Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5933

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-07-2001
Datum publicatie
21-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/26238
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Bewaring / voorlopige maatregel / strafrechtelijke detentie.

Ten aanzien van eiser, van (gestelde) Turkse nationaliteit, die vanwege een strafrechtelijke verdenking in voorlopige hechtenis zit, is een voorlopige maatregel van bewaring opgelegd. De voorlopige maatregel is gebaseerd op hoofdstuk A5/5.3.7.1 Vc 2000. Anders dan het vergelijkbare artikel 19 Vw bevat artikel 50, derde lid, Vw 2000 de bevoegdheid om een vreemdeling van wie de identiteit vaststaat en van wie bekend is dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland geniet over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor. Deze wettelijke bepaling geeft een rechtstitel voor het vervoer van een vreemdeling na expiratie van de strafrechtelijke detentie en het horen met het oog op de uitzetting. Door gebruik te maken van deze bevoegdheid kan verweerder het beoogde doel - het voorkomen dat de vreemdeling na ommekomst van de strafrechtelijke detentie in de illegaliteit verdwijnt - bereiken. De rechtbank is van oordeel dat er hiernaast voor de buitenwettelijke figuur van de voorlopige maatregel van bewaring geen plaats is.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/26238 VRONTN

inzake : A, geboren op [...] 1951, van (gestelde) Turkse nationaliteit, verblijvende in het huis van bewaring te Zoetermeer, eiser,

gemachtigde: mr. M.S.M. Dietz de Loos-Schrijver, advocaat te Wassenaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Kuiper, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van

het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 31 mei 2001 is aan eiser de voorlopige maatregel van bewaring opgelegd. Bij beroepschrift van 17 juni 2001 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit van verweerder.

Op 27 juni 2001 heeft verweerder opnieuw aan eiser de voorlopige maatregel van bewaring opgelegd.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 28 juni 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S. Kotbas, als tolk in de Turkse taal.

Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen aan de rechtbank nadere inlichtingen te verschaffen. Verweerder heeft per faxbericht van 3 juli 2001 de verzochte inlichtingen verschaft. Eisers gemachtigde heeft per faxbericht van 4 juli 2001 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser bevindt zich sinds 14 maart 2001 in voorlopige hechtenis. Aan hem is op 15 maart 2001, op 12 april 2001, op 7 mei 2001 en op –thans- 31 mei 2001 en 27 juni 2001 een voorlopige maatregel van bewaring opgelegd. De desbetreffende besluiten vermelden dat de maatregel een maximale geldigheidsduur heeft van 28 dagen, in werking treedt zodra de vreemdeling strafrechtelijk in vrijheid is gesteld, en de geldigheid van de maatregel na inwerkingtreding daarvan beperkt is tot maximaal 3 dagen. Op 29 juni 2001 is eiser door deze rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Eiser heeft gemotiveerd de onrechtmatigheid van de maatregel bepleit.

Verweerder heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat eiser niet in bewaring verblijft op grond van artikel 59 van de Vw 2000. Eiser zit wegens een tegen hem lopende strafzaak in voorlopige hechtenis. De figuur van de voorlopige maatregel van bewaring, beschreven in hoofdstuk A5/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, bedoelt te voorkomen dat een illegale vreemdeling na expiratie van een kortdurende detentie van maximaal drie maanden dan wel opheffing van voorlopige hechtenis wederom in de illegaliteit kan verdwijnen. De voorlopige maatregel van bewaring dient binnen drie dagen na expiratie van de straf of na het opheffen van de voorlopige hechtenis te worden omgezet in een reguliere maatregel tot bewaring. De voorlopige maatregel heeft een geldigheidsduur van 28 dagen en kan niet worden verlengd. Wel kan zonodig een nieuwe voorlopige maatregel worden gegeven. Bij elke voorlopige maatregel tot bewaring wordt de vreemdeling gehoord en wordt er een advocaat in kennisgesteld. Er gaat echter geen kennisgeving uit naar de rechtbank, zoals op grond van artikel 94 van de Vw 2000 wel het geval is bij een reguliere vreemdelingenbewaring. Immers, omdat de vreemdeling niet op grond van de Vw 2000 in bewaring zit, maar strafrechtelijk gedetineerd is dan wel in voorlopige hechtenis verblijft, kan de rechtbank de vrijheidsontneming niet opheffen.

Nu eiser is veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf, zal na ommekomst van de termijn voor hoger beroep geen voorlopige maatregel van bewaring worden opgelegd. Tijdens de detentie van eiser zullen voor eiser reispapieren worden geregeld, zodat hij na expiratie van zijn straf uitgezet kan worden. Mocht eiser hoger beroep aantekenen tegen zijn veroordeling, dan zal verweerder nader beoordelen op welke wijze de uitzetting van eiser kan worden verzekerd.

In het onderhavige geval is de vreemdelingenbewaring onder meer gerechtvaardigd omdat eiser ongewenst is verklaard.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten tijde van het onderzoek ter zitting was de voorlopige maatregel van bewaring van 31 mei 2001 reeds geëxpireerd. Niet gebleken is dat eiser nog enig (proces)belang heeft bij de beoordeling van eerstgenoemd bevel. Het beroep daartegen zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank merkt eisers beroep aan als mede te zijn gericht tegen verweerders besluit van 27 juni 2001. Daarover wordt het volgende overwogen.

De figuur van de voorlopige maatregel van bewaring wordt beschreven in hoofdstuk A5/5.3.71 van Vc 2000. Daarin wordt vermeld dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden. Desalniettemin kan het voorkomen dat een vreemdeling na zijn detentie in bewaring gesteld moet worden. Dit geval kan zich voordoen bij detentie waarvan niet bij voorbaat de datum van ontslag vaststaat, zoals bij voorlopige hechtenis en kortdurende detentie, aldus de Vc 2000. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage, van 24 december 1998, JV 1999/58, worden in de Vc 2000 de voorwaarden beschreven die bij het opleggen van een voorlopige maatregel van bewaring in acht dienen te worden genomen.

Anders dan het vergelijkbare artikel 19 van de Vreemdelingenwet bevat artikel 50, derde lid, van de huidige Vw 2000 de bevoegdheid om een vreemdeling van wie de identiteit vaststaat en van wie bekend is dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland geniet over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor. Aldaar kan hij maximaal zes uren worden opgehouden. Deze wettelijke bepaling geeft een rechtstitel voor het vervoer van een vreemdeling na expiratie van de strafrechtelijke detentie en het horen met het oog op uitzetting (zie de memorie van toelichting, TK 1998/99, 26732, nr. 3, p.56). Gedurende deze periode kan een inbewaringstelling worden voorbereid, die aansluitend kan plaatsvinden.

Door gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 kan het door verweerder beoogde doel -het voorkomen dat de vreemdeling na ommekomst van de strafrechtelijke detentie in de illegaliteit verdwijnt- worden bereikt. Ook in een geval waarin de vreemdeling zich in voorlopige hechtenis bevindt kan deze bevoegdheid worden aangewend. De omstandigheid dat niet in alle gevallen zeker is op welk tijdstip de voorlopige hechtenis zal eindigen, neemt niet weg dat op een beëindiging van de voorlopige hechtenis geanticipeerd kan worden en een bevoegde ambtenaar ter plekke aanwezig kan zijn.

De rechtbank is van oordeel dat er hiernaast geen plaats is voor de buitenwettelijke figuur van de voorlopige maatregel van bewaring, waarmee hetzelfde doel wordt beoogd.

Hieruit volgt dat het besluit tot bewaring van 27 juni 2001 bij gebrek aan een wettelijke grondslag vernietigd dient te worden. Het beroep is in zoverre gegrond.

Gelet op het vorengaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op ƒ 710,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting) als kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen verweerders besluit tot bewaring van

31 mei 2001 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen verweerders besluit tot bewaring van

27 juni 2001, gegrond en vernietigt dit besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot

ƒ 710,- (zegge: zevenhonderdtien gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden

aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P.M. Meskers, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2001, in tegenwoordigheid van mr. J. Snoeijer, griffier.

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op: 11 juli 2001