Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5899

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-05-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/73438
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Mvv / buitenbehandelingstelling.

Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een vtv voor het verrichten van arbeid als zelfstandig prostituee. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling omdat zij niet beschikte over een mvv.

De president gaat allereerst in op de vraag of de Associatie-EG-Bulgarije meebrengt dat aan verzoekster niet zou kunnen worden tegengeworpen dat zij niet over een mvv beschikt. Op grond artikel 59, eerste lid, en de gemeenschappelijke verklaring ten aanzien van dit artikel komt de president tot het voorlopig oordeel dat een verplichting tot het aanvragen van een visum en dus ook een mvv, niet door de Associatie-EG-Bulgarije wordt uitgesloten.

De stelling van verzoekster dat een mvv niet mag worden verlangd omdat bij de aanvraag van deze machtiging zodanige eisen zouden worden gesteld dat de uit de Associatie-EG-Bulgarije voortvloeiende voordelen te niet worden gedaan of worden beperkt zoals bedoeld in artikel 59, leidt in deze procedure, die betrekking heeft op de vtv, niet tot een ander oordeel. De vraag of de voorwaarden waaronder een mvv wordt verleend in strijd zijn met de Associatie-EG-Bulgarije komt pas aan de orde na een aanvraag tot het verlenen van een mvv en een besluit op deze aanvraag.

De president ziet geen reden om in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen in de zaak Barkoci en Malik (C-257/99), waarin ook vragen zijn gesteld inzake de visumplicht, de gevraagde voorziening toe te wijzen. Afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Assen

Vreemdelingenkamer

President

Reg.nr.: Awb 00/73438 OVERIO

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren [...]1981,

verblijvende te B,

van Bulgaarse nationaliteit,

IND dossiernummer 0012.19.6168,

verzoekster,

gemachtigde: mr R. van Asperen, advocaat te Groningen;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door A.H. Straatman, ambtenaar ten departemente.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 20 oktober 2000 heeft verzoekster een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf voor arbeid als zelfstandig prostituée gedaan.

1.2 Bij beschikking van 6 november 2000 heeft de korpschef van de regiopolitie te B namens verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld.

1.3 Verzoekster heeft daartegen bij brief van 10 november 2000 bezwaar gemaakt.

Verzoekster is medegedeeld dat zij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

1.4 Bij verzoekschrift van 10 november 2000 heeft verzoekster de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot het achterwege laten van uitzetting tot op het bezwaar is beslist.

1.5 De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan verzoekster gezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.6 Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 april 2001. Verzoekster is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495; verder: Vw 2000) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de Vreemdelingenwet(oud) ingetrokken(artikel 122 Vw 2000).

Ingevolge het bepaalde in artikel 118, tweede lid Vw 2000 blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet (oud) dat is bekendgemaakt, dan wel een handeling op grond van de Vreemdelingenwet (oud) die is verricht voor dat tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000. De artikelen 32 en 33b Vreemdelingenwet (oud) zijn bepalingen ten aanzien van de behandeling van een bezwaarschrift, zodat de toepassing van deze artikelen thans (mede) ter beoordeling staat.

2.2 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.3 De president zal toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

2.4 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.5 Door verweerder is de aanvraag van verzoekster buiten behandeling gesteld op grond van artikel 16a Vreemdelingenwet, wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. De Vw 2000 heeft, behoudens andersluidende bepalingen van overgangsrecht, directe werking. Dit brengt mee dat verweerder in beginsel een beslissing in bezwaar zal dienen te nemen overeenkomstig de materiële bepalingen van de Vw 2000. De Vw 2000 kent de mogelijkheid van buiten behandeling stellen vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf niet, doch bepaalt in artikel 16 lid 1 sub a dat een dergelijk ontbreken een afwijzigingsgrond kan vormen. De rechtbank zal bij haar oordeel over de gevraagde voorziening daarom de vraag betrekken of verweerder tot afwijzing van de verblijfsvergunning over had kunnen gaan en of verzoeksters bezwaar hiertegen een redelijke kans van slagen heeft, naast de afweging van de belangen van verzoekster enerzijds en verweerder anderzijds overeenkomstig artikel 8:81 Awb.

2.6 Verzoekster is ingereisd in Nederland en heeft vervolgens een aanvraag gedaan voor een vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, terwijl de werkzaamheden bestaan uit het verrichten van diensten in de prostitutie.

2.7 Volgens verzoekster dient het niet bezitten van een machtiging tot voorlopig verblijf niet te leiden tot een buitenbehandelingstelling van de aanvraag. De machtiging tot voorlopig verblijf is geen vormvereiste om een aanvraag in behandeling te nemen. De aanvraag had derhalve afgewezen moeten worden. Voorts stelt verzoekster dat het onredelijk is een machtiging tot voorlopig verblijf te verlangen nu zij arbeid als zelfstandig prostituée wenst te verrichten. In het kader van een dergelijke aanvraag dient zij aan te tonen over voldoende middelen van bestaan te beschikken, hetgeen niet het geval is als zij haar werkzaamheden niet kan verrichten. Verzoekster is zelfstandig prostituée, huurt een kamer en is verder aan niemand enige verantwoording schuldig. Er is derhalve geen als werkgever te beschouwen derde. In dit verband verwijst verzoekster naar een uitspraak van deze rechtbank met zittingsplaats Haarlem van 18 februari 2000, alsmede naar een uitspraak van deze rechtbank met zittingsplaats Amsterdam van 15 juli 1999, welke betrekking heeft op prostituées uit landen waarmee een Europa-overeenkomst is gesloten. Onder deze omstandigheden is verzoekster van mening dat haar ten onrechte een mvv-plicht wordt opgelegd.

2.8 Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster alleen al vanwege het feit dat zij niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf geen aanspraak heeft op toelating tot Nederland en dat haar daarom een vergunning tot verblijf kan worden geweigerd. Onder de nieuwe wet is dit niet anders, zij het dat dit tot een afwijzing van de aanvraag zou leiden.

2.9 Met betrekking tot de gevraagde voorziening overweegt de president het volgende.

Aan de orde is de vraag of verweerder kan eisen dat verzoekster beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf.

Vaststaat dat verzoekster bij haar aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, ook niet nadat haar een redelijke termijn was geboden om die machtiging tot voorlopig verblijf alsnog te overleggen.

2.10 Ingevolge het nationale recht kon verweerder deze eis stellen zowel ingevolge de vreemdelingenwet als ingevolge de Vw2000, zij het dat de vreemdelingenwet in artikel 16a lid 1 bepaalt dat een aanvraag slechts in behandeling wordt genomen als over een machtiging tot voorlopig verblijf wordt beschikt, terwijl de Vw2000 in artikel 16 lid 1 sub a bepaalt dat het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf kan leiden tot afwijzing van de aanvraag. Verzoekster valt niet onder één van de categorieën waarvoor een uitzondering is gemaakt op het mvv-vereiste. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van omstandigheden op grond waarvan de hardheidsclausule van toepassing zou kunnen zijn.

2.11 Voor zover verzoekster met haar verwijzing naar een tweetal uitspraken van deze rechtbank van 18 februari 2000 (zittingsplaats Haarlem) respectievelijk 15 juli 1999 (zittingsplaats Amsterdam) heeft beoogd te stellen dat van haar niet verlangd kan worden dat zij over een machtiging tot voorlopig verblijf beschikt nu zij voornemens is om als zelfstandige (prostituée) in Nederland arbeid te gaan verrichten en derhalve rechtstreeks, zonder in het bezit te zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf, aanspraak op toelating kan ontlenen aan de artikelen 45 en 59 van de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lidstaten enerzijds en de Republiek Bulgarije anderzijds van 8 maart 1993( Trb. 1994,17) hierna: Europa-Overeenkomst, overweegt de president het volgende.

De president gaat allereerst in op de vraag of de Europa-Overeenkomst meebrengt dat aan verzoekster niet zou kunnen worden tegengeworpen dat zij niet over een machtiging tot voorlopig verblijf beschikt.

In artikel 59 lid 1 van de Europa-Overeenkomst wordt bepaald:

" Voor de toepassing van titel IV belet geen enkele bepaling van de Overeenkomst de Partijen hun wetten en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende toelating en verblijf, tewerkstelling, arbeidsvoorwaarden, de vestiging van natuurlijke personen en het verrichten van diensten toe te passen, mits zij dat niet op zodanige wijze doen dat de voor een Partij uit een specifieke bepaling van deze Overeenkomst voortvloeiende voordelen teniet worden gedaan of beperkt. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 54."

Voorts wordt in de door de verdragspartijen aangenomen gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 59 van de Europa-Overeenkomst gesteld:

" Het feit dat voor natuurlijke personen die onderdaan zijn van bepaalde Partijen een visum wordt geëist en voor die van andere Partijen niet, mag, op zichzelf niet worden beschouwd als een element dat voordelen die uit een specifieke verbintenis voortvloeien, te niet doet of beperkt."

Op grond van deze verdragsbepaling en de gemeenschappelijke verklaring komt de president tot het voorlopig oordeel dat een verplichting tot het aanvragen van een visum en dus ook een machtiging tot voorlopig verblijf, niet door de Europa-Overeenkomst wordt uitgesloten.

De stelling van verzoekster dat een machtiging tot voorlopig verblijf niet mag worden verlangd, omdat bij de aanvraag van deze machtiging zodanige eisen zouden worden gesteld dat de uit de Europa-Overeenkomst voortvloeiende voordelen te niet worden gedaan of worden beperkt zoals bedoeld in artikel 59, leidt in deze procedure, die betrekking heeft op de vergunning tot verblijf, niet tot een ander oordeel. De vraag of de voorwaarden waaronder een machtiging tot voorlopig verblijf wordt verleend in strijd zijn met de Europa-Overeenkomst komt pas aan de orde na een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf en een besluit op deze aanvraag.

2.12 Het is de president ambtshalve bekend dat inzake onder andere de vraag of een visum mag worden gevraagd prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Europese Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Barkoci en Malik ( C-257/99).

De president ziet geen reden om in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen de gevraagde voorziening om niet over te gaan tot uitzetting gedurende de bezwaarprocedure toe te wijzen. Het bezwaar heeft naar het oordeel van de president, gezien het onder punt 2.11 gestelde, geen redelijke kans van slagen. Van de zijde van verzoekster zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan niet van verzoekster verlangd zou kunnen worden de beslissing op bezwaar in het land van herkomst af te wachten.

2.13 Niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard die verzoekster aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

2.14 Gezien het voorgaande heeft verzoekster geen redelijke kans op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.

2.15 Het verzoek dient derhalve afgewezen te worden.

2.16 Door verweerder is verzocht toepassing te geven aan artikel 33b Vreemdelingenwet. Reeds op grond van het feit dat over de vraag waar het in deze zaak om gaat een prejudiciële vraag bij het Europese Gerechtshof aanhangig is ziet de president geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid op grond van artikel 33b.

2.17 Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De president

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens en in tegenwoordigheid van mr M. Schiphorst als griffier in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2001

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 22 mei 2001