verrichten rechterlijke toetsing artikel 4:6 Awb buiten toepassing laat.

Naar het oordeel van de rechtbank voegen de in de huidige procedure door eiser overgelegde documenten niet in die mate iets toe aan hetgeen eiser aan zijn eerdere asielaanvraag heeft ten grondslag gelegd, dat zou moeten worden geoordeeld dat thans, bij de aanvraag van 16 oktober 2001, sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Onder verwijzing naar hoofdstuk C1/1.3 Vc 2000 merkt de rechtbank voorts op dat er ook geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de in rechte onaantastbaar geworden beschikking van 14 oktober 1996 onmiskenbaar onjuist was.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 01/54270

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A,

geboren op [...] 1963,

van Algerijnse nationaliteit,

IND-dossiernummer: 9402.15.0049

eiser,

gemachtigde: mr. L. van Sommeren, advocaat te Nijmegen,

en DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ‘s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. Deegmulder, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1 Op 16 oktober 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft bij beschikking van

20 oktober 2001 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2 Bij beroepschrift van 21 oktober 2001 heeft eiser tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 30 oktober 2001.

1.3 De rechtbank heeft op de voet van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de zaak versneld wordt behandeld. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 9 november 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Ter zitting is een tolk verschenen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking van

20 oktober 2001 toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

Feiten

2.2 Eiser heeft eerder, te weten op 15 februari 1994, hier te lande aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard. Hij heeft daarbij opgegeven te zijn B, geboren op [...] 1963 te C, van Algerijnse nationaliteit. Bij beschikking van 26 mei 1994 zijn deze aanvragen niet-ingewilligd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij beschikking van 14 oktober 1996 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 april 1998 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 28 april 1998, eveneens onder de naam B, een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid. Bij beschikking van 29 oktober 1998 is deze aanvraag niet-ingewilligd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij ongedateerde beschikking (ontvangen op 13 januari 1999) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 februari 2000 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 19 november 1998, onder de naam A, geboren op [...] 1963 te D, van Algerijnse nationaliteit een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij partner E. Bij beschikking van 21 december 1998 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij beschikking van 10 december 1999 gegrond verklaard. Vervolgens is de aanvraag van 19 november 1998 bij beschikking van 6 juli 2000 niet-ingewilligd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. In de gronden van het bezwaar heeft eiser naar voren gebracht dat zijn relatie met E is geëindigd en dat hij thans een verblijfsvergunning wenst voor verblijf bij zijn nieuwe partner F. Het bezwaar is bij beschikking van 19 december 2000 ongegrond verklaard. In die beschikking is verder overwogen dat een beoordeling van de mogelijke aanspraak op toelating voor verblijf bij F achterwege blijft, omdat – kort gezegd – hier sprake is van een gewijzigd verblijfsdoel. Het tegen laatstvermelde beschikking ingestelde beroep is bij brief van 12 september 2001 ingetrokken.

Vervolgens heeft eiser, onder de naam A, op 16 oktober 2001 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke aanvraag bij beschikking van 20 oktober 2001 is afgewezen. Laatstvermelde beschikking ligt thans ter beoordeling voor.

Standpunt van eiser

2.3 Eiser heeft aan zijn thans aan de orde zijnde aanvraag van 16 oktober 2001 ten grondslag gelegd dat hij thans over documenten beschikt, die een ander licht werpen op zijn asielzaak. Dit betreft de volgende stukken:

- een uittreksel uit het geboorteregister d.d. 2 december 1998;

- een kopie van een envelop met stempel;

- een verklaring van ongehuwde staat d.d. 2 december 1998;

- een ‘verklaring van verlies’, opgemaakt op 21 februari 2000, waarin is vermeld dat eiser ten overstaan van de Nationale Gendarmerie heeft verklaard: ‘dat ik op 5-11-1993 een [blanco] heb verloren te Mars El Hadjadj’. Voorts is in die verklaring vermeld: ‘Op grond van de brief die in het bureau ligt verklaren wij, regiment van de Nationale Gendarmerie te Mars El Hadjadj (Oran), dat de bovengenoemde met de dood is bedreigd door terrorisme’;

- een uittreksel uit het overlijdensregister d.d. 18 mei 2001, waarin is vermeld dat G op 18 augustus 1998 is overleden door toedoen van terroristen;

- een kopie van het trouwboekje van G, ter adstructie van de stelling dat deze de zwager is van eiser;

- een ‘verklaring omtrent schadegeval’, opgemaakt op onbekende datum, waarin is vermeld dat H, op 13 juli 1994 is ontvoerd en vermoord door een groep terroristen. Eiser heeft gesteld dat genoemde H een vriend van hem was.

- een verklaring waarin – naar door eiser gesteld – de moord op eisers zwager G wordt bevestigd.

Eiser stelt zich op het standpunt dat uit deze documenten blijkt dat de extremisten/ terroristen (GIA) nog steeds naar hem op zoek zijn. Tevens blijkt hieruit dat familieleden en vrienden van eiser zijn omgebracht. Bovendien blijkt uit de ‘verklaring van verlies’ dat eiser door terroristen met de dood is bedreigd. Hetgeen in deze verklaring is vermeld, moet worden gezien als doodvonnis. Deze ‘verklaring van verlies’ is opgemaakt door tussenkomst van eisers vader.

Eiser wijst er op dat hij al deze documenten eerst heeft ontvangen ná de uitspraak van 20 april 1998 van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Zwolle.

Eiser heeft voorts aangegeven dat juist is dat hij in de eerste asielprocedure hier te lande gebruikt heeft gemaakt van een valse naam. Eiser heeft dit gedaan omdat hij bang was dat, indien hij zijn juiste naam zou zeggen, de GIA hem bij terugkeer naar Algerije direct zou oppakken en misschien executeren. Eiser wijst er in dit verband op dat de GIA een lijst heeft met daarop vermeld de namen van hen, die moeten worden vermoord. De echte naam van eiser is op deze lijst vermeld. Eiser wil thans open kaart spelen.

Ten slotte heeft eiser naar voren gebracht dat uit ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en informatie van Amnesty International blijkt dat de algemene (veiligheids)situatie in Algerije zeer slecht is.

2.4 Ten aanzien van de door eiser overgelegde ‘verklaring van verlies’ van 21 februari 2000 heeft eiser ter zitting desgevraagd verklaard dat hij niet meer weet wat hij op

5 november 1993 te Mars El Hadjadj heeft verloren. Hij kan dan ook niet aangeven wat had moeten zijn ingevuld in de blanco ruimte. Voorts heeft eiser ter zitting desgevraagd verklaard dat hij niets naders kan vertellen over de brief met daarin zijn doodvonnis, van welke brief melding wordt gemaakt in bedoelde ‘verklaring van verlies’. Eiser heeft er ter zitting nog eens op gewezen dat hij in het bezit is gekomen van de ‘verklaring van verlies’ door tussenkomst van zijn vader. Eiser gaat ervan uit dat hetgeen in de ‘verklaring van verlies’ is vermeld, juist is.

Standpunt van verweerder

2.5 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts meent verweerder dat de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren kon worden afgewezen. Verweerder is tot deze conclusie gekomen nadat verweerder in de bestreden beschikking integraal op het asielrelaas van eiser is ingegaan.

Beoordeling van het beroep

2.6 Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van 20 april 1998 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle in rechte is komen vast te staan dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling, dat hij bij uitzetting naar Algerije geen reëel risico loopt op een behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat evenmin sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die tot verblijfsaanvaarding nopen.

De aanvraag van 16 oktober 2001 om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke thans ter beoordeling voorligt, moet, gelet op het asielrelaas van eiser zoals hij dat aan die aanvraag heeft ten grondslag gelegd, worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ingevolge voormeld artikel 1, aanhef en onder f, Vw 2000 wordt onder ‘herhaalde aanvraag’ verstaan: een aanvraag, die op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden afgewezen.

2.7 Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, Awb kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

2.8 De rechtbank constateert evenwel dat verweerder eisers aanvraag van 16 oktober 2001 niet heeft behandeld als een herhaalde aanvraag. Evenmin als eiser, door het indienen van een herhaalde aanvraag, kan bewerkstelligen dat de rechtbank de zaak beoordeelt in een omvang als ware het beroep gericht tegen het eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluit, kan verweerder, door de herhaalde aanvraag tóch integraal te beoordelen, bewerkstelligen dat de rechtbank bij de door haar te verrichten rechterlijke toetsing artikel 4:6 Awb buiten toepassing laat.

2.9 De rechtbank verwijst in dit verband voorts naar hetgeen verweerder omtrent het toetsingskader bij herhaalde aanvragen heeft opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000, hoofdstuk C1/1.3:

„3 Herhaalde aanvragen

(..)

Een verzoek om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking wordt gelijkgesteld met een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht. Tenzij bij de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, wordt de aanvraag buiten toepassing van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht onder verwijzing naar de eerdere beschikking afgewezen. (..) Slechts indien de in rechte onaantastbaar geworden beschikking onmiskenbaar onjuist was, kan van het vorenstaande worden afgeweken. Indien in een dergelijk geval alsnog een verblijfsvergunning wordt verleend, zijn de algemene regels (bijvoorbeeld over de ingangsdatum) van toepassing.“

2.10 Naar het oordeel van de rechtbank voegen de in de huidige procedure door eiser overgelegde documenten niet in die mate iets toe aan hetgeen eiser aan zijn eerdere asielaanvraag heeft ten grondslag gelegd, dat zou moeten worden geoordeeld dat thans, bij eisers tweede asielaanvraag van 16 oktober 2001, sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

De rechtbank merkt voorts op dat in hetgeen eiser heeft aangevoerd in het kader van zijn tweede asielaanvraag, ook geen aanknopingspunten zijn gelegen voor het oordeel dat de in rechte onaantastbaar geworden beschikking van 14 oktober 1996 onmiskenbaar onjuist was.

2.11 Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het beroep is dan ook ongegrond.

2.12 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R. Depping, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F.L.M. Heine als griffier op 14 november 2001.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van „hoger beroep vreemdelingenzaken“, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Awb, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 15 november 2001