Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6161

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
27-11-2001
Zaaknummer
AWB 99/6032, 99/6034
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezinshereniging / ontbreken documenten.

Verweerder kan niet verlangen dat een geverifieerde geboorteakte wordt overgelegd, indien wel een voor 1 april 1996 gelegaliseerde geboorteakte wordt overgelegd. Gevolgen van de uitspraak van de ABRS van 20 november 2000. Tevens feitelijke gezinsband niet verbroken. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

j° artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000)

reg. nr.: AWB 99/6032 en 99/6034 VRWET

inzake: A, geboren [...] 1979, en B, geboren [...] 1981, van Ghanese nationaliteit, wonende te C, eisers,

gemachtigde: mr. J.S. Duttenhofer, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Oudolf, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Eisers verblijven sedert maart 1997 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 20 augustus 1997 hebben eisers bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland aanvragen ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij moeder". Bij besluiten van 18 december 1997 heeft verweerder deze aanvragen niet ingewilligd.

Bij bezwaarschrift van 8 januari 1998 hebben eisers tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 12 februari 1998. Op 13 april 1999 is D, de moeder van eisers, gehoord door een ambtelijke commissie. Het bezwaar is bij besluiten van 20 mei 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 10 juni 1999 heeft mr. J.A. Neslo, advocaat te Amsterdam, namens eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 8 juli 1999 en aangevuld bij brieven van 14 april 2000 en 9 augustus 2000. Op 11 oktober 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen.

In het verweerschrift van 18 december 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2001. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr J.S. Duttenhofer. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

Tevens was ter zitting aanwezig mevr. D, de moeder van eisers.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Referente is in 1990 Nederland ingereisd en heeft begin 1991 een verblijfstitel gekregen. Sinds 1996 heeft referente de Nederlandse nationaliteit.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens de bestreden besluiten op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf. Eisers kunnen geen geslaagd beroep doen op het beleid inzake gezinshereniging, neergelegd in hoofdstuk B1/5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.

Allereerst wordt aan eisers tegengeworpen dat zij geen gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakten hebben overgelegd, waardoor niet genoegzaam is aangetoond dat er een familierechtelijke relatie bestaat tussen eisers en referente. Verder stelt verweerder dat de feitelijke gezinsband tussen eisers en referente als verbroken dient te worden beschouwd.

2. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de vergunningen tot verblijf heeft geweigerd. Zij hebben gemotiveerd aangevoerd dat de feitelijke gezinsband tussen hen en hun moeder niet is verbroken, nu hun moeder zowel het gezag over hen heeft gehouden als in hun financiële onderhoud heeft voorzien, en de opname in het gezin van hun grootmoeder als tijdelijk dient te worden beschouwd.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

2. De bestreden besluiten dateren van 20 mei 1999 en zijn derhalve genomen vóór inwerkingtreding van de Vw 2000 (wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495). De besluiten zijn gebaseerd op de Vw 1965 (Wet van 13 januari 1965, Stb. 40) en aanverwante regelingen. De rechtbank zal zich, ex tunc toetsend, moeten uitlaten over de rechtmatigheid van deze besluiten. Derhalve worden bij de toetsing van de bestreden besluiten de Vw 1965 (Vw) en aanverwante regelingen toegepast.

3. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikel het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vc 1994.

4. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder aan eisers mocht tegenwerpen dat zij geen gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakten hebben overgelegd en op de vraag of de feitelijke gezinsband tussen eisers en referente als verbroken moet worden beschouwd. De rechtbank zal deze beide punten afzonderlijk behandelen.

a. gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakten

5. Eisers beogen toelating in het kader van het gezinsherenigingsbeleid. Ten tijde van de onderhavige aanvragen (20 augustus 1997[KB1]) luidde het toepasselijke, in hoofdstuk B1/5 van de Vc 1994 neergelegde beleid - voor zover hier van belang - dat er sprake moet zijn van een familierechtelijke relatie en dat het bestaan van een familierechtelijke relatie met gelegaliseerde officiële documenten moet worden aangetoond. Ten tijde van de bestreden beslissing (20 mei 1999[KB2]), is er sprake van een wijziging in de tekst van de in hoofdstuk B1 van de Vc 1994 neergelegde beleidsregels, voor zover deze betrekking hebben op officiële en gelegaliseerde bescheiden betreffende de staat van personen, welke wijziging plaats heeft gevonden bij TBV 1998/27 van 20 november 1998, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 november 1998. In de gewijzigde tekst volgens dit TBV staan als algemene vereisten voor toelating van kinderen bij hun ouders - voor zover hier van belang - vermeld dat er sprake moet zijn van een familierechtelijke relatie, alsmede dat bewijs moet worden overgelegd van deze familierechtelijke relatie door middel van officiële bescheiden, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen zijn gelegaliseerd en/of geverifieerd. Deze wijziging is bij aanvulling van 23 juli 1999 verwerkt in de Vc 1994.

6. In hoofdstuk A4/6.1.2.6 van de Vc 1994 (thans hoofdstuk A4/6.7.2 van de Vc 1994) is neergelegd dat de akte van ongehuwd zijn dient te zijn gelegaliseerd door de voor het betreffende land bevoegde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. In hoofdstuk C4 van de Vc 1994 is, ten aanzien van Ghana[KB3], de aanvullende eis gesteld dat een dergelijke akte door de Nederlandse vertegenwoordiging aldaar inhoudelijk dient te worden geverifieerd.

7. De Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken (REK) heeft in uitspraken van 10 november 1999 (zie: JV 1999/295) overwogen dat niet is gebleken dat verweerder voor de bekendmaking van TBV 1998/27 het vereiste van het aantonen van de ongehuwde staat met officiële en gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen geverifieerde) bescheiden als een bewijsvoorschrift beschouwde en niet als een materieel vereiste voor toelating. Voorts overwoog de REK dat geen rechtsregel er aan in de weg staat het vereiste van het aantonen van de ongehuwde staat met officiële en gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen geverifieerde) bescheiden te stellen als materiële voorwaarde voor toelating. Tot slot overwoog de REK dat er geen grond is voor het oordeel dat met deze beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling worden overschreden.

De rechtbank maakt deze overwegingen van de REK tot de hare, en gaat er derhalve vanuit dat het vereiste van een officiële en gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen geverifieerde) akte door verweerder als materiële toelatingsvoorwaarde mag worden gesteld.

8. Verweerder werpt in deze aan eisers tegen dat zij noch ten tijde van de aanvraag noch ten tijde van het bestreden besluit met gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakten hebben aangetoond dat er sprake is van een familierechtelijke relatie. Dit betekent dat eisers ten tijde van het bestreden besluit niet hebben voldaan aan de materiële toelatingsvoorwaarde van het overleggen van een officieel en gelegaliseerd, en in dit geval tevens geverifieerd, document betreffende de familierechtelijke relatie, zodat eisers, naar het oordeel van verweerder, geen aanspraak op toelating aan het gezinsherenigingsbeleid konden ontlenen.

9. Uit de in het dossier aanwezige stukken blijkt, zoals ook door verweerder ter zitting is erkend, dat eisers bij hun aanvraag om toelating geboorteakten hebben overgelegd, welke op 20 juli 1993 namens de Minister van Buitenlandse Zaken door de Nederlandse vertegenwoordiging te Accra, Ghana, zijn "geverifieerd als zijnde een authentiek geboorteuittreksel". Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat, gezien de werkwijze van destijds alsmede de bewoordingen, het woord "geverifieerd" gelezen dient te worden als "gelegaliseerd". De rechtbank acht deze uitleg aannemelijk en gaat er dan ook vanuit dat er sprake is van gelegaliseerde geboorteakten, welke bij de aanvragen om toelating zijn overgelegd.

10. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft, bij officiële mededeling van 7 maart 1996 (opgenomen in de Vc 1994 onder C4), bepaald dat alle documenten die vanaf 1 april 1996 zullen worden aangeboden bij de Nederlandse vertegenwoordigingen in vijf, als probleemland aangewezen, landen, waaronder zich ook Ghana bevindt, inhoudelijk zullen worden geverifieerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 20 november 2000 (JB 2001/8) geoordeeld dat met het oog op de rechtszekerheid niet op de enkele basis van een beleidswijziging aan eerder genomen besluiten, waarbij het verzoek om legalisatie was ingewilligd, hun werking kan worden ontnomen. Niet is gebleken dat de Minister van Buitenlandse Zaken is teruggekomen van het eerdere besluit tot legalisatie van de geboorteakten van eisers.

Een en ander brengt de rechtbank tot het oordeel dat de door eisers in het onderhavige geding overgelegde geboorteakten nog steeds rechtsgeldig zijn en hun werking niet hebben verloren.

11. Het beleid van verweerder, zoals neergelegd in de circulaire van 8 mei 1996 (opgenomen in hoofdstuk C-4 van de Vc 1994), alsmede in de hoofdstukken B1/5.1.1 en A4/6.7.2 (voor juli 1999: A4/6.1.2.6) van de Vc 1994, behelst dat na 15 mei 1996 geen stukken uit de genoemde probleemlanden dienen te worden aanvaard indien deze niet inhoudelijk zijn geverifieerd door de daartoe bevoegde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging.

12. De rechtbank is van oordeel dat het beleid van verweerder impliceert dat van vreemdelingen, ook al zijn zij in het bezit van een geldige gelegaliseerde geboorteakte, in het geval dat zij afkomstig zijn uit een als zodanig aangewezen probleemland, deze geboorteakte niet wordt geaccepteerd en dat zij alsnog dienen zorg te dragen voor een nieuwe, nu zowel gelegaliseerde als geverifieerde, geboorteakte. Blijkens de hiervoor vermelde uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State kan een dergelijke verzoek om legalisatie (en verificatie), gezien de formele rechtskracht van de eerdere legalisatie, niet leiden tot een op rechtsgevolg gericht besluit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beleid van verweerder op dit punt niet valt binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

13. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder in deze ten onrechte het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakten aan eisers heeft tegengeworpen, nu zij bij de aanvraag reeds gelegaliseerde geboorteakten, daterend van voor 1 april 1996, hebben overgelegd.

Het bestreden besluit ontbeert derhalve op dit punt een deugdelijke motivering, terwijl verweerder evenmin in redelijkheid tot die beslissing heeft kunnen komen.

b. verbreking van de feitelijke gezinsband

14. Het beleid, zoals neergelegd in hoofdstuk B1/5 van de Vc 1994, behelst, voor zover hier van belang, het volgende. Voor een vergunning tot verblijf komen in aanmerking de uit het huwelijk of de relatie geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan. De kinderen behoren niet langer feitelijk tot het gezin, indien de gezinsband als (feitelijk) verbroken kan worden beschouwd. Dit doet zich in elk geval voor indien er sprake is van duurzame opneming in een ander gezin in de situatie dat de ouders ook niet meer met

het gezag zijn belast of van een duurzame opname in een ander gezin in de situatie dat de ouders niet meer voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging.

Ter toelichting en aanvulling is voorts nog de navolgende tekst opgenomen in de Vc 1994:

De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband tussen ouder en kind niet is verbroken ligt bij de in Nederland verblijvende ouder, die de overkomst van het kind vraagt. Naarmate de scheiding tussen ouder en kind langer duurt, wordt de bewijslast voor de persoon in Nederland zwaarder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren, waarom hij of zij het kind niet eerder naar Nederland heeft laten overkomen. Tevens zal de ouder moeten aantonen op welke wijze invulling is gegeven aan de relatie tussen ouder en kind in de periode van de scheiding.

15. Eisers zijn in 1990, toen hun moeder, referente, naar Nederland vertrok, opgenomen in het gezin van hun grootmoeder. Nadat referente in 1991 een verblijfstitel heeft verkregen zijn eisers bij hun grootmoeder blijven wonen. De opname in het gezin van hun grootmoeder moet derhalve vanaf dat moment als duurzaam worden aangemerkt. Niet is gebleken dat referente niet meer met het gezag van eisers was belast, terwijl evenmin kan worden gezegd dat referente geen feitelijke invulling aan dat gezag heeft gegeven. Vast staat voorts dat referente aantoonbaar vanaf 1993 eisers financieel heeft onderhouden, waarbij tevens aanspraak op kinderbijslag bestond. Gezien het stabiele patroon van overboekingen vanaf 1993 acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat referente ook voor 1993 in het financiële onderhoud van haar kinderen heeft voorzien, daarbij nog afgezien van het feit dat aan referente bij de aanvraag slechts financiële gegevens vanaf 1993 zijn gevraagd. Op grond van deze feiten en omstandigheden, zoals blijkend uit het dossier en hetgeen door eisers is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke gezinsband tussen referente en eisers niet als verbroken kan worden beschouwd.

Het bestreden besluit ontbeert derhalve, nog afgezien van het feit dat daarin het beleid op zijn minst genomen onzorgvuldig wordt weergegeven, een deugdelijke en draagkrachtige motivering.

16. Nu de bestreden besluiten, zowel wat betreft het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde geboorteakten, als wat betreft de verbreking van de feitelijke gezinsband, motiveringsgebreken bevatten zal het beroep gegrond worden verklaard en zullen de bestreden besluiten worden vernietigd, opdat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze beslissing is overwogen, opnieuw zal dienen te beslissen.

17. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

18. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420 ,-- (zegge: veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad ƒ 225,-- (zegge: tweehonderd vijfentwintig gulden).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2001 , door mr. J.P. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A.J. Hubel, griffier, welke laatste buiten staat is deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op: 20 juli 2001