Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6190

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/7322
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Mvv / buitenbehandelingstelling / derde asielaanvraag.

De strekking van artikel 4:5 Awb maakt dat dit een bijzonder type besluit is, nu met het nemen van het besluit door het bestuursorgaan de aanvraag buiten behandeling te laten in beginsel een eind komt aan het besluitvormingstraject. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2001is de president van oordeel dat, gelet op deze bijzondere strekking, de beslissing van verweerder om de aanvraag van verzoeker buiten behandeling te stellen, ex tunc getoetst dient te worden en derhalve met inachtneming van het op dat moment geldende recht. Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek zal de president dan ook uitgaan van hetgeen is opgenomen in de Vw. De president toetst in casu de toepassing van artikel 16a, eerste lid, Vw, dat bepaalt dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen, indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv. Verzoeker heeft voordat hij een reguliere aanvraag heeft ingediend een derde asielaanvraag ingediend, waarop ten tijde van de beschikking in primo nog niet onherroepelijk was beslist. De president is van oordeel dat geen sprake was van het gebruiken van de asielprocedure om zonder mvv een reguliere aanvraag in te dienen. Toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

President

regnr.: Awb 01/7322 OVERIO GV

uitspraak: 26 juli 2001

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1977,

verblijvende te B,

van Turkse nationaliteit,

IND dossiernummer 9605.01.8090,

verzoeker,

gemachtigde: mr. I. Vreeken, advocaat te Zutphen;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. D.N.N. Jansen, ambtenaar ten departemente.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 2 november 2000 heeft verzoeker een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij echtgenote gedaan. Bij beschikking van 24 november 2000 heeft de korpschef van de regiopolitie te Lochem namens verweerder de aanvraag

buiten behandeling gesteld.

1.2 Verzoeker heeft daartegen bij brief van 21 december 2000 bezwaar gemaakt. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

1.3 Bij verzoekschrift van 14 februari 2001 heeft verzoeker de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan verzoeker gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 juli 2001. Verzoeker is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ter zitting was een tolk aanwezig. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de

rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet 1965 (Vw) ingetrokken. Op grond van het overgangsrecht van de Vw 2000 blijft op lopende bezwaarprocedures het procedurele recht van de Vw van

toepassing. De president dient te beoordelen welk materieel recht in de onderhavige procedure van toepassing is.

2.3 In het verweerschrift merkt verweerder ten aanzien van het toepasselijke materiële recht het volgende op.

Op grond van artikel 118, tweede lid, Vw2000 zijn op de behandeling van een bezwaarschrift als het onderhavige de bepalingen van het oude procedurele recht van toepassing, zodat ook hetgeen is bepaald in artikel 32 Vw1965 van toepassing is. Daarnaast

geldt in zijn algemeenheid dat bij de beoordeling in bezwaar ex nunc wordt getoetst. Dat wil zeggen dat de heroverweging dient plaats te vinden op basis van het op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar geldende recht. Procedureel oud recht

en materieel nieuw recht lopen in besluiten waarbij de aanvraag ex artikel 16a Vw1965 buiten behandeling zijn gesteld op het eerste gezicht door elkaar. Het uitgangspunt dat de heroverweging dient te geschieden op basis van het op het moment van het

nemen van een besluit op bezwaar geldende recht, leidt in jurisprudentie uitzondering in geval het een buitenbehandelingstelling betreft. Verwezen wordt naar een uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2001 (JB

2001,36). De toetsing beperkt zich tot de rechtmatigheid van de buitenbehandelingstelling en er wordt niet toegekomen aan de materiële beoordeling van de aanvraag en het bezwaarschrift. Het is immers niet juist om materiële aspecten (mvv als

afwijzingsgrond) te betrekken in de heroverweging nu deze ziet op een puur formele kwestie (de aanvraag was naar oud recht onvolledig).

2.4 De president oordeelt als volgt.

Artikel 4:5, eerste lid, Awb bepaalt dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de

aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

De strekking van artikel 4:5 Awb maakt dat dit een bijzonder type besluit is, nu met het nemen van het besluit door het bestuursorgaan de aanvraag buiten behandeling te laten in beginsel een eind komt aan het besluitvormingstraject.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2001 (JB 2001,36) is de president van oordeel dat, gelet op deze bijzondere strekking, de beslissing van verweerder om de aanvraag van verzoeker buiten

behandeling te stellen, ex tunc getoetst dient te worden en derhalve met inachtneming van het op dat moment geldende recht. Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek zal de president dan ook uitgaan van hetgeen is opgenomen in de Vreemdelingenwet

1965 (Vw). De president toetst in casu de toepassing van artikel 16a, eerste lid, Vw, dat bepaalt dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen, indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv.

In aansluiting op de uitspraak van de Rechtseenheidskamer (REK) van deze rechtbank van 5 juni 2001 (JV 2001,167), overweegt de president dat indien en voor zover een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule ex artikel 16a, zesde lid, Vw, de hieraan

ten grondslag liggende bijzondere individuele omstandigheden, gelet op de aard van de hardheidsclausule, dienen te worden heroverwogen in bezwaar.

De president zal toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

2.5 Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van

een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.6 Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat verzoeker niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoeker heeft aangevoerd dat hij van het mvv-vereiste dient te worden vrijgesteld op grond van

artikel 16a, derde lid, Vw. Zijn aanvraag om toelating als vluchteling is bij beschikking van 13 december 1999 kennelijk ongegrond verklaard en het daartegen gerichte bezwaarschrift is bij beschikking van 29 augustus 2000 ongegrond verklaard. Het enkele

feit dat verzoeker de uitspraak op de ingediende voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten, leidt niet tot een ander oordeel.

In verband met het geconstateerde gebrek is verzoeker op 2 november 2000 een termijn van 8 dagen gesteld om de aanvraag aan te vullen. Verzoeker heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.7 Verzoeker stelt zich op het volgende standpunt.

Verzoeker behoort tot één van de categorieën vreemdelingen die op grond van artikel 16a, derde lid, Vw en artikel 16a, vierde lid, Vw j( artikel 52a Vreemdelingenbesluit (Vb) van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld danwel nu verzoeker een beroep op de

hardheidsclausule van artikel 16a, zesde lid, Vw toekomt.

Verzoeker heeft wel degelijk gebruik gemaakt van de termijn om zijn aanvraag aan te vullen, nu hij op 10 november 2000 een brief van zijn gemachtigde heeft overgelegd.

Het beroep van verzoeker op artikel 16a, derde lid, onder b, Vw is ten onrechte afgewezen. Niet doorslaggevend is het feit dat de asielaanvraag zowel in primo als in bezwaar niet is ingewilligd, maar dat op de aanvraag nog niet onherroepelijk is

beslist. Er loopt immers nog een beroepsprocedure en een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker verwijst in dit kader naar de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, van 18 augustus 2000 (Awb 97/5803

en 00/2133).

De Turkse autoriteiten in Nederland hebben inmiddels op 30 maart 2001 een paspoort aan verzoeker afgegeven.

De echtgenote van verzoeker heeft op 1 mei 2001 een arbeidsovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd. Verzoeker legt een loonstrook van haar over betreffende de maand mei 2001. Verzoeker verwijst bovendien naar de uitspraak van de meervoudige kamer van

de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, van 29 januari 2001 (Awb 99/3639).

Verzoeker legt twee uitspraken over van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam 22 november 2000 en de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Arnhem van 18 december 2000.

Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat zijn Nederlandse vrouw zwanger is.

2.8 Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld. Niet is gebleken dat in het onderhavige geval een geslaagd beroep kan worden gedaan op een of meer vrijstellingscategorieëen zoals

genoemd in artikel 16a, derde lid, Vw1965 en/of artikel 52a Vreemdelingenbesluit. Verzoeker heeft zich bij het indienen van de aanvraag beroepen op de vrijstelling genoemd in artikel 16a, derde lid, Vw1965. Bij beschikking van 29 augustus 2000 is het

bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard, waarmee naar de mening van verweerder vaststaat dat verzoeker geen vluchteling is in de zin van het Verdrag en dat hij niet (meer) kan worden aangemerkt als een persoon die een aanvraag heeft ingediend om

toelating als vluchteling. Ten overvloede verwijst verweerder nog naar de uitspraak van de rechtbank van 12 april 2001, waarbij het beroep van verzoeker ongegrond is verklaard.

Het beroep van verzoeker op de hardheidsclausule, dat hij heeft gedaan tijdens de bezwaarfase, kan in verband met de ex tunc-toetsing niet worden meegenomen. Ten tijde van de aanvraag is door verzoeker niets aangevoerd dat ziet op de hardheidsclausule.

Verweerder verwijst in dit kader naar de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Assen, van 5 juni 2001 (Awb 00/5910).

Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn aanvraag binnen tien dagen aan te vullen. Verweerder gaat voorbij aan de door verzoeker in bezwaar overgelegde gegevens en aanvullende brieven met betrekking tot de toelatingseisern, nu de

vraag of aan de terzake geldende voorwaarden wordt voldaan niet aan de orde is.

De weigering om aan verzoeker verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

(EVRM). Er is geen sprake van inmenging op genoemd recht. Er bestaat geen positieve verplichting voor verweerder om verzoeker verblijf in Nederland toe te staan. Het tegenwerpen van het mvv-vereiste houdt in casu niet noodzakelijkerwijs in dat aan het

familie- of gezinsleven van verzoeker en zijn partner niet te eniger tijd hier te lande invulling kan worden gegeven. Niet is gebleken van een objectieve belemmering het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

Verweerder concludeert tot afwijzing van het verzoek en ongegrondverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw1965 j(118, tweede lid, Vw. Hierbij wordt nog opgemerkt dat het feit dat de beslissing op bezwaar door de rechter de

rechtsgevolgen heeft als genoemd in artikel 45 Vw in de visie van verweerder niet van invloed is op de (omvang van de) verplichting ex artikel 33 b Vw1965 zoveel mogelijk tevens tevens over de niet-inwilliging van de aanvraag te beslissen.

2.9 De president oordeelt als volgt.

2.10 Artikel 16a, eerste lid, Vw bepaalt dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen, indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, welke hij heeft aangevraagd bij en welke hem verstrekt is door de Nederlandse diplomatieke

of consulaire vertegenwoordiging in het land van zijn herkomst of het land van zijn bestendig verblijf.

Artikel 16a, derde lid, Vw noemt enkele categorieën van vreemdelingen die worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Ook artikel 52a van het Vreemdelingenbesluit (Vb) noemt een aantal gevallen waarbij vrijstelling plaatsvindt.

Nu verzoeker een beroep heeft gedaan op één van de vrijstellingscategorieën genoemd in artikel 16a, derde lid, Vw, dient de president te beoordelen of verweerder zich op het moment van het nemen van de beslissing op het standpunt kon stellen dat dit

beroep niet kon slagen.

2.11 Verzoeker heeft een beroep gedaan op de vrijstelling genoemd in artikel 16a, derde lid, aanhef en onder b, Vw, dat bepaalt dat van het bezit van een machtiging tot verblijf zijn vrijgesteld vreemdelingen die een aanvraag om toelating als

vluchteling hebben ingediend als bedoeld in artikel 15, eerste lid, Vw.

In de nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 1996-1997, 24 544, nr.6) met betrekking tot het voorstel van wet van de leden De Hoop Scheffer en Verhagen tot wijziging van de Vreemdelingenwet (wettelijke

vastlegging van de machtiging tot voorlopig verblijf) is ten aanzien van artikel 16a, derde lid, aanhef en onder b, Vw het volgende opgenomen.

(...) vreemdelingen die een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend zijn niet mvv-plichtig. Dit betreft dus de gevallen dat een asielzoeker in procedure is. Indien het verzoek wordt afgewezen, dient de betrokkene, om op een andere grond

alsnog toelating te krijgen, een mvv aan te vragen. Wij wijzen erop dat, indien dit anders zou zijn, de asielprocedure zou kunnen worden gebruikt om zonder mvv een reguliere verblijfsvergunning aan te vragen.

Zoals al eerder door deze nevenzittingsplaats en andere nevenzittingsplaatsen is geoordeeld, dient "in procedure" zo te worden uitgelegd dat het gaat om aanvragen om toelating waarop nog niet onherroepelijk is beslist.

Ten tijde van het nemen van de beslissing de reguliere aanvraag buiten behandeling te stellen, was nog niet onherroepelijk op de asielaanvraag van verzoeker beslist. Gelet op de ex tunc-toetsing kan het feit dat door de uitspraak van de

arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, van 12 april 2001 wel onherroepelijk op de aanvraag is beslist, niet worden meegenomen.

Dat het in casu een derde asielaanvraag betreft, maakt dit naar het oordeel van de president niet anders. Uit de genoemde nota naar aanleiding van het verslag leidt de president af dat de asielprocedure niet mag worden gebruikt om zonder mvv een

reguliere verblijfsvergunning aan te vragen. De president is van oordeel dat in het geval van verzoeker geen sprake is van misbruik van de asielprocedure. De asielaanvraag van verzoeker is ingediend op 14 januari 1999, waarbij hij enkele documenten

heeft overgelegd. De reguliere aanvraag is ingediend op 2 november 2000, zodat niet kan worden gesteld dat verzoeker de asielprocedure heeft gebruikt om zonder mvv een aanvraag voor verblijf bij echtgenote in te dienen.

2.12 De voorlopige voorziening dient reeds hierom te worden toegewezen.

2.13 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:84 j° 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zoals hierna weergegeven. Nu het verzoek wordt toegewezen ziet de president tevens aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht.

3 BESLISSING

De president:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in die zin dat verweerder wordt gelast de uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat vier weken zijn verstreken nadat op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ad ƒ 1420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 225,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. van Uchelen en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2001 in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier.

--------------

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 26 juli 2001