Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6182

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/28424
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sri Lanka / Tamil / littekens / herhaalde aanvraag.

Eiser behoort tot de bevolkingsgroep der Tamils in Sri Lanka. Ter ondersteuning van zijn herhaalde asielaanvraag heeft eiser aangegeven dat hij diverse littekens heeft. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht niet beschouwd kan worden als nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb. Hiertoe overweegt verweerder dat hetgeen eiser nu heeft aangevoerd reeds bekend was bij het indienen van zijn eerste aanvraag. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft tot een andere beslissing. De omstandigheid dat eiser littekens heeft, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden beshcouwd als een nieuw gebleken feit of omstandheid als bedoeld in artikel 4: 6 Awb. Eiser had het bestaan van deze littekens in de vorige procedure naar voren kunnen brengen. Voorts oordeelt de rechtbank dat uit het ambtsbericht van 27 april 2001 kan worden afgeleid dat het hebben van de beschreven littekens onder omstandigheden een risico kan vormen voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, ook in die gevallen waarin op het politiebureau achteraf blijkt dat documentatie en verblijfsdoel wel in orde zijn. In de jurisprudentie wordt er in Tamilzaken vanuit gegaan dat een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM zich alleen voordoet indien sprake is van arrestatie met een daarop volgende detentie die langer duurt dan 48/72 uur. Omdat in het ambtsbericht op dit punt een detentie langer dan 48/72 uur voor mogelijk wordt gehouden is in die gevallen een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM niet uit te sluiten. Het betreft dan littekens die sterk lijken te duiden op gevechtshandelingen en, naar de rechtbank uit de andere gedingstukken afleidt, bovendien in de context van verdenking van LTTE-betrokkenheid. In onderhavig geval blijkt uit (de voorbereiding van) het bestreden besluit niet van een beoordeling door verweerder van het soort littekens. Eiser heeft uitdrukkelijk gesteld dat de littekens verband houden met gevechtshandelingen, hetgeen door verweerder onvoldoende bestreden is. Gezien het voorstaande is de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig voorbereid en genomen. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 01/28424 BEPTDN GZ

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1980,

van Srilankaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9709.12.2091,

eiser,

gemachtigde: mr. R. Heringa, advocaat te Alkmaar;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door drs. V.J.C. Berg, ambtenaar ten departemente.

1 Procesverloop

1.1 Op 12 september 1997 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf. Bij beschikking van 9 januari 1998 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd.

1.2 Bij brief van 4 februari 1998 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.

Bij beschikking van 7 augustus 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Op 11 augustus 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij beschikking van 8 september 2000 heeft verweerder zijn eerdere beschikking van 7 augustus 2000 ingetrokken en het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

1.4 Bij uitspraak van 20 april 2001 heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak staat geregistreerd onder Awb 00/9272 VRWET.

1.5 Op 26 juni 2001 heeft eiser een (herhaalde) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij beschikking van 29 juni 2001 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

1.6 Bij beroepschrift van 29 juni 2001 heeft eiser beroep ingesteld tegen deze beschikking. Het beroep is ter zitting van 13 juli 2001 behandeld. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Aangezien verweerder de aanvraag heeft afgewezen in het aanmeldcentrum (AC), dient beoordeeld te worden of de aanvraag in het kader van de AC-procedure zonder schending van zorgvuldigheid had kunnen worden afgedaan.

3 Standpunten

3.1 Eiser behoort tot de Tamil-bevolkingsgroep in Srilanka. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn herhaalde asielaanvraag aangegeven dat hij meerdere littekens heeft. Eiser heeft littekens aan zijn hoofd en linkerbeen ten gevolge van een granaatinslag in 1995. Eiser heeft verder littekens aan zijn ogen welke hij heeft opgelopen in juni 1997 toen hij in het prikkeldraad is gevallen tijdens een training bij de tijgers. Bij die training is eiser ook mishandeld. Hierdoor heeft hij littekens aan zijn nek en knieholte opgelopen. Daarnaast is eiser in juli 1997 seksueel misbruikt door een trainer in het trainingskamp. Voorgaande heeft hij in zijn eerdere procedure niet vermeld omdat hij niet wist dat dit relevant was en omdat er niet naar werd gevraagd. Het seksuele misbruik heeft eiser niet vermeld omdat hij zich hiervoor schaamde.

3.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat hetgeen door eiser naar voren is gebracht niet kan worden beschouwd als nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertoe overweegt verweerder dat hetgeen eiser thans heeft aangevoerd reeds bekend was bij het indienen van zijn eerdere aanvraag. Niet valt in te zien waarom eiser deze omstandigheden niet in een eerder stadium naar voren heeft kunnen brengen. De verklaring van eiser dat het hem niet duidelijk gevraagd zou zijn dat hij mishandeld was kan niet worden gevolgd omdat eiser in het nader gehoor van 5 november 1997 heeft verklaard nimmer te zijn mishandeld. Ook in het verdere verloop van zijn vorige procedure heeft eiser deze omstandigheden niet gemeld hetgeen hem valt toe te rekenen en afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.

Het feit dat de door eiser thans aangevoerde omstandigheden reeds bekend waren bij de eerste procedure kan niet anders tot de conclusie leiden dan dat de verklaringen van eiser niet rechtens relevant kunnen zijn.

De littekens van eiser leiden niet tot een ander oordeel dan reeds verwoord in de beschikkingen van 9 januari 1998 en 8 september 2000. Hiertoe verwijst verweerder naar het Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 27 april 2001 voorzien van het kenmerk DPC/AM 717789 waarin staat vermeld dat uiterlijke littekens op zichzelf geen aanleiding kunnen zijn voor ondervraging. Van een verhoogd arrestatierisico is alleen sprake als er duidelijk andere aanwijzingen zijn. Indien een Tamil beschikt over geldige identiteitspapieren en een geloofwaardige verklaring waarom hij zich in Colombo bevindt, zal er als regel geen aanleiding zijn tot verdere ondervraging. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn littekens een verhoogd arrestatierisico zal ondervinden. Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat de rechter bij zijn uitspraak van 20 april 2001 heeft geoordeeld dat het niet aannemlijk is dat de Srilankaanse autoriteiten op de hoogte zouden zijn van eisers activiteiten voor de LTTE.

Aan de juistheid van de verklaring van eiser dat hij seksueel misbruikt zou zijn kan geen geloof worden gehecht nu eiser deze informatie niet in de eerste procedure heeft aangevoerd. De verklaring van eiser dat hij zich schaamde om over de seksule mishandeling te vertellen, is niet afdoende. Van iemand die stelt bescherming nodig te hebben mag immers verwacht worden dat hij volledige verklaringen aflegt om zijn asielmotieven te ondersteunen en alles meldt wat van belang is. Ook indien eisers verklaringen omtrent zijn zijn seksuele misbruik wel gevolgd dienen te worden leidt dit niet tot een andere conclusie dan verwoord in de beschikkingen behorend tot de vorige procedure.

3.3 Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag ten onrechte in het aanmeldcentrum heeft afgedaan. Eiser stelt zich op het standpunt dat het risico dat hij loopt door zijn littekens is aan te merken als een novum. Verder is het ambtsbericht van 27 april 2001 ondeugdelijk, zowel qua inhoud als wat betreft de wijze van totstandkoming. Door verschillende bronnen, zowel binnen als buiten Sri Lanka is aangegeven dat littekens voor Tamils een verhoogd risico opleveren.

4 Overwegingen

4.1 Artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag is gedaan, de aanvrager is gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te melden. Indien daarvan geen sprake is, kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Indien er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden dient het bestuursorgaan te onderzoeken of het omstandigheden betreffen die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding zouden kunnen geven.

4.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten dat hetgeen door eiser is aangevoerd ter onderbouwing van zijn herhaalde aanvraag geen aanleiding geeft tot een andere beslissing dan die reeds in rechte vaststaat. Naar het oordeel van de rechtbank kan de omstandigheid dat bij eiser sprake is van littekens, niet worden beschouwd als een nieuw gebleken feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 Abw nu eiser het bestaan van deze littekens in de vorige procedure naar voren had kunnen brengen. Afgezien daarvan is het ook gelet op de overwegingen die ten grondslag liggen aan de uitspraak van 20 april 2001 geen omstandigheid die zou leiden tot een ander oordeel.

Gezien het voorstaande leiden de littekens niet tot de conclusie dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn tot een andere beslissing.

4.3 Vervolgens is aan de orde de vraag of de omstandigheid dat eiser littekens op zijn lichaam draagt met zich meebrengt dat hij bij terugkeer in Sri Lanka het risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.4 In het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 27 april 2001, kenmerk DPC/AM-717789 is het volgende opgenomen:

"In een rechterlijke uitspraak wordt overwogen dat de inhoud van het ambtsbericht van 7 februari jl. lijkt af te wijken van eerdere ambtsberichten. Verwezen wordt met name naar het ambtsbericht van 20 september 1999 dat op blz. 18 een passage over littekens bevat. Die passage in het ambtsbericht van 20 september 1999 ziet evenwel op de situatie dat iemand gearresteerd werd om andere redenen (bijvoorbeeld wegens onvoldoende documentatie, of omdat verblijfsredenen niet meteen duidelijk is) en dat op het bureau blijkt dat betrokkene littekens heeft die sterk lijken te duiden op gevechtshandelingen. Er kan dan aanleiding zijn betrokkene daarover te ondervragen. Als regel zal in een dergelijk geval betrokkene voor nader onderzoek ten hoogste voor één week worden vastgehouden."

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze passage worden afgeleid dat het hebben van dit soort littekens onder omstandigheden een risicofactor kan vormen voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, ook in die gevallen waarin op het politiebureau achteraf blijkt dat documentatie en verblijfsdoel wel in orde zijn.

Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank wordt er in Tamilzaken vanuit gegaan dat een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM zich alleen voordoet indien sprake is van arrestatie met een daarop volgende detentie die langer duurt dan 48/72 uur. Omdat in het ambtsbericht op dit punt een detentie langer dan 48/72 uur voor mogelijk wordt gehouden is in die gevallen een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM niet uit te sluiten. Het moet dan dus gaan om littekens die sterk lijken te duiden op gevechtshandelingen en, naar de rechtbank uit de andere gedingstukken afleidt, bovendien in de context van verdenking van LTTE-betrokkenheid.

In onderhavig geval blijkt uit (de voorbereiding van) het bestreden besluit niet van een beoordeling door verweerder van de soort littekens. Eiser heeft uitdrukkelijk gesteld dat de littekens verband houden met gevechtshandelingen, hetgeen door verweerder onvoldoende bestreden is.

4.5 Gezien het voorstaande is de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig voorbereid en genomen. Deswege wordt de bestreden beschikking vernietigd en is het beroep gegrond.

5 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beschikkingen d.d. 29 juni 2001;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvragen zal beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Smeele en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier op 20 juli 2001

_________________________________________________________________________

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 20 juli 2001