Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6492

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-07-2001
Datum publicatie
03-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/32220, 01/32221
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Sri Lanka / Tamil / littekens.

De president ziet in het standpunt van verweerder geen aanleiding om terug te komen op de conclusies die in de uitspraak van 17 juli 2001 (AWB 01/27841, 01/27842 en 01/27745) zijn getrokken. Wel merkt de president ten aanzien van verweerders opmerkingen over de passage in rechtsoverweging 2.21 van die uitspraak het volgende op. De president begrijpt de hier aan de orde zijnde passage in de uitspraak van 17 juli 2001 (kennelijk anders dan verweerder) niet aldus, dat naast een litteken dat sterk lijkt te duiden op gevechtshandelingen, sprake dient te zijn van een verdenking van LTTE-betrokkenheid. De president begrijpt bedoelde passage zó, dat sprake dient te zijn van een litteken dat (omdat deze sterk lijkt te duiden op gevechtshandelingen) een verdenking van LTTE-betrokkenheid doet ontstaan, in welk geval de betrokkene blijkens het ambtsbericht als regel voor nader onderzoek van ten hoogste één week zal worden vastgehouden. Verweerders lezing van bedoelde passage valt naar het oordeel van de president ook moeilijk te rijmen met het ambtsbericht van 27 april 2001. In het ambtsbericht wordt immers een duidelijk onderscheid gemaakt tussen littekens die sterk lijken te duiden op gevechtshandelingen (in welk geval nader onderzoek voor ten hoogste één week aan de orde is) en andere littekens (in welk geval geen aanleiding zal zijn tot verdere ondervraging). Dat onderscheid valt niet te begrijpen indien voor beide categorieën littekens geldt dat zij geen zelfstandig risico kunnen vormen.

In casu kan, gelet op aard en omvang van de littekens (duidelijk waarneembare littekens op rug als gevolg van zweepslagen), geenszins worden uitgesloten dat de littekens van verzoeker sterk kunnen duiden op gevechtshandelingen en een verdenking van LTTE betrokkenheid kunnen doen ontstaan. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01 / 32220 BEPTDN H (voorlopige voorziening)

AWB 01 / 32221 BEPTDN H (beroepszaak)

inzake: A, geboren op [...] 1977, van Srilankaanse nationaliteit, verblijvende in de P.I. Oostereiland te Hoorn, verzoeker,

gemachtigde: mr. L.B. Vellenga - van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Ramsaroep, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 16 mei 2001, genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure, is de door verzoeker op 12 mei 2001, ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 16 mei 2001 beroep ingesteld.

1.2 Bij uitspraak van 28 mei 2001 (met nummers 01/20338, 01/20357 en 01/20339) van deze rechtbank en nevenzittingsplaats is het beroep ongegrond verklaard.

1.3 Bij schrijven van 1 juni 2001 heeft verzoekers gemachtigde verweerder verzocht verzoeker in de gelegenheid te stellen een herhaalde asielaanvraag in te dienen. Verzoeker heeft vervolgens op 22 juni 2001 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ondertekend. Bij besluit van 16 juli 2001 is deze aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 18 juli 2001 beroep ingesteld.

1.4 Bij verzoekschrift van 18 juli 2001 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 24 juli 2001. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigde hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting gehoord. Het onderzoek ter zitting is aangehouden teneinde de gemachtigde van verzoeker in de gelegenheid te stellen te reageren op een door verweerder ter zitting overgelegd schrijven. Na ontvangst van de reactie van verzoekers gemachtigde op 26 juli 2001 heeft de president het onderzoek gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hierboven genoemde uitspaak van 28 mei 2001 is -voorzover hier relevant- overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker in de bijzondere negatieve aandacht van de Srilankaanse autoriteiten is komen te staan en thans nog staat.

2.4 Verzoeker heeft aan zijn herhaalde aanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft van oktober 1995 tot maart 1996 activiteiten voor de LTTE verricht. Dit heeft hij niet eerder verteld omdat de LTTE een verboden organisatie is en hij vreesde vanwege zijn betrokkenheid bij de LTTE geen verblijfsvergunning te kunnen krijgen. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat er jegens hem kort voor zijn vertrek uit Srilanka een arrestatiebevel (welke hij in kopie heeft overgelegd) is uitgevaardigd. Zijn moeder heeft dit voor hem verborgen gehouden, vermoedelijk om hem niet bang te maken.

Verder heeft verzoeker aangevoerd dat hij littekens heeft overgehouden aan de aanhouding, waarvan hij ter gelegenheid van zijn eerste aanvraag melding had gemaakt. Deze littekens, die zich op verzoekers rug bevinden en duidelijk waarneembaar zijn, zijn het gevolg van zweepslagen. Dat niet eerder duidelijk is geworden dat verzoeker littekens heeft, is het gevolg van problemen in de vertaling van de woorden marteling en mishandeling in het Tamil.

2.5 Verweerder heeft zich -voorzover hier van belang- in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoekers verklaringen omtrent zijn activiteiten voor de LTTE strijdig zijn met zijn eerdere verklaringen, dat niet valt in te zien waarom hij niet eerder de waarheid heeft verteld en dat een en ander in verdere mate afbreuk doet aan zijn asielrelaas. Voorts twijfelt verweerder aan het waarheidsgehalte van verzoekers verklaringen omtrent het arrestatiebevel, nu hij hierover eerder niet heeft verklaard. Bovendien heeft verzoeker bij zijn legale uitreis geen problemen ondervonden.

Tenslotte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor zover verzoeker heeft verklaard littekens te hebben, deze omstandigheid er evenmin toe leidt dat hij als vluchteling moet worden toegelaten. Gelet op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 27 april 2001 kan gesteld worden dat het hebben van littekens op zich geen verhoogd risico op arrestatie vormt. Geenszins is gebleken van feiten of omstandigheden waardoor in het geval van verzoeker wel sprake zou zijn van een verhoogd risico.

2.6 Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat verweerder ten onrechte twijfelt aan de juistheid van zijn verklaringen en dat verweerder het bestreden besluit had moeten aanhouden totdat verzoeker het originele arrestatiebevel heeft ontvangen.

Voorts stelt verzoeker zich op het standpunt dat verzoeker vanwege zijn littekens het risico loopt bij terugkeer te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.

2.7 De president ziet aanleiding eerst in te gaan op verzoekers laatste grief.

2.8 Voorop gesteld dient te worden dat het bevreemdend is dat verzoeker eerst ter gelegenheid van zijn tweede nader gehoor melding heeft gemaakt van het feit dat hij littekens heeft. Verzoeker is tijdens het eerste nader gehoor, ter gelegenheid van zijn eerste aanvraag, uitdrukkelijk en tot tweemaal toe, gevraagd naar eventuele littekens. Voorzover verzoeker moet worden gevolgd in zijn stelling dat hij door problemen met betrekking tot de vertaling in het Tamil de vraag niet goed heeft begrepen, valt niet goed te begrijpen waarom in een later stadium in de eerste procedure (bijvoorbeeld bij de nabespreking van het nader gehoor) een en ander niet aan het licht is gekomen.

Het voorgaande laat evenwel onverlet dat verweerder niet heeft bestreden dat verzoeker littekens heeft zoals door zijn gemachtigde beschreven en hierboven weergegeven. Dat verweerder niet kan bevestigen dat verzoeker bedoelde littekens heeft, zoals namens verweerder ter zitting is opgemerkt, kan niet tot het oordeel leiden dat verzoekers stelling als ongeloofwaardig opzij gezet dient te worden. Verweerder heeft immers ruimschoots gelegenheid gehad voorafgaand aan de totstandkoming van de bestreden beschikking verzoekers stelling op dit punt te verifiëren. Zulks kon ook van verweerder worden verwacht, nu een dergelijke verificatie eenvoudig te verrichten is. Gelet hierop dient er voor het onderhavige geschil voor te worden gehouden dat verzoeker littekens heeft zoals door zijn gemachtigde beschreven.

2.9 In de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 17 juli 2001 (met nummers 01/27841, 01/27842 en 01/27745), is (kort gezegd) geoordeeld dat verweerder, gelet op de inhoud van het hierbovengenoemde ambtsbericht, de conclusie heeft kunnen trekken dat littekens in het algemeen geen zelfstandig risico vormen op een arrestatie die leidt tot een detentie langer dan 48/72 uur en daarmee tot een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Littekens evenwel, die sterk lijken te duiden op gevechtshandelingen kunnen onder omstandigheden wel een zelfstandig risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM opleveren, zulks in de context van verdenking van LTTE-betrokkenheid.

2.10 Verweerder heeft zich -voorzover hier relevant- op het standpunt gesteld dat in de hierbovengenoemde uitspraak van 17 juli 2001 ten onrechte uit het ambtsbericht van 27 april 2001 is afgeleid dat littekens onder omstandigheden een zelfstandig risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM kunnen opleveren. Blijkens het ambtsbericht kunnen littekens slechts in combinatie met duidelijke andere aanwijzingen (naar de president begrijpt: van LTTE-betrokkenheid) tot een nadere ondervraging en een ophouding van langer dan 48/72 uur leiden. Verweerder heeft in dit verband gewezen op rechtsoverweging 2.21 van voornoemde uitspraak van 17 juli 2001, waarin van een context van LTTE-betrokkenheid wordt gesproken. Van een dergelijk context is in het onderhavige geval, aldus verweerder, geen sprake. Verweerders algemene standpunt naar aanleiding van de uitspraak van 17 juli 2001 is neergelegd in een brief van 23 juli 2001 in de zaak met nummer 01/29555.

2.11 De president ziet in het standpunt van verweerder geen aanleiding om terug te komen op de conclusies die in meergenoemde uitspraak van 17 juli 2001 zijn getrokken. Wel merkt de president ten aanzien van verweerders opmerkingen over de passage in rechtsoverweging 2.21 van die uitspraak het volgende op.

De president begrijpt de hier aan de orde zijnde passage in de uitspraak van 17 juli 2001 (kennelijk anders dan verweerder) niet aldus, dat naast een litteken dat sterk lijkt te duiden op gevechtshandelingen, sprake dient te zijn van een verdenking van LTTE-betrokkenheid. De president begrijpt bedoelde passage zó, dat sprake dient te zijn van een litteken dat (omdat deze sterk lijkt te duiden op gevechtshandelingen) een verdenking van LTTE-betrokkenheid doet ontstaan, in welk geval de betrokkene blijkens het ambtsbericht als regel voor nader onderzoek van ten hoogste één week zal worden vastgehouden. Verweerders lezing van bedoelde passage valt naar het oordeel van de president ook moeilijk te rijmen met het ambtsbericht van 27 april 2001. In het ambtsbericht wordt immers een duidelijk onderscheid gemaakt tussen littekens die sterk lijken te duiden op gevechtshandelingen (in welk geval nader onderzoek voor ten hoogste één week aan de orde is) en andere littekens (in welk geval geen aanleiding zal zijn tot verdere ondervraging). Dat onderscheid valt niet te begrijpen indien voor beide categorieën littekens geldt dat zij geen zelfstandig risico kunnen vormen.

2.12 De president is, gelet op de aard en omvang van de door verzoeker gestelde littekens, van oordeel dat geenszins kan worden uitgesloten dat die littekens sterk kunnen duiden op gevechtshandelingen en een verdenking van LTTE-betrokkenheid bij de Srilankaanse autoriteiten kunnen doen ontstaan. De omstandigheid dat de littekens blijkens verzoekers verklaringen niet het gevolg zijn van gevechtshandelingen is in dit verband niet relevant. Het gaat er immers om of de Srilankaanse autoriteiten in verzoekers littekens aanleiding kunnen zien hem daarover te ondervragen en hem daartoe langer dan 48/72 uur vast te houden. Gelet op het voorgaande ontbeert de bestreden beschikking een draagkrachtige motivering.

2.13 Het beroep is dan ook gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De overige grieven van verzoeker kunnen onbesproken blijven. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.14 In dit geval is aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 2.130,-- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 16 juli 2001;

3.2 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 1 juni 2001;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 2.130,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank,

nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.F. Donders, fungerend president en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2001, in tegenwoordigheid van mr. M.M.J. Daams als griffier.

Afschrift verzonden op: 27 juli 2001

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.