Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5975

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-07-2001
Datum publicatie
22-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/27955
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Bewaring / melding Bureau Selectiefunctionarissen.

In artikel 5.4, tweede lid, Vb 2000 is bepaald dat indien de tenuitvoerlegging van de bewaring een aanvang neemt op het politiebureau of in een cel van de Koninklijke Marechaussee, zodra dit redelijkerwijs mogelijk is wordt voortgezet in een huis van bewaring. Vereist is dat de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de inbewaringstelling wordt aangemeld bij het Bureau Selectiefunctionarissen (BSF).

Als norm in de jurisprudentie (zie AWB 00/3696 rechtbank Amsterdam d.d. 28 juni 2000 en AWB 00/6321 rechtbank Zwolle d.d. 20 juni 2000) is bepaald dat de melding bij het BSF dient te geschieden uiterlijk de tweede werkdag volgend op de dag waarop de maatregel van bewaring is opgelegd. In het geval van eiser, een Venezolaan, is niet in geschil dat de melding bij het BSF een dag te laat heeft plaatsgevonden. Er is geen sprake van zodanig bijzondere omstandigheden dat een melding bij het BSF op de derde werkdag na de inbewaringstelling daardoor gerechtvaardigd zou zijn. Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder een zwaarwegend belang heeft bij voortduring van de bewaring.

Beroep gegrond, toewijzing verzoek om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 5.4
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/27955 VRWET

Inzake: A, CRV nummer [CRV nummer], thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Ter Apel, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. J.L.W. Nillesen, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M. Verweij, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1965 en de Venezolaanse nationaliteit te hebben.

2. Op 28 juni 2001 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 93 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdeling ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 28 juni 2001 waarbij de vreemdeling de maatregel van bewaring is opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op

5 juli 2001. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig drs. P.J.Fr. Juten, tolk in de Spaanse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de inbewaringstelling niet nodig is geweest omdat de vreemdeling beschikte over een paspoort en over een ticket voor de volgende dag , hetgeen hij bij het verhoor voorafgaande aan de inbewaringstelling ook meteen heeft gezegd. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de vreemdeling niet zou zijn vertrokken. Hij had daarom gewoon de volgende dag naar Schiphol gebracht moeten worden.

De vreemdeling wordt slechts verdacht van het plegen van een misdrijf.

Uit de stukken blijkt echter niet dat hij (Schengen-)ongewenstverklaard is. De vreemdeling verbleef rechtmatig in Nederland, waar hij was gekomen om onderdelen voor tractoren te kopen. Omdat hij in een hotel verbleef had hij ook een vast adres.

Voorts heeft de gemachtigde aangevoerd dat het proces-verbaal van ophouding in het dossier ontbreekt en ten slotte dat de melding bij het Bureau Selectie Functionarissen (BSF - voorheen: Penitentiair Selectie Centrum, PSC)) pas op de derde werkdag na de inbewaringstelling heeft plaatsgevonden. Een melding nà de tweede werkdag leidt ingevolgde de rechtspraak zonder meer tot onrechtmatigheid van de bewaring.

Derhalve dient de bewaring te worden opgeheven.

4. Namens verweerder is aangevoerd dat de inbewaringstelling in het belang van de openbare orde heeft plaatsgevonden. De vreemdeling is weliswaar in het Schengengebied niet ongewenst verklaard, maar verweerder acht het aannemelijk dat de vreemdeling daar geen toegang zou krijgen omdat hij gesignaleerd staat. Omdat de vreemdeling wordt verdacht van mishandeling is zijn vrije termijn geëindigd. Er is geen proces-verbaal van ophouding omdat de vreemdeling aansluitend aan het strafrechtelijk voortraject in bewaring is gesteld.

Met betrekking tot de melding bij het BSF op de derde werkdag na de inbewaringstelling stelt verweerder zich op het standpunt dat deze melding weliswaar te laat heeft plaatsgevonden, maar dat dit geen reden is om de bewaring deswege op te heffen. Alsdan dient een belangenafweging plaats te hebben. De vreemdeling is niet in zijn belangen geschaad. De vreemdeling is binnen tien dagen in een Huis van Bewaring geplaatst en verweerder heeft een zwaar(der)wegend belang bij de bewaring.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder twee uitspraken van deze rechtbank, zittinghoudende te Amsterdam, overgelegd waarin is geoordeeld dat de te late melding bij het Penitentiair Selectiecentrum niet tot opheffing van de bewaring diende te leiden.

5. De rechtbank stelt voorop dat ook naar haar oordeel het opleggen van de maatregel van bewaring rechtmatig is. In hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal van verhoor d.d. 28 juni 2001 terzake van het opleggen van de maatregel van bewaring ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de bewaring is aangevangen dan wel voortduurt in strijd met het bepaalde in artikel 59 Vw2000.

6. De rechtbank overweegt voorts het navolgende.

In artikel 5.4, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb2000) is bepaald dat, indien de tenuitvoerlegging van de bewaring een aanvang neemt op een politiebureau of in een cel van de Koninklijke Marechaussee, zodra dit redelijkerwijs mogelijk is de tenuitvoerlegging wordt voortgezet in een huis van bewaring.

Vereist is dat de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de inbewaringstelling wordt aangemeld bij het BSF.

Daarvoor is als norm in de jurisprudentie bepaald (vgl, naast de uitspraak d.d. 28 juni 2000, zittingsplaats Amsterdam, Awb 00/3696, waarvan verweerder ter zitting afschrift heeft overgelegd, de uitspraak d.d. 20 juni 2000, zittingsplaats Zwolle, Awb 00/6321,gepubliceerd in JUB 2000 nr. 15-389) dat die melding dient te geschieden uiterlijk de tweede werkdag volgend op de dag waarop de maatregel van bewaring is opgelegd.

Overschrijding van die termijn moet als onrechtmatig worden aangemerkt.

Op grond daarvan dient de bewaring te worden opgeheven, behoudens bijzondere omstandigheden.

Hierbij komt aan de omstandigheid dat de vreemdeling na een niet tijdige melding toch uiterlijk binnen tien dagen in een Huis van Bewaring is geplaatst, geen betekenis toe.

In dit verband merkt de rechtbank nog op dat, voor zover verweerder zich niet zou kunnen verenigen met deze norm, het verweerder uiteraard geheel vrij staat sedert 1 april 2001 daartegen op te komen door het instellen van hoger beroep.

7. De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval niet in geschil is dat de melding bij het BSF pas op de derde werkdag na de inbewaringstelling op 28 juni 2001, heeft plaatsgevonden en dus een dag te laat.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van zodanig bijzondere omstandigheden dat een melding bij het BSF op de derde werkdag na de inbewaringstelling daardoor gerechtvaardigd zou zijn.

Voorts is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder een zwaarwegend belang heeft bij voortduring van de bewaring.

Hierbij wijst de rechtbank erop dat weliswaar in het bevel bewaring (model M110-A) staat aangekruist dat de vreemdeling ongewenst is verklaard, maar dat de (overige) stukken voor de toepassing van artikel 67 Vw2000 geen grond verschaffen; evenmin is gebleken dat de vreemdeling in het kader van Schengen staat gesignaleerd.

8. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring van de vreemdeling met ingang van 3 juli 2001 onrechtmatig geacht moet worden. In het onderhavige geval bestaat daarin aanleiding het beroep gegrond te verklaren en de maatregel van bewaring met ingang van heden op te heffen.

9. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen. Gelet op het feit dat de vreemdeling als gevolg van (verdenking van) mishandeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, ziet de rechtbank aanleiding de schadevergoeding, gelet op alle omstandigheden van het geval, te matigen tot een bedrag van f 150,-.

10. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 5 juli 2001;

3. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot f 150,-- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt een week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Voorzover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2001 in tegenwoordigheid van mr. N. Hobby, griffier.