Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6108

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
11-12-2001
Zaaknummer
AWB 00/2053
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vovo hangende bezwaar / driejarenbeleid.

Eiser heeft de Chinese nationaliteit. Eiser stelt dat hem ten onrechte geen vtv wegens klemmende redenen van humanitaire aard is verleend. In beroep heeft eiser onder meer gesteld dat de hoorplicht is geschonden. Verder doet eiser een beroep op het driejarenbeleid.

De voorwaarden voor toelating tot Nederland op grond van het driejarenbeleid zijn neergelegd in hoofdstuk A4/6.22 Vc-1994. De rechtbank is van oordeel dat dit beleid niet onredelijk is.

Voorts is niet in geschil dat op het verzoek om een voorlopige voorziening nog niet is beslist. Waar inmiddels op het bezwaar is beslist, kan de president niet meer oordelen over de vraag of eiser de behandeling van het bezwaar in Nederland mag afwachten.

Verweerder werpt tegen dat hij heeft besloten dat uitzetting hangende bezwaar niet achterwege blijft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit recht evenwel heeft verwerkt. Eiser heeft het verzoek om een voorlopige voorziening aanhangig gemaakt binnen de gestelde vertrektermijn. Dit betekent niet, zoals verweerder ook per brief heeft aangegeven, dat eiser de behandeling van het verzoek in Nederland mag afwachten. Verweerder is vervolgens door de griffier verzocht mededeling te doen naar de stand van zaken. Na een tweede rappel van de griffier heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Uit de gang van zaken blijkt niet dat verweerder belang hechtte aan de uitvoering van zijn beslissing tot onthouding van schorsende werking aan het bezwaar. Verweerder heeft geen stappen ondernomen om de uitvoering te realiseren. Het is voor de toepassing van het driejarenbeleid niet doorslaggevend dat verweerder onder die omstandigheden een formele beslissing ex artikel 32 Vw heeft genomen. Het bestreden besluit wordt wegens een ondeugdelijke motivering vernietigd.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage

Zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Uitspraak

Artike1 8:70 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

jo. artike1 71 Vreemdelingenwet 2000 (V w 2000)

reg. nr.: AWB 00/2053 VRWET

inzake: A, geboren op [...] 1976, van Chinese nationaliteit, wonende te B, eiser ,

gemachtigde: mr C.A. T .Philipsen, advocaat te Utrecht,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr A. Venekamp, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser verblijft, naar gesteld, sedert oktober 1988 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 1965 (Vw) in Nederland. Op 3 oktober 1996 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie te Baarn een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard ". Bij besluit van 16 december 1997 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 8 januari 1998 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 6 februari 1998. Het bezwaar is bij besluit van 4 februari 2000 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 28 februari 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij briefvan 12 apri1 2000. Op 22 augustus 2000 zijn de op de zaak betrekking hebben de stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 18 december 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2001. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Op 29 september 1997 heeft eiser aan verweerder verzocht om voorrang, omdat niet beslist was op zijn aanvraag van 3 oktober 1996. Op 16 december 1997 heeft verweerder de primaire beslissing genomen. Verweerder heeft op 2 maart 1998 beslist dat eiser de behandeling van het ingediende bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten. Op 12 maart 1998 heeft eiser de president verzocht om een voorlopige voorziening tegen de beslissing van 2 maart 1998 te treffen, inhoudende dat eiser de behandeling in bezwaar alsnog in Nederland mag afwachten.

Bij brief van 5 augustus 1998 heeft de griffier, in verband met de behandeling van de voorlopige voorziening, verweerder verzocht hem binnen twee weken na dagtekening, te informeren omtrent de stand van zaken. Op deze brief heeft verweerder niet gereageerd. Bij brief van 22 oktober 1998 heeft de griffier verweerder herinnerd aan de brief van 5 augustus 1998 en verzocht om binnen twee weken alsnog te antwoorden en bericht dat nader uitstel niet zou worden verleend. Voorts is in de brief gesteld dat indien niet aan het verzoek zou worden voldaan de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen.

Bij brief van 10 februari 1999 heeft verweerder de griffier bericht dat er nog geen beslissing was genomen op het door eiser ingediende bezwaarschrift.

Bij brief van 16 november 1999 heeft de griffier in verband met de voorlopige voorziening aan verweerder gevraagd of verweerder (reeds) een beslissing op het bezwaarschrift had genomen, dan wel binnen welke termijn verweerder voornemens was een dergelijk besluit te nemen en indien dit niet op korte termijn het geval was, mee te delen waardoor de lange duur van de besluitvormingsprocedure in dit geval werd veroorzaakt. Verweerder werd verzocht binnen vier weken te antwoorden.

Bij brief van 4 februari 2000 heeft verweerder vervolgens de griffier een afschrift van de bestreden beslissing gezonden. Bij die beslissing heeft verweerder bepaald dat eiser de procedure in beroep (ook) niet in Nederland mocht afwachten.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiser stelt zich - gemotiveerd- op het standpunt dat verweerder ten onrechte de gevraagde vergunning tot verblijfheeft geweigerd.

In beroep heeft eiser onder meer gesteld dat de hoorplicht is geschonden. Voorts beroept eiser zich op het driejarenbeleid, nu ingevolge vast beleid van de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening niet in behandeling is genomen, zolang nog niet is beslist op het bezwaarschrift. In die situatie had verweerder tijdig een besluit op bezwaar dienen te nemen. De bestreden beslissing is genomen vier maanden na het verstrijken van de drie jaar na aanvraag van de vergunning tot verblijf. Gezien het voorgaande is er sprake van relevant tijdsverloop.

2. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit -gemotiveerd -op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf.

In het verweerschrift heeft verweerder het in het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd. In aanvulling hierop is nog opgemerkt dat eiser niet op grond van het driejarenbeleid in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf om de volgende reden. Op 2 maart 1998, zijnde binnen zes maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, heeft verweerder besloten uitzetting niet achterwege te laten. Dit betekent dat vanaf 2 maart 1998 geen relevant tijdsverloop is opgebouwd. Op 12 maart 1998 is weliswaar een voorlopige voorziening aanhangig gemaakt, maar er is slechts sprake van relevant tijdsverloop indien de voorlopige voorziening wordt toegewezen. Op het verzoek is nog geen uitspraak gedaan. Voorts concludeert verweerder -gemotiveerd- dat de hoorplicht niet is geschonden.

IV. OVERWEGINGEN

I. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Het bestreden besluit dateert van 4 februari 2000, en is derhalve genomen vóór inwerkingtreding van de V w 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000,495). Het besluit is gebaseerd op de Vw (Wet van 13 januari 1965, Stb. 40) en aanverwante regelingen. De rechtbank zal zich, ex tunc toetsend, moeten uitlaten over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Derhalve worden bij de toetsing van het bestreden besluit de V w en aanverwante regelingen toegepast.

2. Ingevolge artikel ll , vijfde lid, van de V w kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikel het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Het op het onderhavige geval van toepassing zijnde beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.

3. Een vreemdeling die langdurig in onzekerheid verkeert omtrent de uitkomst van zijn toelatingsprocedure kan onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor toelating tot Nederland op grond van het zogenaamde driejarenbeleid. Dit beleid is neergelegd in A4/6.22 van de V c 1994. In A4/6.22.2 van de Vc 1994 is, voor zover hier van belang, bepaald dat een vreemdeling een vergunning tot verblijf verkrijgt indien aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:

1. Er zijn ten minste drie jaren verstreken na de datum van de aanvraag om toelating en de vreemdeling heeft nog geen beslissing of nog geen onherroepelijke beslissing op zijn aanvraag ontvangen, terwijl het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel nog steeds van toepassing is; én

2. de uitzetting is om beleidsmatige redenen achterwege

gebleven; dat wil zeggen om een reden die verband houdt

met het verblijfsdoel; én

3. er is geen sprake van contra-indicaties.

Ten aanzien van de tweede voorwaarde is het volgende bepaald:

A. Er is zonder meer sprake van het achterwege blijven van de uitzetting met het oog op een reden die verband houdt met het beoogde verblijfsdoel, indien:

I. De S taatssecretaris van Justitie heeft besloten dat de uitzetting hangende bezwaar of beroep achterwege blijft;

2. de uitzetting door de rechter is verboden.

B. Indien de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend wordt de periode tussen het aanbrengen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening bij de rechtbank en de datum van de uitspraak van de voorlopige voorziening niet opgeteld bij de driejarentermijn, tenzij het een toewijzende uitspraak betreft.

(...)

De rechtbank heeft zich bereid verklaard om het beroep versneld te behandelen in dezelfde termijn als waarin een verzoek om een voorlopige voorziening kan worden behandeld. Onder deze omstandigheid wordt aan de vreemdeling uitstel van vertrek verleend. Aangezien dit uitstel van vertrek geen verband houdt met het beoogde verblijfsdoel telt de periode waarin uitstel van vertrek is verleend niet mee in de opbouw van relevant tijdsverloop.

4. De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor omschreven beleid niet onredelijk is. Niet in geschil is voorts dat op het verzoek om een voorlopige voorziening die is aangespannen om de procedure in bezwaar en beroep in Nederland te mogen afwachten nog niet is beslist. Waar inmiddels op het bezwaar is beslist, kan de president niet meer oordelen over de vraag of eiser de behandeling van het bezwaar in Nederland mag afwachten.

5. Verweerder werpt thans aan eiser tegen dat hij heeft besloten dat uitzetting hangende bezwaar niet achterwege blijft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit recht evenwel verwerkt. Daartoe stelt de rechtbank voorop, dat eiser het verzoek om een voorlopige voorziening aanhangig heeft gemaakt binnen de door verweerder gestelde vertrektermijn. Zoals ook in de brief van 2 maart 1998 door verweerder is aangegeven, betekent dit niet dat eiser de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening hier te lande mag afwachten Verweerder is vervolgens begin augustus 1998 (anderhalf jaar voordat het bestreden besluit is genomen) door de griffier verzocht mededeling te doen van de stand van zaken. Uiteindelijk eerst na een tweede rappel van de griffier, op 16 november 1999, heeft verweerder (overigens nadat de in die brief

gestelde reactietermijn geruime tijd was verstreken) het bestreden besluit genomen. Uit deze gang van zaken blijkt niet dat verweerder belang hechtte aan de uitvoering van zijn beslissing tot onthouding van schorsende werking aan het bezwaar. Verweerder heeft zelfs na meerdere rappellen van de griffier geen stappen ondernomen om die uitvoering gerealiseerd te krijgen. Dat er een formele beslissing ex artikel 32 van de Vw is genomen door verweerder is onder die omstandigheden voor de toepassing van het driejarenbeleid niet doorslaggevend.

6. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens een ondeugdelijke motivering als strijdig met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd.

7. Gezien het voorgaande kan hetgeen overigens door partijen is aangevoerd buiten beschouwing blijven.

8. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

9. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1420,-- (zegge: veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,-- (zegge: tweehonderd en vijfentwintig gulden).

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Salomon, voorzitter, en mr. H.J. Tijselink en mr. A. Wolfsen, rechters, en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2001, door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr .M.H.R. de Boer, griffier. De griffier is buiten staat te tekenen.

Afschrift verzonden op: 16 juli 2001