Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6493

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-08-2001
Datum publicatie
12-12-2001
Zaaknummer
AWB 00/7908 S1813H, 00/7909, 00/7910
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mvv / verruimde gezinshereniging / meerderjarige kinderen.

Eisers hebben de Indiase nationaliteit. Ze stellen in aanmerking te komen voor een vtv met als doel verblijf bij respectievelijk zoon en broer.

De rechtbank is van oordeel dat eisers niet in aanmerking komen voor verruimde gezinshereniging.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat slechts sprake is van ‘family life’ tussen ouders en meerderjarige kinderen indien gesproken kan worden van ‘more than normal emotional ties’. Verweerder stelt in beroep dat het Europese Hof dit standpunt inmiddels ook omarmd heeft en verwijst hierbij naar een uitspraak van 7 november 2000 (nr. 31519/96) inzake Kwakye-Nti en Dufy. Naar het oordeel van de rechtbank bevat deze uitspraak echter geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het Hof hiermee terugkomt op haar beslissing in de zaak Berrehab uit 1988, waarin is geoordeeld dat er tussen een kind, dat geboren wordt uit een huwelijksrelatie, en zijn ouders vanzelfsprekend gezinsleven bestaat dat slechts door uitzonderlijke omstandigheden doorbroken kan worden. Het bereiken van de meerderjarige leeftijd is niet een zodanige uitzonderlijke omstandigheid. Verweerder moet alsnog onderzoeken of een positieve verplichting moet worden aangenomen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RV20010026 met annotatie van Walsum van S.K. Sarah
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/7908 S1813 H (beroepszaak)

AWB 00/7909 S1813 H (beroepszaak)

AWB 00/7910 S1813 H (beroepszaak)

inzake: A, B, C, wonende/verblijvende te Iran, eisers,

gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart, advocaat te Beverwijk;

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. A.E.W. Buskens, werkzaam bij de onder verweerder resorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Eisers, geboren op respectievelijk [...] 1947, [...] 1975 en [...] 1981, hebben de Indiase nationaliteit. Op 16 november 1999 heeft D, zoon respectievelijk broer van eisers, die als referent optreedt een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Bij besluit van 22 december 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Eisers hebben op 18 januari 2000 een bezwaarschrift ingediend tegen de niet-inwilliging van de aanvraag. Op 11 mei 2000 is referent gehoord door een ambtelijke commissie. Op 2 augustus 2000 is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2 Op 25 augustus 2000 hebben eisers tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 22 februari 2001. Ter zitting hebben eisers en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

1.4 Nadat het onderzoek op 22 februari 2001 ter zitting is gesloten heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen en de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer. Bij de heropening heeft de rechtbank vragen gesteld, die partijen schriftelijk hebben beantwoord. De zitting van de meervoudige kamer heeft plaats gevonden op 3 juli 2001. Ter zitting hebben eisers en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

De onderbouwing van de aanvraag

2.2 Eisers leggen aan de aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf en het onderhavige beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij respectievelijk zoon en broer".

In de jaren zestig is eiseres met haar man van India naar Irak geëmigreerd. Haar man is in 1991 om het leven gekomen tijdens de Golfoorlog. Na het einde van de oorlog, in maart 1992, is eiseres met haar zonen uitgezet naar Iran alwaar ze nu illegaal verblijven. Referent heeft in 1991 Irak verlaten en vervolgens drie jaar verbleven in een vluchtelingenkamp in Saoedi Arabië. Op 4 juni 1994 is hij Nederland ingereisd, alwaar hij als vluchteling is toegelaten. Inmiddels is hij in het bezit van de Nederlandse nationaliteit.

De bestreden beschikking en de standpunten van partijen

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor verruimde gezinshereniging zoals neergelegd in hoofdstuk B1/7 van de Vc. Voor een vergunning tot verblijf komen in aanmerking gezinsleden die feitelijk behoren tot het gezin, voor zover hun achterlating een onevenredige hardheid zou betekenen.

De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan. Bovendien moet er sprake zijn van een morele en financiële afhankelijkheid van degene bij wie dat verblijf wordt verzocht, welke afhankelijkheid reeds in het buitenland moet hebben bestaan. Volgens verweerder is de gezinsband tussen eisers en referent reeds sedert 1991 verbroken, het jaar waarin referent Irak - ook al was dat onvrijwillig - heeft verlaten. Vervolgens heeft referent een zelfstandig leven geleid. Voorts waren eisers moreel noch financieel afhankelijk van referent. Er zijn immers geen bewijzen van geldstortingen overgelegd noch enige andere bewijzen. Evenmin getuigt achterlating van eisers van onevenredige hardheid. Daarnaast behoort referent niet meer feitelijk tot het gezin. Bovendien kunnen eisers vanuit Iran, waar ze nu verblijven, terugkeren naar India.

2.4 Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat referent niet aan het inkomensvereiste voldoet. Referent is immers voornamelijk afhankelijk van de openbare kas. Evenmin is de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent met gelegaliseerde officiële documenten aangetoond. Dit klemt des te meer nu eisers de Indiase nationaliteit hebben en referent de Iraakse dan wel de Nederlandse.

Tot slot stelt verweerder dat er geen sprake is van gezins- of familieleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM aangezien niet gebleken is van een relatie tussen referent en eisers welke aan te merken is als een relatie met 'more than normal emotional ties'.

2.5 Eisers stellen in bezwaar dat de gezinsband niet verbroken is maar dat het gezin onvrijwillig uit elkaar is gedreven. Achterlating van eisers zou weldegelijk getuigen van onevenredige hardheid. Bovendien heeft referent eisers financieel ondersteund in de vorm van het toezenden van voedselpakketten. Aangezien referent echter voornamelijk leeft van de openbare kas is dit niet veelvuldig gebeurd. In beroep is erkend dat referent weliswaar niet aan alle eisen inzake verruimde gezinshereniging voldoet maar dat in deze zaak sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan eisers een mvv zouden moeten krijgen. In het kader van artikel 8 EVRM wordt naar voren gebracht dat er tussen eisers en referent sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie die te omschrijven is als 'more than normal emotional ties'. De omstandigheid dat eisers en referent de laatste jaren het familieleven niet gezamenlijk hebben kunnen uitoefenen is gelegen in externe oorzaken. Tot slot wordt betoogd dat de in bezwaar overgelegde informatie aanleiding had moeten zijn de mvv-aanvraag tevens te beschouwen als een aanvraag om asielrechtelijke bescherming.

Wettelijk kader

2.6 Per 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 in werking getreden. Gelet op het tijdstip van het geven van de beschikking en het ex tunc beginsel van beoordeling in beroep, dient het tot 1 april 2001 geldende materiële vreemdelingenrecht, voor zover voor beslissingen van de Minister van Buitenlandse Zaken van belang, uitgangspunt te zijn bij de beoordeling.

2.7 Ingevolge artikel 72 Vw, dat geacht moet worden onmiddellijke werking te hebben, worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813 (Stcrt. 1814, 4), voor de toepassing van de wettelijke voorschriften van bezwaar en beroep in afdeling 2 van hoofdstuk 7 Vw 2000 gelijkgesteld met beschikkingen gegeven op grond van de Vw 2000.

2.8 De verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf kon, evenals een vergunning tot verblijf ingevolge de Vw (oud), aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. De gronden voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf waren, zoals blijkt uit hoofdstuk A4/5.3 van de Vc 1994, gelijk aan die voor afgifte van een vergunning tot verblijf.

2.9 De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen -behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten- slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun verblijf hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard. Dit beleid was neergelegd in de Vc 1994.

Beoordeling van het beroep

2.10 Naar het oordeel van de rechtbank kan een mvv-procedure die is begonnen ter realisering van (verruimde) gezinshereniging, niet later mede tot doel hebben het indienen van een verzoek om toelating als vluchteling. De rechtbank verwijst hier naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 8 augustus 2000 met als kenmerk AWB 99/9924 VRWET. Indien tijdens een lopende procedure sprake is van een gewijzigd of bijkomend verblijfsdoel, dient voor het nieuwe verblijfsdoel een aparte aanvraag te worden ingediend. Derhalve dienen eisers, voor zover zij beogen in aanmerking te komen voor een vluchtelingenstatus, daarvoor een aparte aanvraag in te dienen. Ten aanzien van de vraag of een derde belanghebbende, zoals referent, voor eisers een asielaanvraag kan indienen is het volgende van belang. Met betrekking tot toelating als vluchteling heeft een derde, zoals referent, geen rechtstreeks belang. De referent kan derhalve op grond van artikel 1:3 jo artikel 1:2 Awb niet aangemerkt worden als belanghebbende in de zin van de Awb. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat een derde belanghebbende in beginsel geen (mvv)-aanvraag om toelating als vluchteling kan indienen voor eisers.

Evenmin komen eisers in aanmerking voor toelating in het kader van een afgeleide vluchtelingenstatus zoals is neergelegd in de Vc 1994, hoofdstuk B7/17 onder meer vanwege het feit dat eisers niet de echtgenote of minderjarige kinderen van referent zijn.

2.11 Niet in geschil is dat eisers niet voldoen aan alle in het beleid gestelde voorwaarden voor verruimde gezinshereniging, zoals neergelegd in hoofdstuk B1/7 van de Vc, reeds omdat referent onvoldoende middelen van bestaan heeft. Derhalve komen eisers niet in aanmerking voor toelating in het kader van verruimde gezinshereniging. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen, dat er geen aanleiding is – op grond van art 4:84 Awb – in afwijking van dat beleid toch een mvv te verstrekken.

2.12 Nu eisers geen aanspraak kunnen maken op het reguliere vreemdelingenbeleid inzake verruimde gezinshereniging resteert de vraag of uit artikel 8 EVRM een verplichting voor verweerder voortvloeit om eisers hier te lande toe te laten.

2.13 Onder verwijzing naar uitspraken van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (ECRM) en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (onder meer EHRM, 18 februari 1991, RV 1991, 50 (Moustaquim), ECRM 29 juni 1992, RV 1992, 26 (Akthar) en EHRM, 30 november 1999, application no. 34374/97 (Baghli) heeft de rechtbank aan partijen in onderhavige en gelijktijdig behandelde zaken de volgende vragen voorgelegd.

1a. Dient het uitgangspunt te zijn dat er, behoudens verbreking in uitzonderlijke gevallen, ‘family life’ bestaat in de zin van artikel 8 EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zoals zulks ook als hoofdregel wordt aangenomen tussen ouders en minderjarige kinderen?

1b. Wordt in geval van meerderjarige kinderen in andere situaties verbreking van ‘family life’ aangenomen dan bij minderjarige kinderen?

2. Indien het gemotiveerde antwoord op vraag 1a ontkennend is, welke criteria bepalen dan of er tussen ouders en hun meerderjarige kinderen ‘family life’ moet worden aangenomen?

3. Welke invloed heeft de beantwoording van de vragen 1 en 2 op de beoordeling van deze ter zitting van de meervoudige kamer te behandelen zaak?

Verweerder heeft zich in zijn schriftelijke reactie van 21 juni 2001 op het standpunt gesteld dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de verschillende familie- en gezinssituaties hetgeen ondersteund wordt door vaste nationale jurisprudentie, de literatuur en uitspraken van zowel de ECRM als het EHRM. Derhalve verschilt de situatie tussen ouders en minderjarige kinderen van de situatie tussen ouders en meerderjarige kinderen. Als iemand meerderjarig wordt, of het huis verlaat, komt daarmee een einde aan het gezinsleven dat haar bescherming vindt in artikel 8 EVRM, tenzij anderszins factoren worden aangedragen die een voortzetting van dit door artikel 8 EVRM beschermde ‘family life’ aannemelijk maken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hiervoor steun is te vinden in een recente uitspraak (Kwakye-Nti en Dufie, EHRM 7 november 2000, zaaknummer 31519/96), waarin het Hof de commissierechtspraak heeft bevestigd en waarin wordt gesteld dat de verhoudingen tussen volwassenen niet noodzakelijk onder de bescherming van het gezinsleven vallen, als er buiten de normale affectieve banden geen bijkomende elementen van afhankelijkheid worden aangetoond. De vraag of sprake is van ‘family life’ tussen ouders en meerderjarige kinderen wordt derhalve bepaald door het criterium of de familieband in voldoende mate uitstijgt boven hetgeen bij relaties tussen dergelijke personen gebruikelijk is oftewel of er sprake is van ‘more than normal emotional ties’. Dit criterium is eveneens opgenomen in de nieuwe Vreemdelingencirculaire 2000 onder Vc B2/13.2.1. Vorengaande toegespitst op de onderhavige zaak leidt naar het oordeel van verweerder tot de conclusie, welke reeds in het verweerschrift is verwoord, dat er geen sprake is van ‘family-life’ dat door artikel 8 EVRM wordt beschermd. Er is immers niet gebleken van ‘evidence of further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties’. In dit verband is van belang dat eiseres, na het vertrek van referent uit Irak in 1991 en ook na het overlijden van de echtgenoot respectievelijk vader van eisers, zich hebben kunnen staande houden en in hun eigen onderhoud hebben kunnen voorzien. Uit de enkele stelling dat referent eisers financieel steunt – nog daargelaten dat dit niet is aangetoond – kan niet worden afgeleid dat sprake is van een band die uitstijgt boven de normale banden tussen volwassenen en hun familieleden. Evenmin is gebleken van een morele afhankelijkheid tussen eisers en referent. Derhalve is er geen sprake van schending van artikel 8 EVRM.

2.14 Gemachtigde van eisers heeft gesteld dat uit de Nederlandse jurisprudentie en de jurisprudentie van het EHRM moet worden afgeleid dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens verbreking in uitzonderlijke gevallen, ‘family-life’ bestaat in de zin van artikel 8 EVRM tussen ouders en meerderjarige kinderen, zoals zulks ook als hoofdregel wordt aangenomen tussen ouders en minderjarige kinderen. De vraag of uit artikel 8 EVRM een verplichting voor de overheid voortvloeit om een vreemdeling in Nederland toe te laten, zal in het geval van meerderjarige kinderen minder snel bevestigend worden beantwoord dan bij minderjarige kinderen, omdat tussen meerderjarige kinderen en hun ouders minder snel sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Daargelaten of het antwoord op vraag 1. al dan niet bevestigend is, wordt, gelet op de jurisprudentie, altijd een belangenafweging gemaakt als het gaat om meerderjarige kinderen en hun ouders, waarbij vervolgens wordt beslist of artikel 8 EVRM wel of niet geschonden is. Deze belangenafweging wordt verricht aan de hand van de afhankelijkheidstoets. Gelet op deze toets blijven referent en eisers van oordeel dat in casu uit artikel 8 EVRM een positieve verplichting voor de overheid voortvloeit eisers in Nederland toe te laten. Eisers zijn immers niet in staat zich in Iran zelfstandig te handhaven en terugkeer naar zowel India als Irak is onmogelijk. In de onderhavige zaak is volgens eisers wel degelijk sprake van ‘family life’ tussen eiseres en referent, waarbij de belangenafweging tussen de Nederlandse staat en de betrokkenen in het voordeel van eisers dient uit te vallen.

2.15 De rechtbank overweegt omtrent het beroep op artikel 8 EVRM als volgt.

2.16 In het kader van de toetsing aan 8 EVRM is niet in geschil dat referent en eiseres tot elkaar in familierechtelijke betrekking staan.

2.17 De rechtbank wijst er op dat het Hof reeds in 1988 in de zaak Berrehab (EHRM, 21 juni 1988) heeft geoordeeld dat er tussen een kind, dat wordt geboren uit een huwelijksrelatie, en zijn ouders ipso jure vanaf het moment van de geboorte gezinsleven bestaat. In deze uitspraak stelde het Hof tevens dat het door de geboorte ontstane gezinsleven door latere gebeurtenissen doorbroken kan worden. Deze doorbreking van de familieband kan volgens het Hof slechts worden aangenomen bij ‘exceptional circumstances’. De rechtbank ziet geen aanleiding bij haar uitleg van artikel 8 EVRM anders te oordelen dan het Hof in die zaak. Het bereiken van de meerderjarige leeftijd is geen exceptionele omstandigheid. Dat enkele feit kan daarom niet tot verbreking van ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM leiden. Hoewel de zaak Berrehab over een minderjarig kind ging, bevat dat oordeel geen aanknopingspunt voor de conclusie dat het EHRM ten aanzien van de kwalificatie omtrent de relatie tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als ‘family life’ anders zou oordelen.

2.18 De door verweerder overgelegde uitspraak van het Hof van 7 november 2000 (Kwakye-Nti en Dufie) wijst niet op een ander oordeel van het Hof. In deze zaak ging het om een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor twee meerderjarige kinderen en één minderjarig kind uit Ghana, waarvan de ouders in Nederland verbleven. Blijkens de weergave van het standpunt van verweerder in die zaak en het oordeel van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State in die zaak was voor het Hof in deze zaak het al dan niet aanwezig zijn van ‘family life’ niet in geschil. Op pagina 5 stelt het Hof immers dat in het licht van de jurisprudentie van het Hof ook de Raad van State ervan uitgaat dat sprake is van ‘family life’. „Sans doute pourrait-il être accepté que les appelants et leurs enfants ont encore entre eux une relation telle qu’il faut parler de famille et de vie familiale au sens de la disposition pr citée, mais il n’est en rien question d’interférence dans l’exercice du droit au respect de la vie familiale.“ Kortom, de Raad van State ging in die zaak uit van de aanwezigheid van family life, en stelt vervolgens dat geen sprake was van ongeoorloofde inmenging in het uitoefenen van ‘family life’ door de machtiging tot voorlopig verblijf te weigeren. Vervolgens beoordeelde de Raad van State of er een positieve verplichting bestond voor de Nederlandse staat om verblijf hier te lande toe te staan, hetgeen negatief beantwoord werd. Op pagina 6 van de uitspraak herhaalt het Hof het standpunt van de Nederlandse overheid: „De l’avis du Gouvernement, le fait que les enfants soient nés du mariage des requérants implique l’existence d’une vie familiale aus sens de l’article 8 de la Convention et il faut présumer qu’il n’existe aucune circonstance qui ait rompu cette vie familiale.“ Hier wordt derhalve overwogen dat het feit dat kinderen geboren zijn uit een huwelijk impliceert dat er ‘family life’ is met hun ouders in de zin van artikel 8 EVRM en dat er in deze zaak geen omstandigheden zijn die wijzen op verbreking hiervan. Op pagina 8 stelt het Hof dat vervolgens bezien moet worden of de overheid in deze zaak een positieve verplichting heeft de kinderen toe te laten waarbij de belangen van de staat en die van de vreemdelingen moeten worden afgewogen. Uitgaande van het feit dat twee kinderen in deze zaak meerderjarig zijn en dat artikel 8 EVRM een verdragstaat geen verplichting oplegt de domiciliekeuze van (echt)paren te eerbiedigen die geen nationaliteit van het vestigingsland hebben, verwijst het Hof op deze plaats in de uitspraak naar het standpunt van de Commissie, inhoudende dat de band tussen ouders en hun meerderjarige kinderen niet zonder meer beschermd behoeft te worden door artikel 8 EVRM indien niet is aangetoond dat er sprake is van ‘l’existence d’éléments supplémentaires de dépendance, autres que les leins affectifs normaux’ oftewel ‘more than normal emotional ties’ hetgeen in deze zaak volgens het Hof niet het geval was. De twee meerderjarige kinderen hadden hun hele leven in Ghana gewoond en de minderjarige zoon had aldaar goede opvang. Mitsdien oordeelt het Hof op pagina 9 dat onder deze omstandigheden de Nederlandse overheid een juiste afweging heeft gemaakt tussen het belang van betrokkenen en het belang van de staat.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verwijzing die het Hof in deze zaak geeft naar het standpunt van de Commissie inzake het criterium dat er sprake moet zijn van ‘more than normal emotional ties’ geen andere functie dan het mee laten wegen van dat aspect in de belangenafweging tussen enerzijds de belangen van de vreemdelingen en anderzijds de belangen van de Nederlandse staat. Deze beslissing van het Hof bevat derhalve geen aanknopingspunt voor de conclusie dat het Hof hiermee terugkomt op haar beslissing in de zaak Berrehab en het criterium van de Commissie heeft omarmd dat slechts sprake zou zijn van ‘family life’ tussen ouders en meerderjarige kinderen indien sprake is van „evidence of further elements of dependency, involving more than normal emotional ties“.

De conclusie kan na het voorgaande geen andere zijn dan dat aan het bestaan van ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM en bij de toetsing van een visumbeslissing als de onderhavige aan dat artikel tussen ouders en meerderjarige kinderen geen verdergaande eis kan worden gesteld, dan in het geval van minderjarige kinderen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder in de onderhavige zaak ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat niet gebleken is van ‘family-life’ tussen eiseres en referent. Evenmin zijn er bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die duiden op verbreking van dit ‘family life’. Het enkele feit dat men meerderjarig wordt, kan immers niet als een bijzonderheid aangemerkt kan worden. De bestreden beschikking kan derhalve niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en kan niet in stand blijven. Alsnog zal onderzocht moeten worden of een positieve verplichting tot toelating bestaat. Aangezien de beslissingen ten aanzien van eisers, broers van referent, ten nauwste met dit oordeel samenhangen, kunnen ook de ten aanzien van hen genomen beslissingen niet in stand blijven.

2.19 De beroepen zijn mitsdien gegrond.

2.20 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 2.485,-- (1 punt voor het beroepschrift, 2 maal 1 punt voor het tweemaal verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen, wegingsfactor 1 ).

2.21 Uit de gegrondverklaringen volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad ƒ 225,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikkingen;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken, en indien referent nader gehoord zal worden binnen een termijn van 10 weken, opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van 18 januari 2000, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 2.485,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad ƒ 225,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. de Bruin als voorzitter en mrs. A.A.F. Donders en J.M. Janse van Mantgem als leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2001, in tegenwoordigheid van mr. drs. I. Boland als griffier.

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.