Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5999

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-11-2001
Datum publicatie
22-11-2001
Zaaknummer
09.757.269-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE, STRAFSECTOR

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09.757.269-00

rolnummer 6

's-Gravenhage, 19 november 2001

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

[geboorteplaats] te Paramaribo, Suriname,

[adres]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting De IJssel,

Unit Huis van Bewaring te Nieuwerkerk aan den IJssel.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 november 2001.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr Lalji, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Reddingius heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair voorzover het de telastgelegde poging moord betreft wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair telastgelegde voorzover het de poging doodslag betreft alsmede terzake van het hem bij dagvaarding onder 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair voorzover het de poging moord betreft en onder 3, is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair voorzover het de poging doodslag betreft vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsoverweging.

De rechtbank overweegt dat zij het verzoek tot het horen van de getuige Haidar Almahmood heeft afgewezen aangezien het -gelet op de inspanningen van de officier van justitie de getuige op te sporen- onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen terwijl bovendien de door hem afgelegde verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien het onder 1 primair telastgelegde feit een beroep gedaan op noodweer op grond van de in de pleitnota aangevoerde feiten en omstandigheden. Zijn cliënt dient derhalve te worden ontslagen van rechtsvervolging, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zichzelf in de stuatie heeft gebracht die de vermeende noodweersituatie tot gevolg zou hebben gehad, zodat het verweer reeds daarom niet kan slagen.

Verdachte is derhalve strafbaar, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte die blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister terzake van overtredingen van de Wegenverkeerswetgeving, de Opiumwet en terzake van vuurwapens eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en in die laatste gevallen ook is veroordeeld tot forse onvoorwaardelijke gevangensstraffen, heeft samen met zijn neef kogels afgevuurd op een tweetal personen. Hij heeft zich daarbij welbewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat die personen door die kogels zouden worden geraakt en daardoor het leven zouden laten. De ernst van dergelijke feiten spreekt voor zich.

Het vorenstaande rechtvaardigt een straf van na te melden duur.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair voorzover het de telastgelegde poging moord betreft en 3 telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair voorzover het de telastgelegde poging doodslag betreft telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 primair:

medeplegen poging doodslag, meermalen gepleegd

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op 1 mei 2001 en

in voorlopige hechtenis gesteld op 4 mei 2001;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Quadekker, voorzitter,

Valk en Van Harte, rechters,

in tegenwoordigheid van Bol, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2001.