Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5959

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2001
Datum publicatie
21-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/1691
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Irak / Turkmeen / politieke activiteiten / authenticiteit arrestatiebevel.

Eiser is afkomstig uit Centraal-Irak en is van Koerdisch-Turkmeense afkomst. Vanwege zijn werkzaamheden voor een school was hij lid van de Baath-partij. In 1997 is eiser vanwege zijn afkomst, omdat hij veel Turkmeense vrienden had en omdat hij tegen de Arabiseringpolitiek was en omdat Turkmenen door de Arabische bevolkingsgroep worden gediscrimineerd, lid geworden van de Turkmeense Front Partij (TFP). Deze partij is verboden. Eiser heeft voor deze partij activiteiten verricht. Eiser vreest vervolging wegens zijn lidmaatschap van en activiteiten voor de TFP.

De rechtbank acht het relaas (wel) voldoende aannemelijk. De combinatie van eisers lidmaatschappen van de Baathpartij en verboden oppositionele Turkmeense Frontpartij (TFP), zijn activiteiten voor de TFP alsmede zijn functie als directeur van een lagere school in Kirkuk maken dat tot op zekere hoogte aannemelijk is dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft. Hieruit volgt tevens dat niet zonder meer in de verwijzing naar de beleidswijziging van 20 november 1998, enkel uitgaande van de in de ambtsberichten genoemde risicocategorieën, kan worden geconcludeerd dat eiser een vluchtalternatief in Noord-Irak heeft. Ten aanzien van het arrestatiebevel volgt rechtbank verweerder niet in diens enkele overweging dat documenten eenvoudigweg kunnen worden gekopieerd en vervalst, terwijl de authenticiteit van dat document niet kan worden vastgesteld. Zonder nadere motivering kan niet worden geconcludeerd dat aan dat arrestatiebevel niet de waarde kan worden toegekend die betrokkene wenst. Daaruit volgt vernietiging wegens strijd met artikelen 7:2, 7:12 Awb en artikel 31, tweede lid, aanhef en onder b, Vw. Aan de vraag naar de rechtmatigheid van het onthouden van een vtv wordt niet toegekomen, maar wel wordt al opgemerkt dat de enkele verwijzing naar eisers leeftijd en gezondheid volgens vaste rechtspraak niet voldoende is een vtv te onthouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: 00/1691

Datum uitspraak: 17 januari 2001

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in samenhang met artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1963,

van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. A. Kurt Gecoglu,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. H.M. Schaak,

ambtenaar bij de IND.

Het procesverloop

Op 19 februari 1998 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikking van 7 augustus 1998 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. Wel is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend.

Eiser heeft bij bezwaarschrift van 14 oktober 1998 bezwaar gemaakt tegen de niet-inwilliging van zijn aanvragen. Bij beschikking van 31 januari 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 25 februari 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 oktober 2000. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de beschikking van 31 januari 2000 in rechte stand kan houden.

2. Op grond van artikel 15 van de Vw in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

3. Het vluchtrelaas van eiser komt op het volgende neer. Eiser is afkomstig uit Kirkuk, Centraal-Irak, en hij is van Koerdisch-Turkmeense afkomst.

Eiser heeft van 1988 tot begin 1998 in Kirkuk als directeur van een lagere school gewerkt. Vanuit zijn functie was eiser verplicht lid van de Ba'athpartij. Sinds 1994 heeft eiser ook als eigenaar van een boekwinkel gewerkt. In eisers winkel werkten tevens zijn zoon en een vriend. In de zaak stond een kopieerapparaat.

In 1997 is eiser lid geworden van de Turkmeense Front Partij (TFP) in Kirkuk. Daarvoor sympathiseerde eiser al met die partij. Eiser besloot lid te worden vanwege zijn Koerdisch-Turkmeense achtergrond, alsmede omdat hij veel Turkmeense vrienden had, voorts omdat hij tegen de Arabiseringpolitiek in Irak is, en omdat hij door de Arabische bevolkingsgroep werd gediscrimineerd. De TFP is verboden. Eiser heeft voor de TFP 1 tot 3 keer per maand pamfletten vermenigvuldigd met zijn kopieerapparaat. Andere leden van de TFP verspreidden de pamfletten. Eiser is naar enkele bijeenkomsten van de TFP geweest. Vaak kwamen eisers vrienden bij hem thuis. Dan spraken zij over politiek en de misstanden in Kirkuk.

In januari 1998 was eiser in Bagdad om materiaal voor de winkel in te kopen. Van zijn zoon vernam eiser telefonisch dat twee personen in burger, vermoedelijk behorende tot de veiligheidsdienst, in de winkel waren geweest. Zij hadden het kopieerapparaat in beslag genomen. Ook werd eisers vergunning voor de winkel ingenomen. Tegen eisers zoon hadden zij gezegd dat eiser zich bij de veiligheidsdienst diende te melden. Eiser vreest vluchtelingenrechtelijke vervolging door de Centraal-Iraakse autoriteiten vanwege activiteiten die eiser voor de TFP heeft verricht. Eiser kon nergens anders in Irak verblijven en heeft in overleg met zijn familie besloten Irak te verlaten.

4. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn lidmaatschap van en activiteiten voor de TFP in de bijzondere negatieve aandacht van de Centraal-Iraakse autoriteiten staat.

Niet aannemelijk is dat eiser, die behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en zelf lid was van de Ba'athpartij, activiteiten voor de TFP heeft verricht. De activiteiten die eiser heeft verricht zijn niet van dermate groot belang dat daardoor vluchtelingschap verondersteld wordt. Eiser was niet betrokken bij de teksten op de pamfletten en hield zich niet bezig met de verspreiding ervan. Volgens verweerder valt niet in te zien dat de autoriteiten van eisers activiteiten op de hoogte zijn geraakt.

Eiser verklaringen dat een inval zou zijn gedaan in de winkel waarbij het kopieerapparaat zou zijn ingenomen, zijn niet geloofwaardig. Aan eisers verklaringen kan niet de door hem gewenste waarde worden gehecht, omdat eiser een en ander van horen zeggen heeft.

Volgens verweerder kan eiser zich bovendien in Noord-Irak vestigen. Verweerder heeft in dit verband gewezen op zijn beleidswijziging van 20 november 1998 (TK 1998-1999, 19 637, nr. 395). Eiser behoort niet tot één van de risicogroepen zoals genoemd in de algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 maart 1998 en 13 november 1998 (DPC/AM 568758).

Onder verwijzing naar de uitspraken van de rechtbank van 13 september 1999 (Rechtseenheidskamer, JV 1999 239-241) heeft verweerder gesteld dat eiser evenmin risico loopt op een behandeling die door artikel 3 van het (Europees) Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) wordt verboden.

5. Eiser betwist dat het bevreemding wekt dat hij zowel lid was van de Ba'athpartij als van de TFP. Eiser was lid van de Ba'athpartij omdat hij daartoe vanwege zijn functie als leraar gedwongen werd. Hij werd lid van de TFP vanuit overtuiging.

Eiser heeft erop gewezen dat zijn activiteiten zelf niet door verweerder worden betwist. Eiser bestrijdt dat zijn activiteiten niet van groot belang zijn geweest. Hij stelde door zijn bijdrage zijn partij in staat haar ideeën uit te dragen en het volk te informeren over de misstanden van het Iraakse regime. Eiser bestrijdt tevens dat niet valt in te zien dat de Iraakse autoriteiten van zijn activiteiten op de hoogte zijn geraakt. Van eiser kan niet worden verwacht gedetailleerd aan te geven hoe de autoriteiten op de hoogte zijn geraakt. Als hij dat had geweten, had hij maatregelen kunnen nemen ter voorkoming van de situatie waarin hij zich nu bevindt.

Evenmin kan eiser zich vinden in verweerders standpunt dat niet geloofwaardig is dat het kopieerapparaat in beslag is genomen. Eiser heeft dit van zijn zoon vernomen en hij heeft geen enkele aanleiding om zijn zoon hier niet in te vertrouwen. Logischerwijs trok eiser hieruit de conclusie dat hij was verraden.

Eiser stelt dat wel degelijk aannemelijk is dat de Iraakse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers lidmaatschap van en activiteiten voor de TFP. Tevens is hierdoor aannemelijk dat zijn oppositionele activiteiten hem zwaarder zullen worden aangerekend omdat hij tevens lid was van de Ba'athpartij.

In bezwaar heeft eiser een arrestatiebevel overgelegd, waarin de veiligheidsdienst eisers arrestatie beveelt wegens sabotage.

Eiser zou voor een revolutionaire rechtbank dienen te verschijnen, hetgeen volgens eiser betekent dat hij wel degelijk als een politiek tegenstander wordt beschouwd. Mede gezien het arrestatiebevel is het aannemelijk dat eiser elders in Irak evenmin veilig zou zijn. Eiser stelt dat de besluitvorming in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb tot stand is gekomen. Eiser stelt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

6. Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Irak zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

7. De rechtbank oordeelt in tegenstelling tot verweerder dat niet op voorhand onaannemelijk is dat eiser zowel van de Ba'athpartij als van de TFP lid is geweest en voor de TFP activiteiten heeft verricht. Hierbij zijn eisers achtergrond, alsmede het bestaan van een grote Turkmeense gemeenschap in Kirkuk betrokken. Voorts is aannemelijk dat eiser verplicht lid was van de Ba'athpartij, vanwege zijn functie als leraar en later als directeur. Dat dit aan een lidmaatschap van de TFP in de weg zou hebben gestaan, is niet op voorhand onaannemelijk. Zulks betreft ook de door eiser voor de TFP verrichte activiteiten. Mede gelet op de omstandigheid dat de overige verklaringen niet op voorhand als ongeloofwaardig kunnen worden bestempeld, valt geenszins uit te sluiten dat de Iraakse autoriteiten van deze activiteiten op de hoogte zijn geraakt.

Voorts valt niet op voorhand uit te sluiten dat de door eiser geschetste activiteiten in de ogen van de Centraal-Iraakse autoriteiten niet van groot belang worden beschouwd. Het enkele feit dat het alleen om het kopiëren van pamfletten gaat, is niet doorslaggevend. Met eiser oordeelt de rechtbank dat relevant is welke betekenis aan die activiteiten wordt toegekend in het land van herkomst. Eiser heeft terecht gesteld dat in de perceptie van het Iraakse regime al snel sprake is van oppositie en dat ook een ogenschijnlijk klein feit in de ogen van de Iraakse autoriteiten al belastend kan zijn. Derhalve is niet zonder meer onaannemelijk dat eisers activiteiten de Centraal-Iraakse autoriteiten onwelgevallig zijn.

Daarbij is van belang dat eiser ook lid is geweest van de Ba'athpartij. Zo blijkt uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 april 1999 (DPC/AM-635432) dat (ex)Ba'athleden de doodstraf kunnen krijgen als zij hun lidmaatschap van of actieve betrokkenheid bij een andere politieke partij verzwijgen (bladzijde 48). Zulks blijkt eveneens uit een brief van Amnesty International van 8 april 1998 aan Vluchtelingenwerk (Landeninfo Vluchtelingenwerk Irak 2.II. p. 19-28, blz. 12 van de brief). Voorts blijkt uit dit ambtsbericht dat het uiten van een afwijkende mening voor Ba'athleden gevaarlijker is dan voor anderen.

Omdat zij strikt gehouden zijn aan de partijlijn worden afwijkende meningen van hen nog minder getolereerd dan van anderen (bladzijde 26).

Ook is tot op zekere hoogte aannemelijk geworden dat in eisers boekwinkel een inval is gedaan, waarbij eisers kopieerapparaat in beslag is genomen. Uit het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van april 1999 volgt dat bezitters en gebruikers van (onder meer) kopieermachines rekening moeten houden met controles en beperkingen (bladzijde 27).

De rechtbank vermag evenmin in te zien waarom aan verklaringen van eisers zoon geen enkele waarde wordt gehecht. De stelling dat eiser daarmee zijn relaas op verklaringen van horen zeggen baseert, is niet zonder meer voldoende. Uit eisers verklaringen volgt dat de personen in de winkel eisers zoon hadden opgedragen aan eiser te vertellen wat zich in de winkel had voorgedaan.

Op het punt van het door eiser overgelegde arrestatiebevel, is de rechtbank van oordeel dat de enkele overweging in de bestreden beschikking dat een document middels kopiëren op eenvoudige wijze kan worden vervalst, terwijl de authenticiteit van het document dat in kopie is overgelegd niet kan worden vastgesteld, zonder nadere motivering de conclusie niet kan dragen dat aan die kopie „niet de waarde kan worden toegekend die betrokkene wenst". Bovendien is die conclusie weinig zeggend.

8. In het licht van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de combinatie van eisers lidmaatschappen van de Ba'athpartij en de verboden oppositionele TFP, zijn activiteiten voor de TFP alsmede zijn functie als directeur, maakt dat tot op zekere hoogte aannemelijk is geworden dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft.

Uit het voorgaande volgt tevens dat niet zonder meer onder verwijzing naar de beleidswijziging van verweerder van 20 november 1998, enkel uitgaande van de in de ambtsberichten genoemde risicocategorieën, kan worden geconcludeerd dat eiser een vluchtalternatief in Noord-Irak heeft.

9. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de bestreden beschikking in strijd met de artikelen 7:2 en 7:12 van de Awb en artikel 31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw tot stand is gekomen. Het beroep is gegrond en de bestreden beschikking zal worden vernietigd. Verweerder had in bezwaar de beschikking op de inleidende aanvraag niet zonder meer mogen bevestigen, maar had ten minste eiser in bezwaar in de gelegenheid moeten stellen te worden gehoord, teneinde de aannemelijkheid van de aan de aanvraag ten grondslag gestelde feiten en omstandigheden te heroverwegen.

10. Aangezien op het bezwaar tegen de weigering eiser een vergunning tot verblijf (vtv) te verlenen op grond van klemmende redenen van humanitaire aard eerst naar behoren kan worden beslist nadat op de aanvraag om toelating als vluchteling is beslist, ziet de rechtbank in de vernietiging van de weigering eiser als vluchteling toe te laten voldoende grond om de gehele beschikking te vernietigen. Bovendien is de weigering aan eiser een vtv te verlenen, gezien vaste rechtspraak (o.a. JV 2000 nrs. 83, 244 en 267), onvoldoende gemotiveerd met de enkele verwijzing naar eisers leeftijd en het ontbreken van gezondheidsproblemen.

11. Het beroep is derhalve gegrond.

12. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en tot vergoeding van het door hem betaalde griffierecht, zoals hierna weergegeven.

De Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beschikking van 31 januari 2000;

draagt verweerder op een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van deze uitspraak;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad ƒ 50,-- aan eiser te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J.J. Catsburg, C. Lely-van Goch en A.W.M. van Hoof, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2001 in tegenwoordigheid van mr. Y.H.M. Marijs als griffier.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 33e van de Vreemdelingenwet geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 24 januari 2001