Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6328

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-11-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
09-754055-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-754055-00

rolnummer 0003

's-Gravenhage, 28 november 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

[geboortedatum] te Casablanca (Marokko),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 november 2001.

De verdachte is niet verschenen. Wel verschenen is zijn raadsman mr J.C. Spigt.

De officier van justitie mr S. de Vries heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 en 2 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Deze feiten zien toe op leveringen waarvan de pillen niet zijn onderschept en derhalve niet zijn onderzocht op de aanwezigheid van op grond van de Opiumwet verboden stoffen. Van deze pillen kan ook niet op andere wijze bewezen worden geacht dat ze genoemde stoffen bevatten.

De bewijsmiddelen.

P.M.

Nietigheid dagvaarding.

Ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3 heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat de telastlegging nietig is omdat deze niet voldoende feitelijk is. Volgens de raadsman is niet duidelijk gesteld wanneer de feiten gepleegd zijn en welke op grond van de Opiumwet verboden stoffen het betreft.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De telastgelegde feiten zijn voor verdachte mede gelet op de inhoud van het procesdossier voldoende kenbaar zodat hij zich daartegen kan verweren.

Voorts heeft de raadsman ten aanzien van feit 4 aangevoerd dat hij op de zitting van 4 september 2001 een concept vordering aanpassing omschrijving telastlegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering heeft ontvangen en dat op grond daarvan geen recht gesproken mag worden.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

Ter terechtzitting van 14 november 2001 heeft de officier van justitie de vordering aanpassing omschrijving telastlegging gelijk aan voornoemd concept overgelegd aan de rechtbank en deze is door de rechtbank vastgesteld.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 3 en 4 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft zich beziggehouden met handel in XTC-pillen. Zijn rol bestond uit het kopen van een groot aantal voor de handel bestemde materialen bevattende amfetamine, MDMA en/of NMDA. Voorts heeft hij een hoeveelheid van een mengsel bevattende hennephars en hashish voorhanden gehad.

Verdachte heeft een rol gespeeld bij het in omloop brengen van grote voor handelsdoeleinden bestemde hoeveelheden XTC-pillen. Deze pillen bevatten stoffen waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar die ook direct en indirect oorzaak zijn van vele vormen van criminaliteit en overlast.

Uit een op naam van verdachte staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt dat hij eerder met justitie in aanraking is geweest.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 47, en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 3 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij

-gewijzigde-dagvaarding onder 3 en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 3:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

ten aanzien van feit 4:

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, EERSTE LID, ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :28 mei 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op :31 mei 2001,

welke voorlopige hechtenis werd

geschorst met ingang van :4 september 2001,

welke schorsing van de voorlopige

hechtenis werd opgeheven

met ingang van : 14 november 2001,

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs I.E. de Vries, voorzitter,

E.R. Houweling en N.O.P. Roché, rechters,

in tegenwoordigheid van H.J. van Dijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2001.

Mr Roché is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.