Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6189

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-07-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/31920
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / horen / rechtsbijstand.

Eiser, een Turk, heeft aangevoerd dat hij voor de inbewaringstelling is gehoord zonder de bijstand van een raadsman. Verweerder heeft wel, alvorens te horen, de piketdienst ingelicht, maar heeft vervolgens niet twee uur gewacht op een reactie van de piketdienst. Dit laatste is volgens eiser in strijd met het bepaalde in hoofdstuk A5/5.3.4.2 Vc 2000. De rechtbank overweegt hieromtrent dat in hoofdstuk A5/5.3.4.2 Vc 2000 wordt bepaald dat, in het geval de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst, zo spoedig mogelijk de advocatenpiketdienst bij voorkeur per fax wordt ingelicht. Indien binnen twee uur na de verzending van het bericht geen advocaat aanwezig is, kan met het gehoor begonnen worden. Geeft de advocatenpiketdienst of de dienstdoende advocaat aan dat de advocaat niet bij het gehoor aanwezig wil zijn, dan kan met het gehoor begonnen worden. In het onderhavige geval heeft verweerder ter zitting verklaard dat inderdaad niet twee uur is gewacht met het horen, omdat hierover in de plaats waar een en ander zich afspeelde, afspraken zijn gemaakt tussen de vreemdelingendienst en de piketdienst. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder na de zitting een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal aan de rechtbank gezonden, waarin deze afspraken worden toegelicht en bevestigd. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de verbalisant die eiser op 15 juli 2001 heeft gehoord, na het verzenden van de fax naar het Bureau voor Rechtshulp en de piketadvocaat, telefonisch contact heeft gezocht met de dienstdoende piketadvocaat. Uit het genoemde proces-verbaal blijkt tevens dat met deze piketadvocaat eerder de afspraak is gemaakt dat, indien hij telefonisch niet bereikbaar was, verbalisant er dan vanuit mocht gaan dat hij niet bij een gehoor aanwezig kon zijn. De piketadvocaat bleek in het onderhavige geval telefonisch niet bereikbaar te zijn, waarna de verbalisant op basis van de gemaakte afspraak met het horen van eiser is begonnen. De rechtbank acht deze gang van zaken niet in strijd met het bepaalde onder

hoofdstuk A5/5.3.4.2 Vc 2000, nu uit de met de piketadvocaat gemaakte afspraak en de omstandigheid dat de op dat moment dienstdoende piketadvocaat in het onderhavige geval telefonisch niet bereikbaar was, kon worden afgeleid dat de advocaat niet bij het gehoor aanwezig wilde zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kon in dit geval in redelijkheid niet van de vreemdelingendienst gevergd worden om na het inlichten van de piketdienst twee uur te wachten met het horen van eiser. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 01/31920 VRONTN GC

UITSPRAAK

op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1979 te Elazig,

alias A,

geboren op [...] 1983,

van Turkse nationaliteit,

verblijvende in het Huis van Bewaring te Ter Apel,

raadsman: mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat te Zwolle,

eiser;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. P.A.L.A. van Ittersum, ambtenaar ten departemente,

verweerder.

Procesverloop

Eiser is op 15 juli 2001 om omstreeks 9.30 uur door de Duitse autoriteiten overgedragen aan de Koninklijke marechaussee, nadat hij, in een rijdende bus, die afkomstig was uit Nederland, de grens met Duitsland was gepasseerd, en hij bij controle door de 'Bundesgrenzschutz' geen paspoort of ander identiteitsbewijs kon tonen.

Gelet op de maatregel van bewaring van 15 juli 2001 en mede gelet op hetgeen ter zitting door verweerder naar voren is gebracht houdt de rechtbank het ervoor dat eiser op 15 juli 2001, met het oog op de uitzetting, in bewaring is gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert en omdat eiser in afwachting is van een beslissing op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning terwijl zijn uitzetting achterwege dient te blijven totdat op deze aanvraag is beslist (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, juncto artikel 8, onder f, Vw 2000).

Verweerder heeft op 17 juli 2001 de rechtbank in kennis gesteld van het besluit tot het opleggen van de maatregel van bewaring (artikel 94, eerste lid, Vw 2000). Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 juli 2001. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C. van den Berg, kantoorgenoot van mr. Krauth voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Standpunten

Eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, de opheffing van de bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen.

Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van schadevergoeding af te wijzen.

Overwegingen

Beoordeeld dient te worden of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming is met de wettelijke vereisten en of deze in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is.

Eiser heeft aangevoerd dat hij voor de inbewaringstelling is gehoord zonder de bijstand van een raadsman. Verweerder heeft wel, alvorens te horen, de piketdienst ingelicht, maar heeft vervolgens niet twee uur gewacht op een reactie van de piketdienst. Dit laatste is volgens eiser in strijd met het bepaalde in A5/5.3.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

De rechtbank overweegt hieromtrent dat in A5/5.3.4.2 Vc 2000 wordt bepaald dat, in het geval de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst, zo spoedig mogelijk de advocatenpiketdienst bij voorkeur per fax wordt ingelicht. Indien binnen twee uur na de verzending van het bericht geen advocaat aanwezig is, kan met het gehoor begonnen worden. Geeft de advocatenpiketdienst of de dienstdoende advocaat aan dat de advocaat niet bij het gehoor aanwezig wil zijn, dan kan met het gehoor begonnen worden.

In het onderhavige geval heeft verweerder ter zitting verklaard dat inderdaad niet twee uur is gewacht met het horen, omdat hieromtrent in Enschede, de plaats waar een en ander zich afspeelde, afspraken zijn gemaakt tussen de vreemdelingendienst en de piketdienst. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder na de zitting een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal aan de rechtbank gezonden, waarin deze afspraken worden toegelicht en bevestigd. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de verbalisant die eiser op 15 juli 2001 heeft gehoord, na het verzenden van de fax naar het Bureau voor Rechtshulp en de piketadvocaat, telefonisch contact heeft gezocht met de dienstdoende piketadvocaat, mr. H.B. Reinalda. Uit het genoemde proces-verbaal blijkt tevens dat met deze piketadvocaat mr. Reinalda eerder de afspraak is gemaakt dat, indien hij telefonisch niet bereikbaar was, verbalisant er dan vanuit mocht gaan dat hij niet bij een gehoor aanwezig kon zijn. Mr. Reinalda bleek in het onderhavige geval telefonisch niet bereikbaar te zijn, waarna de verbalisant op basis van de gemaakte afspraak met het horen van eiser is begonnen.

De rechtbank acht deze gang van zaken niet in strijd met het bepaalde onder A5/5.3.4.2 Vc 2000, nu uit de met mr. Reinalda gemaakte afspraak en de omstandigheid dat mr. Reinalda, op dat moment de dienstdoende piketadvocaat, in het onderhavige geval telefonisch niet bereikbaar was, kon worden afgeleid dat de advocaat niet bij het gehoor aanwezig wilde zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kon in dit geval in redelijkheid niet van de vreemdelingendienst gevergd worden om na het inlichten van de piketdienst twee uur te wachten met het horen van eiser.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij na de inbewaringstelling niet is aangemeld bij het Penitentiair Selectiecentrum en niet in het Huis van Bewaring is geplaatst, althans dat een en ander niet uit het dossier blijkt en derhalve niet controleerbaar is.

Verweerder heeft eerst ter zitting medegedeeld dat eiser op 16 juli 2001 is aangemeld bij het Penitentiair Selectiecentrum en dat eiser op 19 juli 2001 is geplaatst in het Huis van Bewaring te Ter Apel. Volgens verweerder is geen sprake van schending van enige norm, nu eiser tijdig is aangemeld en tijdig in het Huis van Bewaring is geplaatst.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in deze stelling. Immers, in het kader van een goede procesorde dient het uitgangspunt te zijn dat alle relevante gegevens voor de zitting zich in het dossier bevinden, zodat deze voor een ieder controleerbaar zijn. Op grond van de per 1 april 2001 gewijzigde Richtlijnen voor de behandeling van verzoeken en beroepen bij de vreemdelingenkamer van de rechtbank te 's-Gravenhage of een der nevenzittingsplaatsen (hierna: de Richtlijnen) behoren ook de melding bij het Penitentiair Selectiecentrum en de datum van de plaatsing in het Huis van Bewaring tot de gegevens die in het dossier aanwezig dienen te zijn. Echter, gelet op de hierboven genoemde mededelingen van verweerder ter zitting betreffende de melding bij het Penitentiair Selectiecentrum en de plaatsing in het Huis van Bewaring, mede gelet op de omstandigheid dat eiser ter zitting niet heeft kunnen aangeven op grond waarvan deze mededelingen in twijfel dienen te worden getrokken en de mededeling ter zitting van eiser zelf dat hij op 18 of 19 juli 2001 is geplaatst in het Huis van Bewaring, acht de rechtbank aannemelijk dat een en ander is gegaan zoals door verweerder ter zitting is gemeld, en leidt het ontbreken van de gegevens in het dossier naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet tot onrechtmatigheid van de bewaring.

De procedure leidend tot en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring zijn in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De bewaring is derhalve niet op die grond onrechtmatig.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.

De vrees is gerechtvaardigd dat eiser, die geen rechtmatig verblijf hier te lande heeft, indien in vrijheid gesteld, zich aan zijn uitzetting zal onttrekken. De rechtbank laat daarbij wegen dat eiser niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs en zich niet heeft aangemeld bij de korpschef.

Dit brengt mee dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten en de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is.

Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en in het openbaar

uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Doorn-Strookman als griffier op

----------------

Partijen kunnen tegen uitspraak binnen een week na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.