Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6285

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-11-2001
Datum publicatie
28-11-2001
Zaaknummer
09-037397-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-037397/01

's-Gravenhage, 28 november 2001.

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

[geboortedatum] te Herat (Afganistan),

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 november 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr Urcun, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Boersma heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar bij dagvaarding onder 1 telastgelegde medeplegen van moord en het haar bij dagvaarding onder 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 2 is telastgelegd, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging.

Door de raadsman is namens de verdachte ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat, zo zijn cliënte al bij het om het leven brengen van het slachtoffer aanwezig is geweest, deze aanwezigheid nog geen nauwe en bewuste samenwerking en derhalve medeplegen oplevert. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt in verband daarmee dat verdachte wist dat, doordat haar [dochter], het latere slachtoffer, geen maagd meer was, de familie-eer was geschonden en er door de familie maatregelen moesten worden getroffen om die familie-eer te herstellen. Zij wist dat deze maatregelen in het uiterste geval het ombrengen van het slachtoffer zouden inhouden. Verdachte heeft gehoord dat door haar echtgenoot aan diens broer - nadat eerst een familieberaad had plaatsgevonden - toestemming is gevraagd het slachtoffer te mogen doden. Zij is desondanks met haar dochter bij haar echtgenoot in de auto gestapt en meegereden, zo het vertrouwen wekkend dat haar dochter veilig was. Verdachte is met deze wetenschap bij het doden van het slachtoffer door haar echtgenoot aanwezig geweest. Zij heeft op geen enkel moment ingegrepen en is ten slotte samen met haar echtgenoot weer naar huis gegaan.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 vermelde medeplegen van moord heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden, waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank overweegt voorts met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf als volgt.

Verdachte en haar echtgenoot hebben, nadat zij er van op de hoogte raakten dat hun dochter geen maagd meer was, getracht de hierdoor geschonden familie-eer te herstellen door de vriend van hun dochter te bewegen met haar te trouwen. Toen dit niet lukte restte verdachte en haar echtgenoot in hun visie niets anders dan hun dochter te doden. Nadat verdachtes echtgenoot hiervoor toestemming aan zijn oudere broer had gevraagd heeft hij zijn dochter, in bijzijn van verdachte, gewurgd.

Het slachtoffer was een zestienjarige dochter van verdachte en haar echtgenoot. Zij was volkomen weerloos en afhankelijk van haar ouders en verdere familie. Verdachte heeft als moeder - in plaats van haar kind te beschermen - het normale vertrouwen dat een kind in haar moeder heeft volledig te niet gedaan door haar eigen kind te doden.

De rechtbank gaat er van uit dat verdachte haar dochter niet zelf om het leven heeft gebracht en hiertoe ook niet het initiatief heeft genomen. Anderzijds heeft verdachte in de loop van de gebeurtenissen de kansen om in de gebeurtenissen in te grijpen voorbij laten gaan. Zij is voorts tot op het laatst aanwezig gebleven.

Door het plegen van dit gruwelijke misdrijf heeft verdachte grote maatschappelijke onrust veroorzaakt en is de rechtsorde ern-stig geschokt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het psychiatrisch rapport van L.A. Vink d.d. 9 november 2001, waarin deze onder meer concludeert verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank na te melden gevangenisstraf passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het haar bij dagvaarding onder 2 telastgelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 telastgelegde medeplegen van moord heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

MEDEPLEGEN VAN MOORD;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 13 maart 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 16 maart 2001;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Kalk, voorzitter,

Valk en Raeijmaekers, rechters,

in tegenwoordigheid van Rietbroek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2001.