Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5876

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/1370, 00/2590
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

SAMENVATTING

Verblijf bij grootouders.

Eisers, van Marokkaanse nationaliteit, wensen verblijf bij hun grootouders. Verweerder zal bij de te nemen beslissing op bezwaar wegens het ontbreken van ter zake relevant overgangsrecht toepassing dienen te geven aan het materiële recht van de Vw 2000.

Eisers behoren niet tot het gezin van de grootouders. De president toetst verder aan artikel 3.24 Vb 2000 en artikel 3 Vw 2000. De president komt tot het oordeel dat achterlating in Marokko niet onevenredig hard is. Nu de thans in het Vb opgenomen (cumulatieve) voorwaarden om voor verruimde gezinshereniging in aanmerking te komen gelijkluidend zijn aan de (cumulatieve) voorwaarden die waren neergelegd in de Vc-1994, zal toepassing van het oude rechtsregime niet tot een voor verzoekers gunstiger resultaat leiden, zodat verweerder niet gehouden zal zijn toepassing te geven aan het oude rechtsregime. Afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.24
Vreemdelingenwet 2000 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 00/1370 en 00/2590 VRWET H (voorlopige voorzieningen)

UITSPRAAK ex artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de president, inzake de verzoeken om voorlopige voorziening van:

1. A, geboren op [...] 1980, en

2. B, geboren op [...] 1984, en

3. C, geboren op [...] 1986,

allen van Marokkaanse nationaliteit, verzoekers,

gemachtigde: mr. M.M. Bos, advocaat te Utrecht,

hangende het bezwaar tegen de besluiten van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

-----------------------------------------

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Aan de orde zijn de verzoeken om voorlopige voorziening hangende de behandeling van het bezwaarschrift van 2 november 1999 tegen de beschikkingen van verweerder van 5 oktober 1999 strekkende tot niet-inwilliging van de aanvragen tot verlening van een vergunning tot verblijf. Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal blijven. Verzoekers hebben de president van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissingen van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist.

1.2 Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken met toepassing van artikel 33b Vw (oud).

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 3 april 2001. Ter zitting hebben verzoekers en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan -onder meer- indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Met ingang van 1 april 2001 is de Vw in werking getreden. Artikel 122 Vw bepaalt dat de tot dan geldende vreemdelingenwet wordt ingetrokken.

Ingevolge artikel 118, tweede lid, Vw blijft op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing.

2.3 Verweerder zal bij de besluiten op bezwaar wegens het ontbreken van ter zake relevant overgangsrecht toepassing dienen te geven aan het materiële recht van de op 1 april 2001 in werking getreden Vw. De president ziet dan ook aanleiding om de bestreden besluiten te toetsen aan die bepalingen. Eerst nadien zal de president bezien of het rechtsregime zoals luidende ten tijde van de aanvraag voor verzoekers als gunstiger valt aan te merken en in hoeverre dit noopt tot toepassing van dat rechtsregime.

2.4 In casu dient de president te beoordelen of verweerder op goede gronden heeft besloten om de uitzetting van verzoekers niet achterwege te laten gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is.

Uitzetting blijft achterwege indien het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag een redelijke kans van slagen heeft. Voorts dient te worden bekeken of uitzetting gedurende het bezwaar anderszins in strijd is met de rechtsregels. De president geeft hierbij geen definitief, maar slechts een voorlopig oordeel over de zaak.

2.5 Verzoekers hebben aan hun aanvraag ten grondslag gelegd dat zij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf met als doel: verblijf bij grootouders van vaderszijde. Verzoekers doen daarbij een beroep op het beleid inzake verruimde gezinshereniging.

2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet voldaan is aan de voorwaarden om voor verruimde gezinshereniging in aanmerking te komen. Allereerst heeft de gezinsband tussen verzoekers en hun grootouders niet reeds in het buitenland bestaan. Voorts getuigt de achterlating van verzoekers in Marokko niet van onevenredige hardheid. Ook al zou onderzoek van het International Social Service (ISS) uitwijzen dat de ouders van verzoekers niet meer voor hen kunnen zorgen -zoals verzoekers stellen- dan doet dit nog niets af aan het feit dat verzoekers kunnen worden opgevangen door diverse andere familieleden die aldaar wonen. Voorts heeft verzoekster sub 1 inmiddels de leeftijd van 20 jaar bereikt, zodat zij in staat kan worden geacht zich zelfstandig in Marokko te handhaven. De gestelde morele en financiële afhankelijkheid van de grootouders is tot op heden niet gebleken. Een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan niet slagen, nu in het onderhavige geval geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM en voorzover wel sprake is van gezinsleven, is geen sprake van inmenging.

2.7 Verzoekers hebben hier tegen aangevoerd dat het weliswaar zo is dat zij nimmer in het buitenland tot het gezin van hun grootouders hebben behoord, doch er is wel altijd sprake geweest van telefonisch contact. Ook bestond er wel degelijk een financiële afhankelijkheid.

Voorts zijn er geen andere familieleden in Marokko die de zorg voor verzoekers op zich kunnen nemen. De grootouders van moederszijde zijn te oud om voor verzoekers te zorgen. De ouders zijn hiertoe niet in staat, hetgeen blijkt uit een rapportage van het ISS.

Er zijn reeds twee rapportages opgesteld, doch deze zijn summier en niet onderbouwd. Dit is ook de reden dat ze niet zijn overgelegd. Thans wordt gewerkt aan een derde rapportage en in afwachting daarvan dient het verzoek om voorlopige voorziening in ieder geval te worden toegewezen. De rapportage van het ISS kan tevens onderbouwen dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.8 Ingevolge artikel 13 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot verblijf slechts ingewilligd indien:

a. internationale verplichtingen daartoe nopen;

b. met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend;

c. klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.9 Ingevolge artikel 3.24 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging worden verleend aan een ander familielid van een Nederlander of van een vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vw, dan de echtgeno(o)t(e), de al dan niet geregistreerde partner, of het minderjarige kind, indien:

a. de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de persoon bij wie deze vreemdeling wil verblijven, en

b. de achterlating van de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een onevenredige hardheid zou betekenen.

2.10 De president overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat verzoekers niet reeds in het buitenland feitelijk behoorden tot het gezin van hun grootouders. Immers, de gemachtigde van verzoekers heeft ter zitting erkend dat hiervan nimmer sprake is geweest. Gelet hierop is de president dan ook van oordeel dat verweerder verzoekers reeds hierom een vergunning tot verblijf heeft kunnen onthouden.

2.11 Toetsende aan artikel 3.24, aanhef en onder b, van het Vb en aan artikel 13, aanhef en onder c, van de Vw komt de president tot het voorlopig oordeel dat van strijd met deze bepalingen geen sprake is. Weliswaar hebben verzoekers zich op het standpunt gesteld dat er in het land van herkomst geen enkel familielid woonachtig is dat in staat is de verzorging voor hen op zich te nemen, doch deze stelling is tot op heden op geen enkele wijze nader onderbouwd. Namens verzoekers is betoogd dat in afwachting van een nader rapport van het ISS uitzetting achterwege dient te blijven. Dit betoog dient te falen nu, zoals ter zitting is bekend geworden, door deze organisatie reeds eerder twee rapporten zijn opgemaakt, die niet in de procedure zijn ingebracht om de reden dat zij onvoldoende zijn onderbouwd. Het komt voor rekening en risico van verzoekers dat zij hun stelling niet nader hebben onderbouwd. De president houdt het er vooralsnog voor dat de in het land van herkomst aanwezige familieleden de zorg voor verzoekers op zich kunnen nemen, zodat hun achterlating geen onevenredige hardheid betekent, noch sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

Bovendien hebben verzoekers inmiddels de leeftijd van 20, 16 en 14 jaar bereikt, zodat zij in toenemende mate in staat worden geacht zich (tezamen) zelfstandig staande te houden in Marokko, eventueel met financiële ondersteuning vanuit Nederland.

2.12 Nu de thans in het Vb opgenomen (cumulatieve) voorwaarden om voor verruimde gezinshereniging in aanmerking te komen in gelijkluidend zijn aan de (cumulatieve) voorwaarden die waren neergelegd in de Vc 1994, zal toepassing van het oude rechtsregime niet tot een voor verzoekers gunstiger resultaat leiden, zodat verweerder niet gehouden zal zijn toepassing te geven aan het oude rechtsregime.

2.13 Voorzover al aangenomen moet worden dat tussen verzoekers en hun grootouders sprake is van "family life", overweegt de president dat van inmenging in dit familie- of gezinsleven als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM geen sprake is nu het besluit van verweerder er niet toe strekt aan verzoekers een verblijfstitel te ontnemen die hen tot uitoefening van dit gezinsleven in staat stelde.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of uit het recht op respect voor het familie- en gezinsleven voor verweerder een positieve verlichting voorvloeit aan verzoekers verblijf hier te lande toe te staan. Hiertoe dient een redelijke afweging tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel plaats te vinden. Naar het oordeel van de president heeft verweerder het door de overheid te behartigen algemeen belang kunnen stellen boven het belang van verzoekers. Daarbij is in aanmerking genomen dat er geen objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen.

2.14 Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat op grond van de thans voorhanden zijnde gegevens het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

2.15 Nu ook anderszins niet is gebleken van strijd met het recht bestaat in het onderhavige gevallen, gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening, zodat de verzoeken zullen worden afgewezen.

2.16 De president acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 33b Vw (oud).

2.17 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De president:

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.K. Nihot, president, en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2001, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bressers als griffier.

afschrift verzonden op: 21 mei 2001

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op de Raad van State staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.