Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6037

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
07-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/57057, 01/57063, 01/57058, 01/57065
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / Armenië / eerwraak.

Het relaas van verzoekers wordt niet betwist. Indien verzoekers geen verblijfsalternatief hebben in Armenië of niet de bescherming kunnen inroepen van de Armeense autoriteiten, lopen zij een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM.

De ambtsberichten van 11 december 1998 en 22 mei 2000 bevatten geen informatie over eerwraak in Armenië. Derhalve had verweerder niet zonder hier nader onderzoek naar te verrichten kunnen beslissen op de aanvraag van verzoekers.

Uit het ambtsbericht van 11 december 1998 blijkt dat de Armeense politie corrupt is en dat de vraag of de Armeense autoriteiten bescherming kunnen of willen bieden, mede afhankelijk is van de vraag aan wie men bescherming vraagt. Het hebben van goede contacten of familiebanden binnen de politie kan het verkrijgen van bescherming bevorderen. In dit verband is van belang dat verzoekers hebben gesteld dat de echtgenoot van een tante bij de politie werkt en dat, om die reden, niet zij maar hun

familieleden de medewerking van de Armeense autoriteiten zullen krijgen en dat zij verzoekers hierdoor overal zullen kunnen traceren in Armenië. In het licht van voornoemde informatie is de stelling van verzoekers niet onaannemelijk. Derhalve heeft verweerder, nu niet is weersproken dat de familie van verzoekers connecties heeft met de politie, onvoldoende gemotiveerd waarom niettemin moet worden aangenomen dat verzoekers de bescherming van de Armeense autoriteiten zullen kunnen krijgen alsmede

een binnenlands vestigingsalternatief in Armenië hebben. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummers: Awb 01/57057 en 01/57063 (verzoeken) en

Awb 01/57058 en 0157065 (beroepen)

Datum uitspraak: 15 november 2001

Uitspraak

ingevolge de artikelen 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1974,

en

B,

geboren op [...] 1982,

van Armeense nationaliteit,

verzoekers,

gemachtigde: mr. A.H. Hekman,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Y. Kalden,

ambtenaar bij de IND.

Het procesverloop

Op 27 oktober 2001 hebben verzoekers aanvragen om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikkingen van 31 oktober 2001 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan verzoekers geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Bij beroepschriften van 31 oktober 2001 hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen. Aan verzoekers is medegedeeld dat zij de behandeling van hun beroep niet in Nederland mogen afwachten.

Bij verzoekschriften van 31 oktober 2001 hebben verzoekers verzocht de voorlopige voorziening te treffen teneinde uitzetting uit Nederland te voorkomen.

Openbare behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 november 2001. Verzoekers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door een kantoorgenoot van hun gemachtigde, mr. G.G.A.J. Adang. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De standpunten van partijen

1. Het vluchtrelaas van verzoekers komt op het volgende neer.

Verzoekers zijn volle neef en nicht. Zij hebben een relatie. Toen verzoekster vier maanden zwanger was, ontdekte haar moeder haar zwangerschap. Verzoekster heeft verzwegen dat het kind van verzoeker was en dat zij een relatie met hem had. Verzoekster is door haar familie regelmatig mishandeld en bedreigd. Op 7 juli 2001 is zij door haar broer bedreigd met een mes. Daarop heeft zij bekend dat verzoeker de vader is van het kind. Haar familie is naar verzoeker gegaan om hem te vermoorden. Verzoeker heeft kunnen ontsnappen. Hij heeft verzoekster thuis opgehaald en zij zijn met verzoekers vriend, C, naar Jerevan gevlucht. Toen zij daar verbleven hebben zij gehoord dat de familie hun spullen had verbrand. Op 29 juli 2001 zijn zij naar Georgië gegaan, waar zij hebben verbleven bij familie van C. Aldaar is de dochter van verzoekers geboren. Op 10 oktober 2001 hebben zij Georgië verlaten omdat de man, bij wij zij verbleven en aan wie zij in eerste instantie de waarheid hadden verzwegen, vreesde voor zijn leven.

Verzoekers kunnen niet elders in Armenië gaan wonen omdat hun ouders hen zeker zouden vinden. Ook konden zij niet de bescherming vragen van de politie omdat de politie corrupt is en hen zeker zou verraden. Daarbij is er nog op gewezen dat een familielid bij de politie werkt. Bovendien heeft verzoeker in 1991 gezien dat een man en vrouw, die zich in dezelfde situatie bevonden als verzoekers, door hun familie op straat zijn vermoord en dat de politie toen niet heeft ingegrepen.

2. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen omdat de problemen van verzoekers zijn gelegen in de familiesfeer en geen relatie hebben met een van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag. Niet is gebleken dat verzoekers geen bescherming hadden kunnen krijgen bij de Armeense autoriteiten of dat zij zich niet elders in Armenië hadden kunnen vestigen. Dat zij die bescherming niet zouden hebben gekregen of dat hun familie hen overal in het land had kunnen vinden, berust alleen op vermoedens van verzoekers. Niet is gebleken dat de situaties in de door verzoekers aangehaalde uitspraken met betrekking tot eerwraak en Armenië overeenkomen met de situatie van verzoekers. Dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 december 1998 blijkt dat de vraag of de politie in concreto bescherming kan bieden aan individuen die daar om vragen in het algemeen afhangt van de persoon bij wie je om bescherming vraagt, is onvoldoende om te concluderen dat de Armeense autoriteiten verzoekers geen bescherming zullen bieden.

3. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat eerwraak wel reden kan zijn voor toelating als vluchteling. Zij hebben verwezen naar uitspraken van deze rechtbank van 18 januari 2001 (Haarlem, Awb 00/854) en 7 december 2000 (Haarlem, Awb 00/7019) en 22 december 2000 (Awb 99/8490). Voorts blijkt uit jurisprudentie over Armenië dat niet zonder meer kan worden gesteld dat de Armeense autoriteiten voldoende bescherming bieden. Verzoekers hebben in dit verband uitspraken van deze rechtbank van 10 april 2001 (Awb 00/9616 en 99/9855), 5 juli 2001 (Zwolle, Awb 01/26332) en 29 augustus 2001 (Zwolle, Awb 01/37828) overgelegd. Gelet op het voorgaande zijn verzoekers van mening dat verweerder niet gevolgd kan worden in de stelling dat hun relaas onvoldoende zwaarwegend is voor toelating en dat verweerder nader onderzoek nodig voor een goede beoordeling van hun asielmotieven.

De beoordeling

4. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5. Artikel 8:86 van de Awb bepaalt, dat indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak,

hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

6. De president is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal daarom uitspraak doen in de hoofdzaak.

7. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1 en artikel 8:69 van de Awb dient de president het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat

besluit aangevoerde beroepsgronden.

8. Op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 1 (A) van het Verdrag van Geneve betreffende de status van vluchtelingen, kan aan een vreemdeling, die afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen

heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

worden verleend als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

Voorts kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, c en d, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde

redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (de b-grond); van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst (de c-grond) en voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar (de d-grond).

9. Vooropgesteld moet worden, dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat verzoekers niet voor toelating in aanmerking komen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.

10. De president stelt vast dat verweerder het asielrelaas van verzoekers niet betwist zodat van de geloofwaardigheid daarvan moet worden uitgegaan. Uit dit relaas blijkt dat verzoekers, indien zijn geen verblijfsalternatief hebben in Armenië of

niet de bescherming kunnen inroepen van de Armeense autoriteiten, een reëel risico lopen op een behandeling die wordt verboden door artikel 3 van het (Europees) Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of verzoekers een dergelijk binnenlands verblijfsalternatief hebben en of zij genoemde bescherming kunnen krijgen in Armenië.

De president stelt vast dat de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 december 1998 en 22 mei 2000 geen informatie bevatten over eerwraak in Armenië. Derhalve had verweerder niet zonder hier nader onderzoek naar te verrichten kunnen beslissen op de aanvraag van verzoekers.

Verder blijkt uit het ambtsbericht van 11 december 1998 van de Minister van Buitenlandse Zaken, dat volgens verweerder nog steeds actueel is op dit punt, dat de Armeense politie corrupt is en dat de vraag of de Armeense autoriteiten bescherming kunnen of willen bieden, mede afhankelijk is van de vraag aan wie men bescherming vraagt. Soms wordt bescherming alleen geboden indien er smeergeld wordt betaald. Tevens kan het hebben van goede contacten of familie banden binnen de politie het verkrijgen van bescherming bevorderen. In dit verband is van belang dat verzoekers hebben gesteld dat de echtgenoot van een tante bij de politie werkt en dat, om die reden, niet zij maar hun familieleden de medewerking van de Armeense autoriteiten zullen krijgen en dat zij verzoekers hierdoor overal zullen kunnen traceren in Armenië. In het licht van voornoemde informatie is de stelling van verzoekers niet onaannemelijk. Derhalve heeft verweerder, nu niet is weersproken dat de familie van verzoekers connecties

heeft met de politie, onvoldoende gemotiveerd waarom niettemin moet worden aangenomen dat verzoekers de bescherming van de Armeense autoriteiten zullen kunnen krijgen alsmede een binnenlands vestigingsalternatief in Armenië hebben.

Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikkingen wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb vernietigd dienen te worden.

11. De beroepen zijn derhalve gegrond.

12. Nu de beroepen gegrond worden verklaard, hebben verzoekers geen belang meer bij de gevraagde voorzieningen. De verzoeken zullen om die reden worden afgewezen.

13. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal ƒ 2.130,- (1 punt voor het indienen van de verzoekschriften, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor de zitting, waarde per punt ƒ710,-, wegingsfactor 1) voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De beslissing

De president:

- wijst de verzoeken af;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikkingen en draagt verweerder op nieuwe beschikkingen te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ad ƒ 2.130,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2001 in tegenwoordigheid van mr. A.S.W. Kroon als griffier.

de griffier de president

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt onder meer dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak dient te bevatten en dat artikel 6:6 van de Awb niet van toepassing is. Bij het beroepschrift dient een afschrift van de uitspraak overgelegd te worden.

Afschrift verzonden: 15 november 2001