Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5918

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2001
Datum publicatie
21-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/ 2379
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Vvtv / derdelandenexceptie.

Verweerder heeft eiseres, van Afghaanse nationaliteit, een vvtv onthouden onder verwijzing naar TBV 1998/30. Bij uitspraak AWB 99/11065 van 4 mei 2000 heeft de REK geoordeeld dat verweerder het beleid neergelegd in dit TBV niet in redelijkheid vast heeft kunnen stellen. De rechtbank sluit zich bij de overwegingen van de REK aan en oordeelt dan ook dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:4 Awb. Er bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Verweerder heeft in het verweerschrift getoetst aan het beleid zoals neergelegd in TBV 2000/16 en geconcludeerd dat sprake is van de in dit TBV genoemde voorwaarden, zodat eiseres op juiste gronden een vvtv is onthouden. De grondslag van de bestreden beschikking kan echter niet bij verweerschrift worden gewijzigd. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres in de gelegenheid had dienen te stellen om kenbaar te maken of in haar geval individuele omstandigheden eraan in de weg staan dat zij terugkeert naar Pakistan. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 00/2379 VRWET H

UITSPRAAK ex artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 71

Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de meervoudige kamer voor de behandeling van

vreemdelingenzaken, inzake het beroep van:

A, geboren op [...] 1973, van Afghaanse nationaliteit, eiseres,

gemachtigde: mr. A.M.I. Spauwen, advocaat te Sittard,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Visser, advocaat te Den Haag.

-------------------------------------------------------------------------------

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij beslissing van 3 februari 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen zijn besluit van 7 juli 1999 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 28 december 1998 om haar tot Nederland toe te laten als vluchteling niet ingewilligd en haar een vergunning tot verblijf geweigerd. Eiseres heeft tegen de beslissing van 3 februari 2000 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 20 februari 2001. Ter zitting hebben eiseres en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit, gelet op de feiten of omstandigheden ten tijde van het nemen van dit besluit, de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Met ingang van 1 april 2001 is de Vw in werking getreden. Artikel 122 Vw bepaalt dat de tot dan geldende vreemdelingenwet wordt ingetrokken.

Ingevolge artikel 119, eerste lid, Vw blijft het recht zoals het gold voor 1 april 2001 van toepassing ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet zoals die luidde tot 1 april 2001 (hierna: Vw (oud)), dat is bekend gemaakt voor 1 april 2001, dan wel een handeling op grond van de Vw (oud) verricht voor 1 april 2001.

2.3 Aangezien de bestreden beschikking dateert van vóór 1 april 2001 en het onderzoek ter zitting eveneens vóór die datum is gesloten, toetst de rechtbank het bestreden besluit inhoudelijk aan de Vw (oud).

2.4 Ter ondersteuning van haar aanvraag om toelating als vluchteling heeft eiseres het volgende verklaard. Eiseres is aspirant-lid geweest van de jongerenorganisatie van de DVPA. Ze zette zich voornamelijk in bij de analfabetisme-bestrijding. Alle familieleden en de echtgenoot van eiseres waren ook lid van de DVPA. Eiseres was werkzaam als lerares, maar in 1992 is zij daarmee op aanraden van familieleden gestopt. Daarna zat eiseres alleen nog maar thuis en durfde zij de straat niet meer op. Toen de Taliban aan de macht kwamen, werd het alleen maar slechter.

In 1994 kwam de Mudjaheddin om een broer van eiseres te arresteren, maar hij was toen niet thuis.

Ter ere van de verloving van eiseres werd een feest gegeven waar ook muziek werd gedraaid en dit is bekend geworden bij de Taliban, maar eiseres heeft naar aanleiding daarvan persoonlijk geen problemen ondervonden van de Taliban.

In augustus 1998 is eiseres naar Pakistan vertrokken om in het huwelijk te treden. De echtgenoot van eiseres verbleef in Nederland als vluchteling en kwam voor een paar dagen over naar Pakistan om te trouwen. In december 1998 is ook eiseres naar Nederland gegaan.

2.5 Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Eiseres heeft geen enkel reisdocument over kunnen leggen, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen. Voorts is nimmer gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling van de Taliban heeft gestaan. Ze heeft immers zelf aangegeven nooit te zijn benaderd door de Taliban. De problemen die de echtgenoot heeft ondervonden van de zijde van de Mudjaheddin, leiden niet tot vluchtelingschap voor eiseres, nu zij hem op haar huwelijksdag voor het eerst heeft ontmoet en bovendien de Mudjaheddin inmiddels niet meer aan de macht is in Afghanistan. Uit de verklaringen van eiseres blijkt niet dat zij ondergedoken zou zijn geweest; uit haar verklaringen blijkt wel dat zij zich heeft geschikt naar de Taliban-regels. Voor zover eiseres een beroep doet op de algemene situatie in Afghanistan, wordt overwogen dat dit niet kan leiden tot vluchtelingschap.

Eiseres is een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) onthouden nu zij voor haar komst naar Nederland vier maanden in Pakistan heeft verbleven.

Er is geen sprake van dreigende schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.6 Eiseres heeft hier in beroep tegen aangevoerd dat verweerder ten onrechte de nadruk legt op het ontbreken van voldoende reisroute-gegevens, terwijl ze vele andere documenten heeft overgelegd, zoals haar rijbewijs, een huwelijksakte, een diploma en een geboorte-akte.

Het is niet verwonderlijk dat eiseres tijdens haar reis naar Nederland niet goed heeft gelet op hetgeen er om haar heen gebeurde, gelet op haar ervaringen.

De gehele familie van eiseres werd vervolgd door de Taliban. Haar broer is naar Canada gevlucht. Eiseres is gehuwd met een communist en ook zij wordt als zodanig beschouwd. De gevolgen hiervan zijn van algemene bekendheid. Ten onrechte heeft verweerder voorts geen consequenties verbonden aan het feit dat eiseres hoog opgeleid is. Voor zover eiseres zich heeft geschikt naar de Taliban-regels, heeft zij dit alleen gedaan uit angst te worden vervolgd. Verweerder miskent dat eiseres twee jaar ondergedoken heeft moeten zitten. Overigens was de inhoud van het bezwaarschrift inhoudelijk gericht tegen de afwijzing van een vvtv.

Tot slot beroept eiseres zich op artikel 8 EVRM omdat zij inmiddels is bevallen van een dochter.

2.7 Ingevolge artikel 15, eerste lid, Vw (oud) is van vluchtelingschap sprake in geval de vreemdeling afkomstig is uit een land waar hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

2.8 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw (oud) kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

2.9 Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij -voor zover hier van belang- klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiend uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994).

2.10 Ten aanzien van het beroep, voor zover het is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, overweegt de rechtbank als volgt.

2.11 Voorop staat dat de situatie in Afghanistan, hoewel zorgwekkend, niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt.

Eiseres zal derhalve aannemelijk moeten maken, dat met betrekking tot haar persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die haar vrees voor vervolging in de zin van artikel 15 Vw (oud) rechtvaardigen.

2.12 De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om slechts op grond van het ontbreken van gegevens omtrent de door eiseres afgelegde reisroute, te twijfelen aan de juistheid van de door haar afgelegde verklaringen. De aangevoerde vluchtmotieven bieden evenwel geen aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat van de zijde van de Afghaanse autoriteiten een zodanige negatieve belangstelling voor eiseres zou bestaan, dat zij bij terugkeer voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin heeft te vrezen. Eiseres heeft geen enkele concrete aanwijzing verkregen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de Taliban in het bijzonder naar haar op zoek zijn. Integendeel, eiseres heeft verklaard dat zij zich gedwongen naar de leefregels van de Taliban heeft geschikt en dat zij van de zijde van de Taliban geen persoonlijke problemen heeft ondervonden.

Het relaas van eiseres lijkt veeleer samen te hangen met de algehele situatie -van met name vrouwen- in Afghanistan en haar vlucht lijkt mede te zijn voortgekomen uit onvrede met deze situatie, hetgeen -hoewel begrijpelijk- geen grond oplevert om vluchtelingschap aan te kunnen nemen. Eiseres komt derhalve niet in aanmerking voor toelating als vluchteling.

2.13 Ten aanzien van het beroep, voor zover gericht tegen de weigering eiseres in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf, overweegt de rechtbank dat, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het asielrelaas is overwogen, niet aannemelijk is dat eiseres bij gedwongen verwijdering naar Afghanistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die verboden is bij artikel 3 EVRM.

Eiseres kan aan deze bepaling derhalve geen aanspraak op een vergunning tot verblijf ontlenen.

2.14 Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf bij echtgenoot en het in verband daarmee gedane beroep op artikel 8 EVRM, overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres hiervoor een aanvraag om verlening van een (reguliere) vergunning tot verblijf moet indienen bij de bevoegde korpschef, hetgeen zij kennelijk inmiddels ook heeft gedaan. Sinds de wijziging van de Vreemdelingenwet per 1 juli 1998, waarbij de zogenoemde enkelvoudige aanvraag is geïntroduceerd, kunnen niet-asielgerelateerde aspecten, waartoe gezinsvorming behoort, niet meer worden beoordeeld in de asielprocedure. De rechtbank verwijst in dit verband naar Werkinstructie 174 van 20 augustus 1998. Toetsing aan artikel 8 EVRM dient eveneens in die procedure aan de orde te komen.

2.15 Ten aanzien van het beroep, voor zover gericht tegen de weigering eiseres in het bezit te stellen van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, overweegt de rechtbank als volgt.

2.16 Ingevolge artikel 12b Vw kan de Minister van Justitie de voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verlenen aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en een aanvraag om toelating heeft ingediend, indien naar het oordeel van de Minister gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.17 In het onderhavige geval heeft verweerder eiseres in de bestreden beschikking een vvtv onthouden onder verwijzing naar Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1998/30, waarin is neergelegd dat indien een vreemdeling langer dan twee weken in een derde land heeft verbleven, ongeacht zijn intentie om (uiteindelijk) naar Nederland te reizen, aan hem geen vvtv wordt verleend.

2.18 Bij uitspraak van 4 mei 2000 (AWB 99/11065) heeft de Rechtseenheidskamer (REK) van deze rechtbank geoordeeld dat verweerder het beleid zoals verwoord in TBV 1998/30 niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De REK heeft daartoe overwogen dat verweerder met de invulling van het begrip "verblijfsalternatief" -waarbij verweerder enkel oog heeft voor het verleden- onvoldoende blijk heeft gegeven van een zorgvuldige weging van de betrokken belangen van de vreemdelingen in verhouding tot het door verweerder nagestreefde doel. Voorts overweegt de REK dat verweerder door de vraag naar de wedertoelating noch de eventuele gevolgen van een niet-mogelijk gebleken terugkeer naar het derde land binnen het beoordelingskader een rol te laten spelen, onder meer volstrekt voorbij gaat aan de omstandigheid dat op het land van eerder verblijf in beginsel geen (volkenrechtelijke) rechtsplicht rust om een niet-onderdaan terug te nemen.

2.19 De rechtbank sluit zich bij deze overwegingen van de REK aan en oordeelt dan ook dat de bestreden beschikking voor wat betreft de weigering eiseres in het bezit te stellen van een vvtv niet in stand kan blijven wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:4 Awb. Het beroep van eiseres is mitsdien gegrond. De bestreden beschikking zal worden vernietigd.

2.20 De rechtbank ziet geen aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe is het navolgende redengevend.

2.21 Naar aanleiding van de hiervoor genoemde uitspraak van de REK heeft verweerder het beleid aangepast en neergelegd in TBV 2000/16 van 31 juli 2000. Daarbij is bepaald dat deze beleidswijziging wordt toegepast op alle asielaanvragen die vanaf 21 december 1998 zijn ingediend.

2.22 Blijkens het verweerschrift heeft verweerder de zaak van eiseres getoetst aan het beleid zoals in TBV 2000/16 neergelegd, en geconcludeerd dat sprake is van de in dat TBV genoemde voorwaarden, zodat eiseres op juiste gronden een vvtv is onthouden. De grondslag van de bestreden beschikking kan echter niet bij verweerschrift worden gewijzigd. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres in de gelegenheid had dienen te stellen om kenbaar te maken of in haar geval individuele omstandigheden eraan in de weg staan dat zij terugkeert naar Pakistan. Verweerder zal eiseres daartoe alsnog in de gelegenheid moeten stellen en een nieuwe beschikking moeten nemen.

2.23 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt ƒ 710,--). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

2.24 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad ƒ 50,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de weigering eiseres een vvtv te verlenen;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 3 februari 2000 in zoverre;

3.3 draagt verweerder op opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 50,--;

3.6 verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen, voorzitter, en mrs. P.K. Nihot en H.J.H. van Meegen, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2001, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bressers als griffier.

afschrift verzonden op: 9 mei 2001

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 120 Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.

$$N NOTITIES