Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6326

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-11-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
09-754066-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-754066-01

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 28 november 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

[geboortedatum] te Rotterdam,

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 november 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr L.P. Lagerweij, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr S. de Vries heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 1 primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen straf het volgende overwogen. Verdachte is betrokken geweest bij handel in XTC-pillen. Verdachte was medeplichtig bij het verwerken van stoffen die op grond van de Opiumwet zijn verboden, door een bedrijfsruimte aan anderen ter beschikking te stellen waarin voornoemde stoffen werden verwerkt.

Voorts zijn in die bedrijfsruimte een groot aantal pillen en een hoeveelheid poeder gevonden, bevattende stoffen die op grond van de Opiumwet zijn verboden. Verdachte heeft door het beschikbaarstellen van zijn bedrijfsruimte rekening moeten houden met de aanmerkelijke kans dat degenen die de bedrijfsruimte gebruikten verboden middelen voorhanden zouden hebben in die bedrijfsruimte.

Verdachte heeft door zijn handelwijze een rol gespeeld bij het in omloop brengen van grote voor handelsdoeleinden bestemde hoeveelheden XTC-pillen. Deze pillen bevatten stoffen waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar die ook direct en indirect oorzaak zijn van vele vormen van criminaliteit en overlast.

De rechtbank heeft acht geslagen op een voorlichtingsrapport van het Leger des Heils d.d. 5 november 2001.

Uit een op naam van verdachte staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

Ter terechtzitting heeft de verdachte afstand gedaan van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 4, 7, 9, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 26, 27, 28 en 29 verbeurdverklaren, zijnde deze voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 2, 3, 5, 6, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16A, 16B, 16C, 16D, 17, 24 en 25 onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen de opsporing van de bewezenverklaarde misdrijven is belemmerd en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 33, 33a, 36b, 36c, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 48 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 1 primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

MEDEPLICHTIGHEID BIJ OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

ten aanzien van feit 2:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;

en

gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :30 mei 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op :1 juni 2001,

welke voorlopige hechtenis werd

opgeschort met ingang van :1 juni 2001,

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis;

verklaart verbeurd de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4, 7, 9, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 26, 27, 28 en 29;

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 2, 3, 5, 6, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16A, 16B, 16C, 16D, 17, 24 en 25;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs I.E. de Vries, voorzitter,

E.R. Houweling en N.O.P. Roché, rechters,

in tegenwoordigheid van H.J. van Dijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2001.

Mr Roché is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.