Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6175

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/30978
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sri Lanka / Tamil / littekens.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat eiseres vanwege haar littekens bij terugkeer naar Sri Lanka een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM te wachten staat. Gelet op het ambtsbericht van 27 april 2001 vormen littekens geen zelfstandig risico op een arrestatie die leidt tot zo’n schending. In casu vormt het litteken van eiseres te minder een risico nu zij al eerder gedetineerd heeft gezeten terwijl toen het litteken geen rol heeft gespeeld. Eiseres was bij haar eerdere arrestatie niet in het bezit van een geldig identiteitsbewijs. Daarbij ligt zeer voor de hand dat de Sri Lankaanse autoriteiten daadwerkelijk het litteken van eiseres hebben gezien, nu zij heeft verklaard dat zij in het politiebureau zich meermaals moest uitkleden. Toch heeft zij op eenvoudige wijze kunnen ontsnappen. Vooral van belang acht de rechtbank in dit verband dat de autoriteiten tijdens haar detentie nimmer haar identiteit en woonplaats hebben willen achterhalen.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 01/30978

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A,

geboren op [...] 1976,

van Srilankaanse nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0107.08.8004

eiseres,

gemachtigde: mr. K.J. Meijer, advocaat te Sint Annaparochie

En

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ‘s-Gravenhage,

verweerder

gemachtigde: mr. A.G.J. Ouwerkerk, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1 Op 8 juli 2001 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 11 juli 2001 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2 Bij beroepschrift van 11 juli 2001 heeft eiseres tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld.

1.3 De rechtbank heeft op de voet van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de zaak versneld wordt behandeld. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 20 juli 2001. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Ter zitting is een tolk verschenen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is tevens van belang of verweerder, met het oog op de in acht te nemen zorgvuldigheid, de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren heeft kunnen afwijzen.

Feiten en standpunten van partijen

2.2 Eiseres behoort tot de bevolkingsgroep der Tamils. Vanaf 12 oktober 1999 werd eiseres regelmatig door leden van de LTTE gedwongen deel te nemen aan trainingen lichamelijke oefeningen. Ook kreeg eiseres EHBO-lessen. Eiseres heeft drie maal voor de LTTE gewonden verzorgd. Tijdens de laatste keer, op 4 juni 2001, werd het bos waar eiseres zich bevond omsingeld door het Srilankaanse leger. Eiseres werd gearresteerd en overgebracht naar een kamp bij Colombo, waar zij verbleef tot 6 juni 2001. Daarna is eiseres overgebracht naar een politiebureau in Colombo. Daar werd eiseres ondervraagd en mishandeld. Op 16 juni 2001 heeft eiseres met de hulp van de man die eiseres dagelijks naar het toilet begeleidde, weten te ontsnappen. Eiseres is vervolgens ondergedoken in een kerk totdat zij haar land van herkomst op 26 juni 2001 heeft verlaten.

2.3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts meent verweerder dat de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren kon worden afgewezen.

Primair is verweerder van oordeel dat de verklaringen van eiseres aangaande haar arrestatie en detentie ongeloofwaardig zijn. Niet valt immers in te zien dat gedurende de detentieperiode van twaalf dagen de autoriteiten nimmer hebben geprobeerd de identiteit van eiseres te achterhalen. Daarbij zijn haar verklaringen over de detentieperiode vaag en summier.

Subsidiair is verweerder van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiseres voor vervolging te vrezen heeft. Eiseres heeft slechts gedwongen activiteiten voor de LTTE verricht, te weten het verzorgen van gewonde LTTE-strijders. Niet aannemelijk is dat zij als gevolg daarvan in de bijzondere negatieve belangstelling van de Srilankaanse autoriteiten staat. Voorts is niet aannemelijk dat eiseres door een haar onbekende persoon, die daarmee een groot risico neemt, zou zijn geholpen bij haar ontsnapping. Wat hier ook van zij, de eenvoudige ontsnapping van eiseres wijst er niet op dat zij door de autoriteiten als een belangrijk tegenstandster werd gezien. Daarbij is tegen eiseres geen aanklacht ingediend en is zij bij een rechtbank voorgeleid. Voorts is van belang dat eiseres heeft verklaard dat haar identiteit en woonplaats bij de autoriteiten niet bekend zijn geraakt.

Ten aanzien van hetgeen de gemachtigde heeft gesteld omtrent de aanwezigheid van een litteken op de elleboog van eiseres wijst verweerder naar hetgeen is overwogen omtrent de ongeloofwaardigheid van het relaas. Ten overvloede wijst verweerder op de omstandigheid dat eiseres ondanks het aanwezige litteken, de gestelde activiteiten voor de LTTE en het ontbreken van een geldig identiteitsdocument op eenvoudige wijze heeft kunnen ontsnappen. Niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt te worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke behandelingen of bestraffingen.

Tenslotte is verweerder niet gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.4 Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar aanvraag ten onrechte in het AC heeft afgedaan.

Eiseres bestrijdt dat haar relaas ongeloofwaardig is. Dat in het ambtsbericht van 28 juli 2000 beschreven staat dat met name in de eerste 48/72 uur reeds de identiteit wordt vastgesteld om een eventueel antecedentenonderzoek te kunnen opstarten, betekent niet dat dit in elk individueel geval gebeurt. Dat eiseres nimmer vrijwillig politiek actief is geweest wil nog niet zeggen dat zij door de Srilankaanse autoriteiten niet als politiek opposant wordt beschouwd. Eiseres is immers opgepakt terwijl zij gewonde LTTE-strijders aan het verzorgen was. Dat zij dit gedwongen deed werd door de Srilankaanse autoriteiten niet geloofd. Degene die eiseres heeft helpen ontsnappen was niet werkzaam bij de politie maar op het politiebureau. Bovendien was deze persoon geen bewaker, laat staan dat hij werkzaam was voor de Srilankaanse autoriteiten.

Eiseres stelt voorts dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de zienswijze waarbij naar voren gebracht is dat personen met littekens een reëel risico lopen op een detentie van langer dan 48 tot 72 uur. In dit verband is verwezen naar verschillende uitspraken van rechtbanken. Eiseres heeft een litteken op haar elleboog, is niet in het bezit van identiteitspapieren en behoort tot de Tamil bevolkingsgroep.

Beoordeling van het beroep

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder a, b, en c Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.6 Op grond van artikel 1 (A) van het Vluchtelingenverdrag (het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

2.7 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Sri Lanka zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiseres persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

2.8 Daargelaten de geloofwaardigheid van het relaas van eiseres - de omstandigheid dat tijdens haar detentie nimmer getracht is haar identiteit te achterhalen bevreemdt de rechtbank -, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap in aanmerking komt. Daartoe is het volgende redengevend.

Blijkens haar verklaringen is eiseres nimmer lid of sympathisant geweest van politieke partij of beweging in Sri Lanka en is zij evenmin actief geweest op politiek terrein. Niet aannemelijk is dat eiseres op grond van haar (gedwongen) marginale activiteiten voor de LTTE, te weten het verzorgen van gewonde LTTE-strijders, te vrezen heeft voor vervolging van de zijde van de Srilankaanse autoriteiten. De rechtbank wijst in dit verband naar hetgeen hieromtrent staat vermeld in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 juli 2000. Weliswaar heeft eiseres verklaard te zijn opgepakt en twaalf dagen te hebben vastgezeten, doch dit leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres is gedurende deze detentie nimmer gevraagd naar haar identiteit noch woonplaats hetgeen niet duidt op een specifieke negatieve aandacht van de Srilankaanse autoriteiten voor eiseres. Evenmin duidt de eenvoudige wijze waarop eiseres heeft weten te ontsnappen op een negatieve aandacht. Immers, indien eiseres wel in de bijzonder negatieve aandacht van de Srilankaanse autoriteiten zou staan, ligt het niet voor de hand dat zij op deze wijze heeft kunnen ontsnappen.

Eiseres kan derhalve niet aan artikel 29, eerste lid, onder a, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.9 Thans ligt de vraag voor of eiseres gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiseres aan artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000 aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen.

Kern van de onderhavige zaak is of eiseres vanwege haar litteken bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt op een behandeling als hierboven bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet aannemelijk geworden. Gelet op het -ter zitting besproken- ambtsbericht d.d. 27 april 2001 van de Minister van Buitenlandse Zaken heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat in het algemeen littekens geen zelfstandig risico vormen op een arrestatie die leidt tot een detentie langer dan 48/72 uur en daarmee tot een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. In casu vormt het litteken van eiseres te minder een risico nu zij, althans volgens haar verklaring, reeds eerder gedetineerd heeft gezeten en waarbij het hebben van een litteken geen rol heeft gespeeld. Immers, op het moment dat eiseres naar eigen zeggen werd gearresteerd was zij, naast de omstandigheid dat zij tot de Tamil-bevolkingsgroep behoort, niet in het bezit van een geldig identiteitsbewijs. Daarbij ligt zeer voor de hand dat de Srilankaanse autoriteiten daadwerkelijk het litteken van eiseres hebben gezien, nu zij heeft verklaard dat zij in het politiebureau zich meermaals moest uitkleden. Desalniettemin heeft eiseres ten gevolge van deze omstandigheden geen ernstige problemen ondervonden. De rechtbank wijst in dit verband nogmaals op de eenvoudige wijze waarop eiseres heeft weten te ontsnappen en bovenal op het feit dat de Srilankaanse autoriteiten tijdens haar detentie nimmer hebben getracht haar identiteit en woonplaats te achterhalen. Indien de autoriteiten vanwege het litteken eiseres van LTTE-betrokkenheid zouden verdenken zou het achterhalen van haar identiteit een voor de hand liggende stap zijn.

Eiseres kan aan artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000 derhalve geen aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.10 Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eiseres kan worden verlangd dat zij terugkeert naar het land van herkomst. Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, onder c, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.11 Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag terecht binnen achtenveertig proces-uren afgewezen. Het beroep is ongegrond.

2.12 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R. Depping, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.F.E. Lampe als griffier op 24 juli 2001

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage. Op de voet van artikel 85 Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 24 juli 2001