Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5827

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-10-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
AWB 99/11712 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank hanteert in beginsel als voorwaarde voor bijzondere toestemming als bedoeld in art. 8:32, tweede lid, Awb dat de gemachtigde langs tuchtrechtelijke weg aan geheimhouding kan worden gebonden.

Bezwaar van werkgever (eiseres) tegen toekenning van een WAO-uitkering aan werknemer ongegrond verklaard. In beroep is door de werknemer geen toestemming verleend om eiseres van de medische gedingstukken kennis te laten nemen.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 juli 2001, gepubliceerd in USZ 2001/199, overweegt de rechtbank dat toepassing van de medische besluitenregeling, neergelegd in (met name) art. 88c WAO, leidt tot een schending van de "equality of arms", anders gezegd een niet toelaatbare onevenwichtigheid tussen partijen in hun processuele positie. Dit betekent dat aan de medische besluitenregeling geen onverkorte toepassing kan worden gegeven. In zoverre berust het bestreden besluit, dat wel naar die regeling verwijst, op een onjuiste motivering. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren. Hierbij is, eveneens gelet op voornoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, in aanmerking genomen dat aan de elementaire eisen van een "eerlijk proces" wel wordt voldaan indien - de artikelen 88c en 88g WAO in zoverre buiten toepassing latend - in de beroepsprocedure bij de rechter met toepassing van art. 8:32, tweede lid, Awb wordt bepaald dat inzage in dan wel de kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen, en dat deze gemachtigde - voor zover het de medische aspecten betreft - in de plaats van de werkgever treedt.

Nu de gemachtigde van eiseres advocaat noch arts is (Red.: medewerker van een landelijke werkgeversorganisatie), was zij aangewezen op de hiervoor bedoelde bijzondere toestemming van de rechtbank Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 8:32, tweede lid, Awb dient van de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming terughoudend gebruik te worden gemaakt. Anders dan eiseres kennelijk veronderstelt, is het verlenen van toestemming aan een procesvertegenwoordiger die geen advocaat of arts is, niet vanzelfsprekend. Gelet op de door de wetgever uitdrukkelijk beoogde (en in de genoemde uitspraak als randvoorwaarde gestelde) bescherming van de privacy van de werknemer acht de rechtbank een waarborg noodzakelijk dat de medische informatie niet door de gemachtigde aan zijn of haar opdrachtgever ter hand wordt gesteld. Die waarborg is in beginsel slechts aanwezig indien en voor zover de betrokken procesvertegenwoordiger met betrekking tot die geheimhoudingsverplichting aan een bijzondere (beroeps-) tuchtregeling is onderworpen. Aangezien de gemachtigde van eiseres niet langs tuchtrechtelijke weg aan geheimhouding kan worden gebonden, en anderszins evenmin garanties zijn geboden dat de medische gegevens niet ter kennis van eiseres zullen worden gebracht, heeft de rechtbank de gemachtigde van eiseres inzage in de medische gegevens geweigerd.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres een "fair trial" niet is onthouden. Zij had er immers voor kunnen kiezen om haar belangen (alsnog) te laten behartigen door een gemachtigde die advocaat dan wel arts is.

Zie ook rechtbank Zutphen d.d. 10 mei 2001, LJN AB2031.

Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

mrs. C.J. Waterbolk, E.R. Eggeraat, M.M. Smorenburg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

eerste kamer, meervoudig

Reg. nr. AWB 99/11712 WAO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

Aluminium Handelsmaatschappij "Alusta" B.V., gezeteld te Voorschoten, eiseres,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Derde partij: X, wonende te Y.

Ontstaan en loop van het geding

Bij primair besluit van 3 mei 1999 heeft verweerder (Gak Nederland BV) bepaald dat derde partij op 19 mei 1999 gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, en in aansluiting op die periode in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gebaseerd op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 11 juni 1999 (aangevuld bij brief van 20 augustus 1999) een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Na eiseres in de gelegenheid te hebben gesteld het bezwaar tijdens een hoorzitting toe te lichten, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit van 3 november 1999 het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 14 december 1999, ingekomen bij de rechtbank op 21 december 1999 en van gronden voorzien bij brief van 16 januari 2001, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brieven van 19 januari 2000 en 26 januari 2001 verweer gevoerd.

Derde partij heeft desgevraagd kenbaar gemaakt aan het geding te willen deelnemen, doch eiseres geen toestemming verleend om van de medische gedingstukken kennis te nemen.

Bij brief van 6 augustus 2001 heeft de gemachtigde van eiseres verzocht om toezending van de medische gegevens waarop het bestreden besluit is gebaseerd.

Bij beslissing van 21 september 2001 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiseres inzage in die medische gegevens geweigerd.

Het beroep is op 8 oktober 2001 ter zitting behandeld.

Eiseres en verweerder hebben zich (met bericht vooraf) niet laten vertegenwoordigen.

Namens derde partij is verschenen mw. mr. W. Timmer, advocaat te Den Haag.

Motivering

De rechtbank overweegt in de eerste plaats, mede naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, dat verweerder eiseres terecht als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb heeft aangemerkt.

Bij de inwerkingtreding van de Wet Pemba (premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen) op 1 januari 1998 is een systeem van premiedifferentiatie ingevoerd, waarbij de door de werkgever te betalen WAO-premie gedeeltelijk afhankelijk is van de aan (voormalig) werknemers toegekende WAO-uitkeringen in een bepaald jaar. Dit betekent dat het belang van eiseres rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Anders dan eiseres veronderstelt is zulks niet afhankelijk van de rechtmatigheid van het aangevochten besluit. De rechtbank verwijst voorts naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 februari 2001, gepubliceerd in RSV 2001/82, waaruit volgt dat een werkgever een voldoende actueel en concreet belang heeft bij een besluit met betrekking tot de aanspraken van een werknemer op een WAO-uitkering om als belanghebbende aangemerkt te worden.

Eiseres heeft een aantal bezwaren aangevoerd tegen de medische besluitenregeling, die sedert 1 januari 1998 in de WAO is neergelegd.

Deze bezwaren komen samengevat hierop neer, dat zij enerzijds zal worden geconfronteerd met een hogere WAO-premie als gevolg van het bestreden besluit, maar anderzijds niet in de gelegenheid is om van de (medische) achtergronden van dat besluit kennis te nemen en haar eigen standpunt dienaangaande aan de rechter voor te leggen. Eiseres acht dit onder meer in strijd met het recht op een eerlijk proces, dat bescherming vindt in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

Weliswaar kan eiseres een arts-gemachtigde aanwijzen die in haar plaats van het medisch dossier kennis neemt, doch deze arts kan niet op de hoogte worden geacht van de arbeidskundige en meer juridische aspecten van de zaak, en is bovendien verplicht tot geheimhouding tegenover eiseres.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 juli 2001, gepubliceerd in USZ 2001/199, dat toepassing van de medische besluitenregeling, neergelegd in (met name) artikel 88c van de WAO, leidt tot een schending van de "equality of arms", anders gezegd een niet toelaatbare onevenwichtigheid tussen partijen in hun processuele positie. De werkgever wordt immers inzage in de medische gegevens onthouden, terwijl verweerder wel over die gegevens beschikt. Aldus wordt de werkgever (ook als deze zich laat bijstaan door een arts-gemachtigde) de mogelijkheid ontnomen om de "merits of the matter" volledig te laten toetsen. De wezenlijk nadeliger positie van de werkgever wordt onvoldoende gerechtvaardigd door de door de wetgever beoogde bescherming van de privacy van de werknemer als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Dit betekent dat aan de medische besluitenregeling geen onverkorte toepassing kan worden gegeven. In zoverre berust het bestreden besluit, dat wel naar die regeling verwijst, op een onjuiste motivering.

De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren. Hierbij is, eveneens gelet op voornoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, in aanmerking genomen dat aan de elementaire eisen van een "eerlijk proces" wel wordt voldaan indien - de artikelen 88c en 88g van de WAO in zoverre buiten toepassing latend - in de beroepsprocedure bij de rechter met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb wordt bepaald dat inzage in dan wel de kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen, en dat deze gemachtigde - voor zover het de medische aspecten betreft - in de plaats van de werkgever treedt. Onderkend is dat de werkgever aldus nog niet geheel op gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen, doch de gemachtigde moet in staat worden geacht, al dan niet in samenwerking met een arts, de belangen van de werkgever toch in voldoende mate te behartigen. Het nog resterende verschil in behandeling brengt de werkgever niet in een wezenlijk nadeliger positie.

Nu de gemachtigde van eiseres advocaat noch arts is, was zij aangewezen op de hiervoor bedoelde bijzondere toestemming van de rechtbank. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb dient van de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming terughoudend gebruik te worden gemaakt. Anders dan eiseres kennelijk veronderstelt, is het verlenen van toestemming aan een procesvertegenwoordiger die geen advocaat of arts is, niet vanzelfsprekend.

Gelet op de door de wetgever uitdrukkelijk beoogde (en in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als randvoorwaarde gestelde) bescherming van de privacy van de werknemer acht de rechtbank een waarborg noodzakelijk dat de medische informatie niet door de gemachtigde aan zijn of haar opdrachtgever ter hand wordt gesteld. Die waarborg is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel slechts aanwezig indien en voor zover de betrokken procesvertegenwoordiger met betrekking tot die geheimhoudingsverplichting aan een bijzondere (beroeps-) tuchtregeling is onderworpen. Aangezien de gemachtigde van eiseres niet langs tuchtrechtelijke weg aan geheimhouding kan worden gebonden, en anderszins evenmin garanties zijn geboden dat de medische gegevens niet ter kennis van eiseres zullen worden gebracht, heeft de rechtbank op 21 september 2001 de gemachtigde van eiseres inzage in de medische gegevens geweigerd.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres een "fair trial" niet is onthouden. Zij had er immers voor kunnen kiezen om haar belangen (alsnog) te laten behartigen door een gemachtigde die advocaat dan wel arts is.

De door eiseres in dit verband naar voren gebrachte bezwaren treffen geen doel.

Tenslotte heeft eiseres gesteld dat het doorberekenen van een toegekende WAO-uitkering in de WAO-premie van de (ex-)werkgever in strijd is met het verbod van willekeur, en bovendien rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid bewerkstelligt. In dat verband zijn ook bezwaren geformuleerd die meer in algemene zin betrekking hebben op de WAO en de toepassingspraktijk.

De rechtbank overweegt dat deze grief zich niet richt tegen het bestreden besluit, en derhalve buiten beschouwing moet blijven. Eiseres kan dit bezwaar wel naar voren brengen in het kader van een eventueel bezwaarschrift of beroep tegen het besluit waarbij haar de gedifferentieerde premie wordt opgelegd.

Voor zover door eiseres bezwaren zijn geuit die betrekking hebben op de uitvoeringspraktijk in algemene zin, dienen zij in dit geding, waarin uitsluitend de rechtmatigheid van het bestreden besluit aan de orde is, eveneens buiten beschouwing te blijven.

In de overgelegde stukken heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, waarbij de toekenning van een uitkering ingevolge de WAO, gebaseerd op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid na bezwaar is gehandhaafd, op ontoereikende gronden berust. Hierbij is in aanmerking genomen dat met betrekking tot derde partij een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Het oordeel van verweerders verzekeringsartsen dat derde partij ten tijde hier van belang als gevolg van ziekte niet in staat was tot het verrichten van enige loonvormende arbeid is voldoende onderbouwd. Verder blijkt uit het medisch dossier dat eiseres zich in de bezwaarschriftprocedure onder meer heeft laten bijstaan door een arts-gemachtigde. Deze gemachtigde heeft geen kanttekeningen bij het medisch oordeel van de verzekeringsartsen geplaatst.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mrs. C.J. Waterbolk, E.R. Eggeraat en

M.M. Smorenburg, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2001, in tegenwoordigheid van de griffier F.P. Krijnen.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: