Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5888

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-06-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/25521
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2001:AH9379
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / ontbreken proces-verbaal.

In het verzoek van de griffier van 18 juni 2001 aan verweerder om toezending van het dossier staat aangegeven dat het dossier onder meer dient te bestaan uit het proces-verbaal van de staandehouding; zonodig het achterliggend strafrechtelijk dossier. Gebleken is dat er in het onderwerpelijke dossier zich weliswaar enige stukken uit het strafrechtelijke dossier bevinden doch dat een proces-verbaal van de strafrechtelijke aanhouding ontbreekt. De rechtbank kent aan deze omissie in dit geval niet de gevolgen toe die de gemachtigde van de Algerijnse vreemdeling daaraan verbonden wenst te zien, nu uit de overige stukken voldoende blijkt dat sprake was van een redelijk vermoeden dat de vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit. Beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 01/25521 VRWET

Inzake: A, crv nummer [crv nummer], thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. drs. J. Hemelaar, advocaat te Hoofddorp,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. P.E.G. Heydanus Meershoek, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1984 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

2. Op 16 juni 2001 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdeling ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 16 juni 2001 waarbij de vreemdeling de maatregel van bewaring is opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 25 juni 2001. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. J. Singh, kantoorgenoot van mr. drs. J. Hemelaar. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig M.L. Haggui, tolk in de Franse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast.

4. In het verzoek van de griffier van 18 juni 2001 aan verweerder om toezending van het dossier staat aangegeven dat het dossier ondermeer dient te bestaan uit "het proces-verbaal van de staandehouding; zonodig het achterliggend strafrechtelijk dossier". Gebleken is dat er in het onderwerpelijke dossier zich weliswaar enige stukken uit het strafrechtelijke dossier bevinden doch dat een proces-verbaal van de strafrechtelijke aanhouding ontbreekt. De rechtbank kent aan deze omissie in dit geval niet de gevolgen toe die de gemachtigde van de vreemdeling daaraan verbonden wenst te zien, nu uit de overige stukken voldoende duidelijk blijkt dat sprake was van een redelijk vermoeden dat de vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank wijst in dit verband op het proces-verbaal van overgave van 15 juni 2001, het proces-verbaal van verhoor van 15 juni 2001 en het proces-verbaal van gehoor van 16 juni 2001. Gebleken is immers dat de vreemdeling een vals nationaal paspoort van Frankrijk heeft aangeboden aan een security officer van de KLM. Gelet op het bepaalde in artikel 52 jo. artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering bestond derhalve de bevoegdheid de vreemdeling aan te houden. Aangezien hierna is gebleken van voldoende feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf van de vreemdeling in Nederland opleveren als bedoeld in artikel 50, derde lid, Vw2000, is de vreemdeling na beëindiging van het strafrechtelijk onderzoek terecht staande gehouden ingevolge die bepaling.

5. De vreemdeling is opgehouden voor verhoor aangezien na vaststelling van zijn identiteit bleek dat de vreemdeling hier te lande geen rechtmatig verblijf heeft, dan wel niet onmiddellijk bleek dat hij rechtmatig verblijf heeft. Niet is gebleken dat de vreemdeling langer is opgehouden dan de maximumtermijn van zes uren als vermeld in artikel 50, derde lid, Vw2000.

6. De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft hier te lande op grond van artikel 8 onder f Vw2000, in verband met het indienen van een asielverzoek. De rechtbank is van oordeel dat in het belang van de openbare orde de vreemdeling in bewaring is gesteld, aangezien de vreemdeling niet beschikt over een geldige titel tot verblijf, niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs en zich aan het vreemdelingentoezicht heeft onttrokken. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. Bovendien heeft de vreemdeling zich hier te lande bediend van valse identiteitspapieren.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat. Weliswaar heeft presentatie van de vreemdeling bij de autoriteiten van zijn land van herkomst nog niet plaatsgevonden, doch dit vindt zijn oorzaak in het feit dat verweerder nog niet op de asielaanvraag heeft beslist. Er is geen grond om aan te nemen dat presentatie na een mogelijk afwijzende beslissing op die aanvraag geen positief resultaat zal hebben en dat na die presentatie geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn zou bestaan. Overigens wijst de rechtbank er nog op dat verweerder is gehouden te beslissen binnen de in artikel 59, vierde lid, Vw2000 genoemde termijn.

8. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

9. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de opheffing van de maatregel te bevelen. Er bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

10. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voorzover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Voorzover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. M. van Paridon en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2001, in tegenwoordigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier.

afschrift verzonden op: 9 juli 2001

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.