Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6273

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-11-2001
Datum publicatie
28-11-2001
Zaaknummer
09.040.314-01 en 09.008.410-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

ECONOMISCHE POLITIERECHTER

(VERKORT VONNIS)

parketnummers 09.040.314-01 en

09.008.410-00

rolnummer 13 en 14

's-Gravenhage, 26 november 2001

De economische politierechter te 's-Gravenhage heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte :

de besloten vennootschap

[verdachte] B.V.

gevestigd aan [adres]

[vestigingsplaats],

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 november 2001.

De bestuurder van verdachte, [de man], bijgestaan door de raadsman mr A.A.M. van Beek, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr De Waardt heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar bij dagvaarding met parketnummer 09.040.314-01 verder te noemen dagvaarding I telastgelegde wordt veroordeeld tot tien geldboetes van f. 12.000,-- en terzake van het haar bij dagvaarding met parketnummer 09.008.410-01, verder te noemen dagvaarding II telastgelegde ten aanzien van feit 1 wordt veroordeeld tot 7 geldboetes van f. 2.400,-- en ten aanzien van feit 2 tot 12 geldboetes van f. 2.400,--.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopieën van de dagvaardingen, gemerkt A1 en A2.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de officier van justitie niet in de vervolging kan worden ontvangen nu de vennootschap terzake van de geconstateerde overtredingen ook al zou zijn gestraft doordat zij van de IKB-regeling zou zijn uitgesloten en dat het aan het IKB betaalde bedrag van f. 25.000,-- ter verkrijging van een licentie na intrekking van die licentie niet is teruggestort.

De economische politierechter overweegt het volgende.

Terecht wordt namens verdachte gesteld dat de IKB-regeling een uitvloeisel is van de publieke taak van het produktschap en dat sancties die uit hoofde van die taak zouden zijn opgelegd in strijd zijn met artikel 5 van de Wet op de economische delicten. Niet valt in te zien echter dat het niet restitueren van eerdergenoemd bedrag na intrekking van de licentie, dient te worden beschouwd als een sanctie. In die zin is er derhalve niet gehandeld in strijd met artikel 5 van de Wet op de economische delicten en kan ook overigens niet worden gezegd dat verdachte, indien het in het onderhavige geval zou komen tot een veroordeling, twee maal wordt gestraft voor hetzelfde feit.

De officier van justitie kan daarom worden ontvangen in de vervolging.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de economische politierechter op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht de economische politierechter wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1 en 2 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht

-en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat overtreding van artikel 2, eerste lid van de Verordening verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-algonisten 1997, verder te noemen de Verordening, niet strafbaar is gesteld en dat daarom zijn cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Primair stelt de raadsman hiertoe dat de Landbouwwet niet de basis biedt voor de strafbaarstelling van overtredingen van voorschriften op grond van de Verordening nu de daarop betrekking hebbende artikelen 13 en 19 zich uitdrukkelijk beperken tot een heffingensysteem.

Vervolgens stelt de raadsman dat de basis voor de strafbaarstelling van overtredingen van voorschriften gesteld in eerdergenoemde Verordening is gelegen in de Wet op de bedrijfsorganisatie.

De economische politierechter kan de raadsman in zijn betoog ten aanzien van de toepasselijkheid van de wetgeving volgen.

Met betrekking tot de strafbaarstelling van de overtreden norm overweegt de economische politierechter het volgende.

In artikel 1 onder 4° van de Wet op de economische delicten wordt onder andere artikel 93 van de Wet op de bedrijfsorganisatie -voorzover aangewezen als strafbaar feit- als economisch delict aangemerkt.

Artikel 93, eerste lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie luidt:

"Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden".

Artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie luidt:

"De verordening van de Raad (EPR: hier wordt bedoeld de Sociaal Economische Raad) waarbij een bedrijfslichaam is ingesteld bepaalt, of en in hoeverre bij verordeningen van dat bedrijfslichaam overtredingen van het bij of krachtens zodanige verordeningen, met uitzondering van de arbeids- en rusttijden, bepaalde kunnen worden aangewezen als strafbare feiten".

Artikel 7 van de Instellingsverordening Productschap Vee en Vlees van 19 mei 1995, die voor de betreffende uit 1997 daterende verordening van toepassing is luidt:

"Overtredingen van het bepaalde bij of krachtens een op grond van artikel 5 vastgestelde verordening kunnen bij de verordening (deze benadrukking is aangebracht door de economische politierechter) worden aangewezen als strafbare feiten".

De economische politierechter leidt uit deze bepalingen af, dat (het bestuur van) het Produktschap voor Vee en Vlees, zijnde een bedrijfslichaam als voornoemd, bevoegd is een verordening als de onderhavige vast te stellen en overtredingen bij of krachtens een zodanige verordening aan te wijzen als strafbare feiten.

In de Verordening verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-algonisten 1997 is artikel 2 echter niet uitdrukkelijk aangewezen als strafbaar feit. Hieruit volgt dat, hoewel het telastgelegde bewezen is, het bewezenverklaarde volgens de wet niet strafbaar is en dat verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

Beslissing.

De economische politierechter,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I en de bij dagvaarding II onder 1en 2 telastgelegde feiten zoals weergegeven in de bewezenverklaring gemerkt B heeft begaan;

verklaart het bewezene niet strafbaar;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard;

spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr de Sampayo Garrido-Nijgh, economische politierechter,

in tegenwoordigheid van mr Verburgt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de economische politierechter in deze rechtbank van 26 november 2001, zijnde de griffier niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.