Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6187

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-07-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/2347
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Paspoortvereiste / buitenbehandelingstelling.

Artikel 4:5 Awb / paspoortvereiste.

Verweerder is de aanvraag voor een vtv buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5 Awb, omdat verzoeker, een Algerijn, niet beschikte over een paspoort. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen gegeven omtrent vereisten waaraan een aanvraag van de belanghebbende moet voldoen. De bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Vreemdelingenbesluit, dat echter geen regels omtrent het paspoortvereiste heeft gesteld. Weliswaar moet ingevolge artikel 28, zesde lid, Voorschrift Vreemdelingen bij de aanvraag om toelating (onder meer) een geldig document voor grensoverschrijding worden overgelegd, maar nu dit voorschrift bij noch krachtens algemene maatregel van bestuur is vastgesteld, moet dat terzake van het paspoortvereiste verbindendheid worden ontzegd. Het beschikken over een geldig paspoort is naar het oordeel van de president dan ook geen wettelijk vereiste voor het in behandeling nemen van een aanvraag. Verweerder kon de weigering om verzoekers aanvraag te behandelen dan ook niet op artikel 4:5 Awb gronden. Toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

President

regnr.: Awb 00/2347 VRWET Z VV

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1973,

alias B,

geboren op [...] 1977,

verblijvende te C,

van Algerijnse nationaliteit,

IND dossiernummer 9412.27.0451,

verzoeker,

gemachtigde: mr. L. Louwerse, advocaat te Utrecht;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. I.D. Michel, ambtenaar ten departemente.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 23 september 1999 heeft verzoeker een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij echtgenote D, alsmede het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst tijdens dit verblijf gedaan. Bij beschikking van 1 december 1999 heeft de korpschef van de regiopolitie te Groningen namens verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld met toepassing van artikel 4:5, eerst lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.2 Verzoeker heeft daartegen bij brief van 7 december 1999 bezwaar gemaakt. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

1.3 Bij verzoekschrift van 18 februari 2000 heeft verzoeker de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

1.4 De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan verzoeker gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 juni 2001. Verzoeker is daarbij verschenen, bijgestaan door mr. M.P.H. van Wezel, kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoeker. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 De president zal toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

2.3 Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.4 Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat verzoeker niet in het bezit is van een geldig nationaal paspoort en niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

2.5 Verzoeker stelt zich allereerst op het standpunt dat door verweerder nog immer de naam B wordt gehanteerd terwijl dit niet de echte naam van verzoeker is. Verzoeker wenst in aanmerking te komen voor ontheffing van het vereiste bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf, gelet op de zorgwekkende gezondheidstoestand van het gezin. De (Nederlandse) echtgenote van verzoeker, waarmee verzoeker op 26 januari 2000 in het huwelijk is getreden, is naar aanleiding van een ongeval volledig arbeidsongeschikt verklaard en behoeft verzorging. Mede tegen de achtergrond van de opvoeding en verzorging van de minderjarige dochter van verzoeker en zijn echtgenote is de aanwezigheid van verzoeker binnen het gezin ook dringend gewenst. Verzoeker heeft voorts een kopie van een op zijn naam gesteld Algerijns paspoort overgelegd.

2.6 De president overweegt als volgt.

Ofschoon verweerder in het verweerschrift en ter zitting de lijn lijkt te volgen dat de aanvraag buiten behandeling is gesteld vanwege het ontbreken van een geldige mvv, kan de president uit het procesdossier niet anders afleiden dan dat verweerder de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld vanwege het ontbreken van een paspoort én een geldige mvv. De president wijst hiervoor met name naar de kennisgeving herstel gebrek van 10 november 1999 en het besluit tot buiten behandelingstelling van 1 december 1999.

2.7 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet 1965 (Vw) ingetrokken. Op grond van het overgangsrecht van de Vw 2000 blijft op lopende bezwaarprocedures het procedurele recht van de Vw van toepassing. De president dient te beoordelen welk materieel recht in de onderhavige procedure van toepassing is.

2.8 Artikel 4:5, eerste lid, Awb bepaalt dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

2.9 Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2001 (JB 2001, 36) stelt de president voorop dat met het nemen van het besluit de aanvraag buiten behandeling te laten op grond van artikel 4:5 Awb in beginsel een eind komt aan het besluitvormingstraject. Gelet op deze bijzondere strekking, is de president van oordeel dat de beslissing van verweerder om de aanvraag van verzoeker buiten behandeling te stellen, ex tunc getoetst dient te worden en derhalve met inachtneming van het op dat moment geldende recht. Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek zal de president dan ook uitgaan van hetgeen is opgenomen in de Vreemdelingenwet 1965 (Vw).

2.10 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen gegeven omtrent vereisten waaraan een aanvraag van de belanghebbende moet voldoen. De bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Vreemdelingenbesluit, dat echter geen regels omtrent het paspoortvereiste heeft gesteld. Weliswaar moet ingevolge artikel 28, zesde lid, Voorschrift Vreemdelingen (VV) bij de aanvraag om toelating (onder meer) een geldig document voor grensoverschrijding worden overgelegd, maar nu dit vorschrift niet bij noch krachtens algemene maatregel van bestuur is vastgesteld, moet dat terzake van het paspoortverseiste verbindendheid worden ontzegd. Het beschikken over een geldig paspoort is naar het oordeel van de president dan ook geen wettelijk vereiste voor het in behandeling nemen van een aanvraag. Verweerder kon de weigering om verzoekers aanvraag te behandelen dan ook niet op artikel 4:5 Awb gronden.

2.11 Gelet op het bovenstaande ziet de president aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.

2.12 De voorlopige voorziening dient derhalve te worden toegewezen.

2.13 Nu de voorlopige voorziening wordt toegewezen, behoeft het overige door verzoeker aangevoerde geen bespreking.

2.14 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:84 j° 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zoals hierna weergegeven. Nu het verzoek wordt toegewezen ziet de president tevens aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht.

3 BESLISSING

De president:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in die zin dat verweerder wordt gelast de uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat vier weken zijn verstreken nadat op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ad ƒ 1420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 225,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. van Uchelen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. M.P de Zwart als griffier op 16 juli 2001

----------------

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 16 juli 2001