Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6067

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
23-11-2001
Zaaknummer
09-757260-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-757260-99

rolnummer 0002

's-Gravenhage, 23 november 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen d[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Huis van Bewaring De Schie te Rotterdam.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 en 9 november 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsvrouw mr A. Wladimiroff, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr S. de Vries heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen goederen genummerd 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 15 zullen worden onttrokken aan het verkeer, en dat het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen goed genummerd 14 zal worden verbeurdverklaard.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De inzet van het opsporingsmiddel infiltratie.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat er geen sprake van was, dat ten tijde van het inzetten van dit middel het opsporingsonderzoek de inzet van het middel infiltratie dringend vorderde. Het middel is ten onrechte ingezet krap binnen anderhalve maand na opening van het gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte. Er heeft bij het inzetten van bedoeld middel een onevenwichtige belangenafweging plaatsgevonden en aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit werd niet voldaan. Op die gronden dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard te worden in haar vervolging van het eerste telastgelegde feit.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat er vanaf mei 1999 gebruik werd gemaakt van andere opsporingsmiddelen zoals het afluisteren van telefoongesprekken en het observeren van verdachte en zijn medeverdachten. Op basis van de daaruit verkregen informatie zijn de conclusies getrokken neergelegd in het rapport van aanvraag van inzet van een Politie Infiltratie Team d.d. 15 november 1999 opgemaakt door A.J. van Leeuwen, inspecteur van Politie Haaglanden, inhoudende dat:

· de verdachten telefoongesprekken voerden in codes en daarbij afgeschermde taal gebruikten;

· de verdachten elkaar op geheime locaties ontmoetten;

· het door het rijgedrag van de verdachten niet gemakkelijk was hen doelmatig te observeren;

· er vaak van telefoon en van voertuig werd gewisseld.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van die conclusies blijkt dat het opsporingsonderzoek tegen verdachte dringend vorderde dat het opsporingsmiddel infiltratie werd ingezet.

Naar het oordeel van de rechtbank is zowel aan de eis van proportionaliteit als aan de eis van subsidiariteit voldaan.

Schending van het Talloncriterium.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat verdachte door infiltrant A730 is uitgelokt, nu niet is uit te sluiten dat infiltrant A730 op 28 mei 2000 te Delft, na een gesprek tussen [medeverdachte] en verdachte over "oranje dingetjes", zelf op verdachte is afgestapt om vervolg te geven aan genoemd gesprek.

In dat geval dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard te worden in haar vervolging van verdachte ten aanzien van feit1.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de door de raadsvrouwe gestelde feiten niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van de rechtbank is uit bedoeld onderzoek vast komen te staan, dat infiltrant A730 verdachte niet heeft gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop het opzet van verdachte reeds was gericht.

Doorlaten.

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat er op 15 juni 2000 te Delft het verbod tot doorlaten neergelegd in artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering is geschonden.

Infiltrant A760 heeft toen waargenomen dat er in de woning van verdachte in Delft boodschappentassen met vermoedelijk XTC- en speedpillen aanwezig waren. Door toen bedoelde pillen niet in beslag te nemen, is gehandeld in strijd met het in artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verbod tot doorlating, omdat die pillen - en daarmee gevaarlijke stoffen waartegen de maatschappij bescherming behoeft - hoogst waarschijnlijk op de markt zijn gekomen.

Het openbaar ministerie dient derhalve niet ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van de vervolging van feit 1.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat er na de door de infiltrant A760 gedane constatering op 15 juni 2000 serieus is overwogen om in te grijpen. Doordat onvoldoende zekerheid was verkregen of de woningen die daarvoor in aanmerking kwamen zonder afbreukrisico konden worden onderzocht en er rekening werd gehouden met de mogelijkheid dat de tassen als een test voor A760 door verdachte [medeverdachte] in de woning van verdachte [verdachte] waren geplaatst, is van optreden af gezien. Verder heeft bij die beslissing ook een rol gespeeld dat de door A760 verkregen pillen onderzocht moesten worden op de aanwezigheid van verboden stoffen. Bedoeld onderzoek zou enkele uren in beslag nemen en er werd niet uitgesloten, dat die tassen in de tussentijd weer waren weggehaald.

Gelet op die omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van een doorlating, met als doel om in het kader van het opsporingsonderzoek verdovende middelen op de markt te brengen.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

In haar pleitnota heeft de raadsvrouw aangevoerd dat feit 3 geen zelfstandige betekenis heeft en het feit geabsorbeerd wordt door feit 2. Zij is van mening dat voor feit 3 niet nog eens een aparte veroordeling mogelijk is op grond van het ne bis in idem beginsel.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft steeds opnieuw één wilsbesluit moeten nemen om tot het plegen van zowel feit 2 als feit 3 te komen. Van eenzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht is geen sprake.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft zich gedurende een lange periode op meerdere locaties beziggehouden met handel in XTC-pillen en amfetamine.

Verdachte heeft een leidende rol gespeeld bij het in omloop brengen van grote voor handelsdoeleinden bestemde hoeveelheden XTC-pillen. Deze pillen bevatten stoffen waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar die ook direct en indirect oorzaak zijn van vele vormen van criminaliteit en overlast. Verdachte is betrokken geweest bij laboratoria waar de pillen werden geslagen en heeft de grondstoffen aangeleverd, de pillen opgehaald en vervolgens verkocht. Uit winstbejag heeft hij daarbij een initiërende rol gespeeld.

Daarnaast heeft verdachte, samen met een ander, een echtpaar in hun woning overvallen. Verdachte en zijn mededader deden zich voor als politieagenten en toen hen eenmaal de toegang tot die woning was verschaft, hebben zij de slachtoffers met veel geweld en forse bedreigingen beroofd van diverse goederen en geld. Een zeer ernstig feit, dat voor de slachtoffers langdurige psychische gevolgen kan hebben.

De rechtbank rekent verdachte deze feiten ernstig aan.

Uit een op naam van verdachte staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt dat hij eerder met justitie in aanraking is geweest.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 6, 8, 11, 12 en 14 verbeurdverklaren, zijnde deze voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn voorbereid/begaan en deze voorwerpen zijn bestemd tot het begaan van voornoemde bewezenverklaarde misdrijven.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 4, 5, 7, 9, 10, 13 en 15 onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij

-gewijzigde- dagvaarding onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 5:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 3, feit 4:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 6:

MEDEPLEGEN VAN EEN FEIT, ALS BEDOELD IN HET DERDE OF VIERDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOORBEREIDEN OF BEVORDEREN, DOOR VOORWERPEN OF STOFFEN VOORHANDEN TE HEBBEN, WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT;

ten aanzien van feit 7:

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III

en

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT MUNITIE VAN CATEGORIE III;

ten aanzien van feit 8:

DIEFSTAL, DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN EEN VALS KOSTUUM, WELKE DIEFSTAL WERD VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :25 april 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op :27 april 2001,

verklaart verbeurd het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 6, 8, 11, 12 en 14;

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit proces-verbaal gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4, 5, 7, 9, 10, 13 en 15;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs I.E. de Vries, voorzitter,

E.R. Houweling en N.O.P. Roché, rechters,

in tegenwoordigheid van H.J. van Dijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 november 2001.

Mr Roché is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.