Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6163

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/3398
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / behandelingstelling / vrijstelling / asielverzoek

Hangende de bezwaarfase tegen de buitenbehandelingstelling van een reguliere aanvraag dient de vreemdeling, V, een Algerijn, een asielverzoek in. Is de vrijstellingsgrond van artikel 16a, derde lid, onder b, Vw van toepassing? In navolging van de REK-uitspraak AWB 01/1776 van 5 juni 2001 overweegt de rechtbank dat de indiening van het asielverzoek, ondanks het feit dat deze omstandigheid zich pas in bezwaar heeft voorgedaan, een omstandigheid is die moet worden meegenomen in de beoordeling van de vraag of een vrijstellingsgrond van toepassing is. Verweerder zal alsnog moeten beoordelen welke betekenis aan het indienen van de asielaanvraag dient te worden toegekend. Anders dan verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat de vrijstellingsgrond van artikel 16a, derde lid, onder b, Vw, mede gezien de wetsgeschiedenis, kennelijk ziet op vreemdelingen die, naast een aanvraag om toelating als vluchteling, een reguliere aanvraag hebben ingediend, en niet uitsluitend op vreemdelingen die alleen een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend. Verweerder zal in het nieuw te nemen besluit de vraag moeten beantwoorden hoe de term 'in procedure' moet worden geïnterpreteerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

itspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

j° artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 00/3398 VRWET

inzake: A, geboren op [...] 1975, van Algerijnse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels, advocaat te Amnsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. F.L. Bolkestein, advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 28 december 1999 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel "aanvullende examens met het oog op de studie microbiologie aan de Universiteit van Amsterdam dan wel aan de Vrije Universiteit van Amsterdam". Bij besluit van 26 januari 2000 heeft verweerder deze aanvraag buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Bij bezwaarschrift van 8 februari 2000 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 23 februari 2000. Het bezwaar is bij besluit van 23 mei 2000 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 25 mei 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 6 juli 2000. Op 10 augustus 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van

19 oktober 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2001. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Na indiening van de onderhavige aanvraag heeft eiser op 28 februari 2000 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikking van 5 maart 2000 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan en ambtshalve overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij bezwaarschrift van 31 maart 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit. Op dit bezwaar heeft verweerder voor zover de rechtbank thans bekend nog niet beslist.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat de onderhavige aanvraag op goede gronden buiten behandeling is gesteld vanwege het ontbreken van een geldige mvv. Niet is gebleken dat eiser behoort tot een van die categorieën die van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld en door eiser is geen geslaagd beroep gedaan op de hardheidsclausule. De door eiser aangevoerde omstandigheid dat hij niet naar Algerije kan terugkeren teneinde daar een mvv-procedure op te starten, vanwege het feit dat hij in Algerije de dienstplicht heeft ontdoken, is aan te merken als een asielgerelateerde grond en kan ingevolge het terzake gevoerde beleid, neergelegd in hoofdstuk B7/2.2. van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994, niet bij de beoordeling van de onderhavige reguliere aanvraag worden meegenomen. Bovendien is afwijzend beslist op de door eiser ingediende asielaanvraag. Gelet hierop staat vast dat eiser naar Algerije kan terugkeren teneinde daar een mvv aan te vragen. Dat tegen voornoemde beschikking een bezwaarschrift is ingediend waarop nog niet is beslist doet aan het voorgaande niet af, nu op grond van artikel 6:16 van de Awb, het bezwaar niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, schorst.

2. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Hierbij is van belang dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend, zodat hem op grond van artikel 16a, derde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 1965 (Vw) het mvv-vereiste niet kan worden tegengeworpen. Dat eisers asielaanvraag bij besluit van 5 maart 2000 niet-ontvankelijk is verklaard maakt het voorgaande niet anders, nu hij tegen dit besluit bij bezwaarschrift van 31 maart 2000 bezwaar heeft gemaakt en op dit bezwaar nog niet is beslist, zodat thans nog niet onherroepelijk op zijn asielaanvraag is beslist. In dit verband is de uitspraak van de president van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 1 november 1999, van belang. In deze uitspraak is overwogen dat uit artikel 16, derde lid, onder b, van de Vw voortvloeit dat vreemdelingen die een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.

3. In het verweerschrift stelt verweerder dat artikel 16, derde lid, onder b, van de Vw aldus moet worden gelezen dat een vreemdeling die een aanvraag om toelating als vluchteling indient uitsluitend in het kader van die aanvraag is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Uit de wetsgeschiedenis van voornoemd artikel volgt -anders dan in de uitspraak van de president van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 1 november 1999, is overwogen- dat een scheiding aangebracht moet worden tussen enerzijds de procedure die volgt op een aanvraag om toelating als vluchteling en anderzijds de procedure die samenhangt met een reguliere aanvraag. In het kader van de eerste procedure is een vreemdeling niet mvv-plichtig, in het kader van de reguliere aanvraag is hij dat wel. De achterliggende gedachte hierbij is dat op deze manier wordt voorkomen dat door het indienen van een asielverzoek de mvv-plicht in een reguliere procedure wordt ontdoken. De omstandigheid dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend heeft derhalve geen betekenis voor de vraag of hij in het kader van van de onderhavige reguliere aanvraag van het mvv-vereiste dient te worden vrijgesteld. Voorzover echter het indienen van een aanvraag om toelating als vluchteling onder omstandigheden wel een grond kan opleveren voor vrijstelling van het mvv-vereiste in het kader van een reguliere aanvraag, moet worden geoordeeld dat ook dan op goede gronden de onderhavige aanvraag buiten behandeling is gesteld. Bij de heroverweging in de bezwaarfase kunnen immers de feiten en omstandigheden die aan de aanvraag ten grondslag liggen niet worden gewijzigd, zodat de door eiser eerst in de bezwaarfase ingediende asielaanvraag niet kon worden meegewogen.

4. Ter zitting heeft eiser gesteld dat de subsidiaire stelling van verweerder dat in de bezwaarfase geen beroep meer gedaan kan worden op een vrijstellingsgrond niet kan worden gevolgd. De bezwaarfase betreft immers een fase waarin volledige bestuurlijke heroverweging dient plaats te vinden. In dit verband verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 7 november 2000, alsmede naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 januari 2000.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Het bestreden besluit dateert van 23 mei 2000 en is derhalve genomen voor de inwerkingtreding van de Vw 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, Stb 495). Het besluit is gebaseerd op de Vw (Wet van 13 januari 1965, Stb. 40) en aanverwante regelingen. Derhalve worden bij de toetsing van het bestreden besluit de Vw en aanverwante regelingen toegepast.

3. Op grond van artikel 4:5, eerste lid van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

In artikel 16a van de Vw is onder meer het volgende bepaald.

(1) Een aanvraag om toelating wordt slechts in behandeling genomen, indien de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, welke hij heeft aangevraagd bij en welke hem verstrekt is door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van zijn herkomst of het land van zijn bestendig verblijf.

(3) Van het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf zijn de volgende categorieën vreemdelingen vrijgesteld:

(b) vreemdelingen die een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend als bedoeld in artikel 15, eerste lid;

(6) Buiten de gevallen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, kan Onze Minister in zeer bijzondere, individuele gevallen voor het in behandeling nemen van de aanvraag om toelating afzien van het eisen van het bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.

4. Vaststaat dat eiser niet binnen de hem daartoe gegeven termijn heeft aangetoond in het bezit te zijn van een geldige mvv. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

5. Allereerst is de rechtbank -anders dan verweerder - van oordeel dat de omstandigheid dat eiser eerst in de bezwaarfase van de procedure tegen de buitenbehandelingstelling van zijn reguliere aanvraag een asielaanvraag heeft ingediend in beginsel niet tot gevolg heeft dat deze omstandigheid bij het nemen van het bestreden besluit niet van betekenis zou kunnen zijn. In navolging van de Rechtseenheidskamer (REK, uitspraak van 5 juni 2001, AWB 01/1776, Jub 2001 nr. 11 - 417) overweegt de rechtbank dat de vraag of er sprake is van een grond voor vrijstelling van het mvv-vereiste een vraag is die voorafgaat aan de vraag of buiten behandeling kan worden gesteld vanwege het ontbreken van die mvv. Het beschikken over een geldige mvv is immers alleen een wettelijk vereiste voor het in behandeling nemen van de aanvraag, indien de vreemdeling geen beroep op een vrijstellingsgrond of op de hardheidsclausule toekomt. Bij de beoordeling van een aanvraag om toelating zal verweerder derhalve eerst de vraag dienen te beantwoorden of betrokkene in aanmerking komt voor een van de vrijstellingsgronden dan wel een geslaagd beroep op de hardheidsclausule kan doen en pas als deze vraag negatief beantwoord is aan artikel 4:5 van de Awb toekomen. In bezwaar zal verweerder deze vragen opnieuw, in dezelfde volgorde dienen te beoordelen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb dient daarbij een heroverweging plaats te vinden, zodat ook eerst in bezwaar naar voren gekomen omstandigheden die van belang zijn voor een geslaagd beroep op een van de vrijstellingsgronden, moeten worden meegewogen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder zich zal moeten afvragen of de indiening van de asielaanvraag van invloed is op het antwoord op de vraag of eiser dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, ofwel op grond van een van de in de wet opgenomen vrijstellingsgronden, ofwel door middel van toepassing van de hardheidsclausule.

6. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerders stelling dat uit artikel 16a, derde lid, onder b, Vw zou volgen dat een vreemdeling die een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend uitsluitend in het kader van die aanvraag is vrijgesteld van het mvv-vereiste niet kan worden gevolgd. Anders dan verweerder ziet de rechtbank noch in de tekst van de wet, noch in de wetsgeschiedenis aanknopingspunten die dit standpunt ondersteunen. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel tot wettelijke vastlegging van het mvv-vereiste is de situatie dat een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend en tevens een reguliere vergunning tot verblijf aanvraagt aan de orde geweest (TK 1996 - 1997, 24 544, nr. 6, p. 7). De Staatssecretaris van Justitie beantwoordde de vraag of deze vreemdeling in verband met zijn reguliere aanvraag een mvv nodig heeft als volgt:

"Het antwoord op deze casus volgt uit artikel 16a, tweede (thans: derde - red.) lid onder b: vreemdelingen die een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend zijn niet mvv-plichtig. Dit betreft dus de gevallen dat een asielzoeker in procedure is. Indien het verzoek wordt afgewezen, dient de betrokkene, om op een andere grond alsnog toelating te krijgen, een mvv aan te vragen. Wij wijzen er op dat, indien dit anders zou zijn, de asielprocedure zou kunnen worden gebruikt om zonder mvv een reguliere verblijfsvergunning aan te vragen. (...)"

Uit deze passage kan de rechtbank niet anders afleiden dan dat de vrijstellingsgrond van artikel 16a, tweede lid onder b, Vw kennelijk ziet op vreemdelingen die, naast een aanvraag om toelating als vluchteling, een reguliere aanvraag hebben ingediend. De door verweerder gehanteerde motivering voor zijn standpunt dat eiser niet kan worden vrijgesteld van het mvv-vereiste acht de rechtbank dan ook ondeugdelijk.

7. De vraag die verweerder, gezien de hierboven weergegeven passage uit de wetsgeschiedenis, in het nieuw te nemen besluit dient te beantwoorden is hoe de term "in procedure" moet worden geïnterpreteerd, en welke gevolgen deze interpretatie heeft voor de beantwoording van de vraag of eiser in het kader van zijn reguliere aanvraag van het mvv-vereiste moet worden vrijgesteld. Daarbij dient verweerder te betrekken dat in de jurisprudentie reeds diverse malen is geoordeeld dat wettekst en parlementaire geschiedenis op dit punt geen duidelijkheid bieden. De rechtbank verwijst op dit punt naar de uitspraken van de president van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 1 november 1999 (AWB 99/5093, Jub 2000 nr. 4 - 73) en van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 18 augustus 2000 (AWB 97/5803, 00/2133, JV 2000/164).

8. Gezien het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:12 Awb. Dit leidt ertoe dat het beroep gegrond zal worden verklaard en de bestreden beslissing zal worden vernietigd.

9. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

10. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 van de Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 225,-- (zegge: tweehonderdvijfentwintig gulden)

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420,-- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2001 door

mr. M.A. Vermeulen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. Giling, griffier.

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op: 19 juli 2001