Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6139

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2001
Datum publicatie
26-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/72747 VRWET
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Mvv / buitenbehandelingstelling.

Volgens verweerder lijdt het uitgangspunt, dat heroverweging van het bestreden besluit dient te geschieden op basis van het op het moment van het nemen van het besluit geldend recht, uitzondering wanneer het gaat om een buitenbehandelingstelling. Verweerder verwijst hiertoe naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 januari 2001 waarin is overwogen dat met de beslissing een aanvraag buiten behandeling te stellen in principe een einde komt aan het besluitvormingstraject. Ten aanzien van dit beroep van verweerder op de 'eenmaligheid' van een buitenbehandelingstelling merkt de president op, dat de uitspraak van de ABRvS niet rechtstreeks toepasbaar is op de onderhavige situatie. De buitenbehandelingstelling die in casu aan de orde is berust namelijk mede op artikel 16a, eerste lid, Vw. In tegenstelling tot artikel 4:5, eerste lid, Awb behelsde dat artikel een imperatieve weigeringsgrond voor het speciale geval dat een vreemdeling niet over een geldige mvv beschikte. De wet waarop deze bepaling berustte, is inmiddels ingetrokken en buitenbehandelingstelling is in de nieuwe Vw 2000 vervangen door afwijzing. Het feit dat buitenbehandelingstelling van de aanvraag wegens het ontbreken van een geldige mvv onder de nieuwe wet niet meer aan de orde is, kan bij de heroverweging ingevolge artikel 7:11 Awb niet buiten beschouwing worden gelaten. Ook onder het nieuwe recht kan verzoeker (dus) uitsluitend een beroep doen op de hardheidsclausule, die niet ruimer is geformuleerd dan die van artikel 16a, zesde lid, Vw. Wanneer het bezwaar van verzoeker naar het nieuwe recht wordt beoordeeld, zal het naar het oordeel van de president inhoudelijk ongegrond worden verklaard wegens het ontbreken van een mvv. Dat het dan een inhoudelijk oordeel betreft in plaats van een buitenbehandelingstelling ingevolge artikel 4:5, eerste lid, Awb is juridisch wel relevant, maar feitelijk slechts een andere vorm waarin dezelfde beslissing wordt gegoten. Praktisch maakt het voor verzoeker geen verschil. Op grond van het vorenstaande is de president van oordeel dat nader onderzoek door verweerder met inachtneming van het recht ingevolge het gestelde bij of krachtens de Vw 2000 redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Het bezwaar wordt dan ook met toepassing van artikel 33b Vw ongegrond verklaard. Bezwaar ongegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenwet 2000 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33b Vreemdelingenwet 1965

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/72747 VRWET

Inzake : A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. J.P.H. Thissen, advocaat te Wassenaar,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr.J.G. Blom, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker, geboren op [...] 1980, bezit de Bulgaarse nationaliteit. Hij verblijft sedert onbekende datum als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 25 september 2000 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf, met als doel: arbeid al dan niet in loondienst en humanitaire redenen. Bij beschikking van 17 november 2000 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op grond van artikel 32 Vw 1965 bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten.

2. Op 27 november 2000 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 21 juni 2000. Verzoeker is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000), Stb. 2000, 495. Gezien het bepaalde in artikel 7:11 Awb, artikel 118 Vw2000 en de memorie van toelichting hierop zal op het bezwaar met toepassing van het materiële recht zoals neergelegd in de bepalingen bij of krachtens de Vw2000 moeten worden beslist.

Artikel 118, tweede lid, Vw2000 bepaalt dat op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet 1965 (hierna: Vw1965) dat is bekend gemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Vw2000, het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft. Het woord 'recht' in dit artikellid heeft blijkens de memorie van toelichting betrekking op de procedurevoorschriften. Gelet hierop blijven de artikelen 32 en 33b Vw1965 van toepassing.

2. In geschil is de buitenbehandelingstelling op 17 november 2000 van de aanvraag van verzoeker om verlening van een vergunning tot verblijf wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en in verband daarmee verweerders besluit dat de beslissing op het bezwaar hier te lande niet mag worden afgewacht.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet in staat behoeft te worden gesteld de behandeling van zijn bezwaarschrift in Nederland af te wachten en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven.

Verweerder heeft voorts aangevoerd, dat het uitgangspunt dat heroverweging van het bestreden besluit dient te geschieden op basis van het op het moment van het nemen van het besluit geldend recht, uitzondering lijdt wanneer het gaat om een buitenbehandelingstelling. Verwezen is naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 januari 2001, NJB 2001-13, blz. 632, waarin is overwogen dat met de beslissing een aanvraag buiten behandeling te stellen in principe een einde komt aan het besluitvormingstraject. Met de strekking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is niet te verenigen dat de aanvrager het in zijn macht zou hebben de gevolgen van de buitenbehandelingstelling ongedaan te maken door gedurende de bezwaartermijn de oorspronkelijke aanvraag alsnog aan te vullen. In feite gaat het bij dergelijke besluiten dus om een ex-tunc toetsing. Een conflict tussen oud en nieuw recht zoals besloten in artikel 118 Vw2000 doet zich dan ook niet voor. De toetsing beperkt zich tot de rechtmatigheid van de buitenbehandelingstelling en aan de materiële beoordeling van de aanvraag en het bezwaarschrift wordt niet meer toegekomen. Verweerder meent dan ook dat de heroverweging in bezwaar beperkt dient te blijven tot een zuivere ex-tunc toetsing van het primaire besluit.

4. Verzoeker stelt dat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf met als doel: arbeid al dan niet in loondienst dan wel klemmende redenen van humanitaire aard. Zijn gemachtigde stelt zich op het standpunt dat verzoeker in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Hij heeft er in zijn bezwaarschrift van 28 december 2000 op gewezen dat uit persberichten is gebleken dat ten aanzien van Bulgarije genoemd vereiste binnen enkele maanden niet meer zal gelden en dat het daarom de vraag is of deze eis nog wel mag worden gesteld. Verzoeker heeft voorts nog doen stellen dat door de gespannen arbeidsmarkt en het gegeven dat vreemdelingen uit de Oost-Europese landen gemakkelijk in de Nederlandse samenleving worden opgenomen, het abstracte belang van de Staat dient te wijken voor de echte in geding zijnde belangen.

Ter zitting is namens verzoeker gesteld dat de reeds aangekondigde opheffing van de voor Bulgaren geldende visumplicht inmiddels gerealiseerd is.

De president overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 16a, eerste lid, Vw1965 wordt een aanvraag om toelating slechts in behandeling genomen, indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, welke hij heeft aangevraagd bij en welke hem is verstrekt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst. Op grond van het in het zesde lid van genoemd artikel vermelde kan in zeer bijzondere, individuele gevallen vrijstelling van het mvv-vereiste worden verleend. Dit is de zogeheten hardheidsclausule.

6. Ten tijde van het besluit van 17 november 2000 gold voor Bulgaren het mvv-vereiste onverkort. De president is met verweerder van oordeel dat verzoekers beroep op de hardheidsclausule faalt. Uit hetgeen namens verzoeker is aangevoerd is niet gebleken van omstandigheden die dusdanig van aard zijn dat het van onevenredige hardheid zou getuigen om van verzoeker te vergen dat hij naar zijn land van herkomst terugkeert voor de duur van de behandeling van zijn aanvraag om een mvv. De door verzoeker aangevoerde redenen op grond waarvan in zijn geval sprake zou zijn van dergelijke omstandigheden zijn zeer algemeen van aard.

7. Om te kunnen beoordelen of kan worden beslist op het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag dient de president zich een oordeel te vormen over de vraag of nader onderzoek door verweerder met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de Vw2000 is bepaald tot een ander resultaat zou kunnen leiden.

8. Ten aanzien van verweerders beroep op de "eenmaligheid" van een buitenbehandelingstelling merkt de president op, dat de uitspraak van de ABRvS niet rechtstreeks toepasbaar is op de onderhavige situatie.

De buitenbehandelingstelling die in casu aan de orde is berust namelijk mede op artikel 16a, eerste lid, Vw1965. In tegenstelling tot artikel 4:5, eerste lid, Awb behelsde dat artikel een imperatieve weigeringsgrond voor het speciale geval dat een vreemdeling niet over een geldige mvv beschikte. De wet waarop deze bepaling berustte, is inmiddels ingetrokken en buitenbehandelingstelling is in de nieuwe Vw2000 vervangen door afwijzing. Het feit dat buitenbehandelingstelling van de aanvraag wegens het ontbreken van een geldige mvv onder de nieuwe wet niet meer aan de orde is, kan bij de heroverweging ingevolge artikel 7:11 Awb niet buiten beschouwing worden gelaten.

9. In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a Vw2000 is (voor zover relevant) bepaald dat een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Zoals vermeld wordt de aanvraag bij het ontbreken van een geldige mvv niet langer buiten behandeling gesteld, doch hij kan worden afgewezen, hetgeen een inhoudelijk oordeel inhoudt. Voorts betreft het hier, in tegenstelling tot hetgeen in de Vw1965 was bepaald, een zogeheten kan-bepaling.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.

In artikel 17 Vw2000 is een aantal gevallen opgenomen waarin het ontbreken van een mvv in ieder geval niet wordt tegengeworpen.

In artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit van 23 november 2000 (Vb2000) is (bij algemene maatregel van bestuur, dus overeenkomstig het bepaalde in artikel 16, tweede lid, Vw2000) invulling gegeven aan de kan-bepaling. Dit is gedaan door te bepalen dat de in artikel 14 Vw2000 bedoelde aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over de vereiste mvv. Ingevolge deze bepaling wordt van de bevoegdheid tot het afwijzen van de aanvraag derhalve altijd gebruik gemaakt, behalve indien zich de uitzonderingen genoemd in artikel 17 van de wet (gedeeltelijk uitgewerkt in lid 2 van artikel 3.71 Vb2000) en in het vierde lid van artikel 3.71 Vb2000 voordoen. Het vierde lid bevat een hardheidsclausule voor gevallen waarin toepassing van het mvv-vereiste zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De bevoegdheid die verweerder ten aanzien van het mvv-vereiste toekomt, is derhalve door de wet en het Vb2000 aanzienlijk beperkt. Het is duidelijk dat van de hardheidsclausule een restrictief gebruik zal worden gemaakt.

Verzoeker valt niet onder een van de hiervoor genoemde van het mvv-vereiste vrij te stellen categorieën personen. Namens verweerder is toegelicht, dat de visumplicht voor verblijf korter dan drie maanden op 10 april 2001 is vervallen. Indien, zoals in casu, een verblijf van meer dan drie maanden wordt beoogd, geldt het mvv-vereiste onverkort.

Ook onder het nieuwe recht kan verzoeker dus uitsluitend een beroep doen op de hardheidsclausule, die niet ruimer is geformuleerd dan die van artikel 16a, zesde lid, Vw1965. Wanneer het bezwaar van verzoeker naar het nieuwe recht wordt beoordeeld, zal het naar het oordeel van de president inhoudelijk ongegrond worden verklaard wegens het ontbreken van een mvv. Dat het dan een inhoudelijk oordeel betreft in plaats van een buitenbehandelingstelling ingevolge artikel 4.5, eerste lid, Awb is juridisch wel relevant, maar feitelijk slechts een andere vorm waarin dezelfde beslissing wordt gegoten. Praktisch maakt het voor verzoeker geen verschil.

10. Op grond van het vorenstaande is de president van oordeel dat nader onderzoek door verweerder met inachtneming van het recht ingevolge het gestelde bij of krachtens de Vw2000 redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Het bezwaar wordt dan ook met toepassing van artikel 33b Vw1965 ongegrond verklaard.

11. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht.

12. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de president niet gebleken.

III. BESLISSING

De president van de arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

1. verklaart het bezwaar ongegrond;

2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

IV. RECHTSMIDDEL

Ingevolge het bepaalde in artikel 120 Vw2000 staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gedaan door mr. J. Eisses en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2001, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Goerdat, griffier.