Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6246

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-06-2001
Datum publicatie
28-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/24698, 01/24695
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AC-procedure / Iraanse christen / bekering.

Eisers hebben een beroep gedaan op de zogenoemde motie Rouvoet van 7 november 2000 (TK 2000-2001, 19 637, 546), waarin de Tweede Kamer de mening uitspreekt dat bij de beoordeling van asielaanvragen van bekeerde moslims als leidend uitgangspunt behoort te gelden dat bekeerde moslims bij terugkeer naar Iran hun nieuwe geloof op dezelfde wijze kunnen belijden als de overige niet-moslims in Iran. De rechtbank stelt voorop dat deze door de Tweede Kamer aangenomen motie - naar het haar voorkomt - gelet op haar bewoordingen niet erg verstrekkend is. Immers, godsdienstvrijheid voor niet-moslims in Iran moet in het algemeen beperkt worden geacht. Deze motie heeft ook verder niet geleid tot aanpassing van verweerders beleid. Hoe dit ook zij, uit het ambtsbericht van 30 augustus 2000 blijkt dat bekeerde moslims in de praktijk in staat zijn hun nieuwe godsdienst tot op zekere hoogte te praktiseren, waarbij wordt opgemerkt dat wekelijks kerkbezoek tot de mogelijkheden behoort. Uit het ambtsbericht komt niet naar voren dat bekeerde moslims hun godsdienst niet op dezelfde wijze kunnen uitoefenen als andere niet-moslims. Aangaande het door eisers gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel, waarbij is verwezen naar een aantal door verweerder toegekende vluchtelingenstatussen in zaken van bekeerde Iraniërs, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de door eisers overgelegde stukken, merendeels toewijzende beschikkingen, blijkt de rechtbank niet eenduidig dat enkel en alleen op grond van bekering tot het christendom in Nederland een vluchtelingenstatus is verleend. Dit kan immers ook om andere (bijkomende) redenen zijn geschied. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel dient dan ook te falen. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:67

Algemene wet bestuursrecht en 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000)

Reg.nr : AWB 01/24698 BEPTDN

AWB 01/24695 BEPTDN

Inzake : A en B, van Iraanse nationaliteit, eisers,

gemachtigde, mr. M.J. van Basten Batenburg,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr.A.T. Idema.

1. ZITTING

Datum: 22 juni 2001.

Zitting hebben:

mr. M.J. van den Bergh, lid van de enkelvoudige kamer,

mr. A.C.M. Rijkelijkhuizen, griffier.

Ter zitting zijn verschenen eisers in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat op 25 juni 2001 om 14.00 uur mondeling uitspraak wordt gedaan. De uitspraak luidt als onder 3. vermeld.

2. OVERWEGINGEN

In geschil zijn de besluiten van 8 juni 2001, waarbij met toepassing van de Aanmeldcentrumprocedure (AC-procedure) als neergelegd in hoofdstuk C3/12 van de Vreemdelingencirculaire 2000, de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bt) als bedoeld in artikel 28 Vw2000 zijn afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid Vw2000.

Van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83 Vw2000 is de rechtbank in het onderhavige geval niet gebleken.

Eisers, echtelieden, hebben reeds eerder aanvragen om toelating als vluchteling alsmede om verlening van een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard ingediend. Bij rechterlijke uitspraak van 22 december 2000 van deze Rechtbank zittingsplaats te Den Bosch, met als zaaksnummer AWB 98/467 VRWET, is het beroep gericht tegen de ongegrondverklaring van de bezwaarschriften, ongegrond verklaard.

Ter onderbouwing van de onderhavige (tweede) aanvragen hebben eisers aangevoerd dat zij tijdens hun verblijf in Nederland zijn bekeerd tot de christelijke godsdienst, de Gereformeerd Vrijgemaakte Kerk. Op 22 april 2001 zijn zij gedoopt. Eisers hebben aangevoerd dat in Iran moslims die zich tot een andere godsdienst hebben bekeerd, worden aangemerkt als afvalligen. Hierop staat in Iran de doodstraf. Eisers stellen voorts dat hun bekering tot de christelijke godsdienst zeker bekend zal worden bij de autoriteiten. Gelet hierop kunnen zij dan ook niet naar Iran terugkeren.

Naar het oordeel van de rechtbank is boven elke twijfel verheven dat dit novum niet tot vluchtelingschap kan leiden. De rechtbank overweegt daartoe dat bekering door een Iraanse moslim tot het christendom door de Iraanse autoriteiten niet op prijs zal worden gesteld, doch dat eisers hiervoor zelf hebben gekozen. Dit, terwijl eisers door de uitspraak van de rechtbank in hun eerste procedure ervan op de hoogte waren dat zij niet in Nederland zouden worden toegelaten en dienden terug te keren naar Iran.

Ingevolge het thans geldende beleid zoals neergelegd in Werkinstructie 208 dient een asielzoeker die zich in Nederland heeft bekeerd zelf aannemelijk te maken welke feiten en/of omstandigheden tot de conclusie leiden dat de bekering bij de Iraanse autoriteiten bekend is geworden of zal worden. Eisers hebben gesteld dat het onvermijdelijk is dat hun bekering op een gegeven moment bekend zal worden omdat zij niet meer naar de moskee zullen gaan om aldaar het gebed te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee echter niet aannemelijk gemaakt dat ook de Iraanse autoriteiten van de bekering op de hoogte zullen geraken, zodat eisers op grond hiervan al niet voor toelating tot Nederland in aanmerking komen.

Eisers hebben meer speciaal een beroep gedaan op de zogenoemde motie Rouvoet van 7 november 2000 (TK 2000-2001, 19637, nummer 546), waarin de Tweede Kamer als haar mening uitspreekt dat bij de beoordeling van asielaanvragen van bekeerde moslims als leidend uitgangspunt behoort te gelden dat bekeerde moslims bij terugkeer naar Iran hun nieuwe geloof op dezelfde wijze kunnen belijden als de overige niet-moslims in Iran. De rechtbank stelt voorop dat deze door de Tweede Kamer aangenomen motie - naar het haar voorkomt - gelet op haar bewoordingen niet erg verstrekkend is. Immers, de godsdienstvrijheid voor niet-moslims in Iran moet in het algemeen beperkt worden geacht. Deze motie heeft ook verder niet geleid tot aanpassing van verweerders beleid. Hoe dit ook zij, uit het Algemeen ambtsbericht inzake de situatie in Iran d.d. 30 augustus 2000 blijkt, dat bekeerde moslims in de praktijk in staat zijn hun nieuwe godsdienst tot op zekere hoogte te praktiseren, waarbij wordt opgemerkt dat wekelijks kerkbezoek tot de mogelijkheden behoort. Uit het ambtsbericht komt niet naar voren dat bekeerde moslims hun godsdienst niet op dezelfde wijze kunnen uitoefenen als andere niet-moslims.

Aangaande het door eisers gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel, waarbij is verwezen naar een aantal door verweerder toegekende vluchtelingen-statussen in zaken van bekeerde Iraniërs overweegt de rechtbank als volgt. Uit de door eisers overgelegde stukken, merendeels toewijzende beschikkingen, blijkt de rechtbank niet eenduidig dat enkel en alleen op grond van bekering tot het christendom in Nederland een vluchtelingenstatus is verleend. Dit kan immers ook om andere (bijkomende) redenen zijn geschied. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel dient dan ook te falen.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, op grond waarvan verweerder genoodzaakt was tot een andersluidende beslissing te komen.

Ingevolge artikel 3 EVRM, artikel 3 AFV en artikel 7 IVBPR dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkenen een reëel risico lopen te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van eisers naar Iran strijd oplevert met deze artikelen.

Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard, die verband houden met de redenen van het vertrek van eisers uit het land van herkomst, op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.

Met betrekking tot de door eisers gestelde termijnoverschrijding in de AC-procedure overweegt de rechtbank dat er sprake is van een termijnover-schrijding van nagenoeg 4 uur, waarvan 3,5 uur voor rekening van rechtshulpverlening komt. Temeer daar er in het onderhavige geval sprake is van tweede aanvragen, acht de rechtbank geen reden aanwezig de aanvragen niet AC-waardig te achten.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht binnen de AC-procedure de aanvragen van eisers heeft afgewezen. De bestreden besluiten komen - gelet op het voorgaande - niet voor vernietiging in aanmerking.

De beroepen zijn derhalve ongegrond.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

3. BESLISSING

De arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen ongegrond.

4. RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op: 26 juni 2001